id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 04 januari 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190104.1 Rolnummer: C.18.0045.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2019-01-24 Raadplegingen: 569 - laatst gezien 2026-06-29 11:23 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190104.1 Fiches 1 - 2 De verbindende kracht van een overeenkomst wordt door de rechter niet miskend wanneer hij, met verwijzing naar de gemeenschappelijke bedoeling van de partijen veeleer dan naar de letterlijke zin van de bewoordingen, aan de overeenkomst de gevolgen toekent die deze volgens zijn uitlegging ervan wettig tussen de partijen heeft
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: OVEREENKOMST - VERBINDENDE KRACHT (NIET-UITVOERING) Vrije woorden: Beoordeling door de rechter - Wijze Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Artt. 1134, 1135 en 1156 Thesaurus CAS: OVEREENKOMST - UITLEGGING Vrije woorden: Beoordeling door de rechter - Wijze Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Artt. 1134, 1135 en 1156 Tekst van de conclusie C.18.0045.N Conclusie van advocaat-generaal Van Ingelgem: I. SITUERING
- De rechtsvoorganger van eiseressen verkocht zijn aandelen in een bvba aan verweerster. Waar in de onderhandse overeenkomst een niet-concurrentiebeding was opgenomen, werden de eiseressen (elk in verhouding tot hun aandeel in de nalatenschap van hun rechtsvoorganger) veroordeeld om aan verweerster de forfaitair vastgestelde schadevergoeding te betalen wegens inbreuk op dat beding.
- Tegen deze beslissing voeren eiseressen twee middelen tot cassatie aan. II. BESPREKING VAN DE MIDDELEN.
- In het eerste middel werpen eiseressen op dat de zaak niet ab initio werd hernomen voor een anders samengestelde zetel en dat het eindarrest de artikelen 779 en 1042 Gerechtelijk Wetboek zou hebben geschonden. 1.1 Het komt mij evenwel voor dat dit middel op een onjuiste lezing of interpretatie van het bestreden arrest berust, en derhalve feitelijke grondslag mist, nu in het tussenarrest, alvorens ten gronde recht te doen, de heropening van het debat op de rechtszitting van 8 mei 2017 werd bevolen om de partijen toe te laten een standpunt in te nemen omtrent de partiële nietigheid van het niet-concurrentiebeding, en uit het proces-verbaal van die terechtzitting blijkt dat de zaak alsdan werd hernomen als gevolg van de gewijzigde samenstelling van de zetel. Uit de stukken van de rechtspleging blijkt aldus wel degelijk dat de appelrechters de zaak wegens gewijzigde samenstelling hebben hernomen. 2.
- Het eerste onderdeel van het tweede middel voert aan dat de appelrechters de bindende kracht van de overeenkomst en het algemeen rechtsbeginsel van de contractuele vrijheid zouden hebben miskend door zelf het te strenge niet-concurrentiebeding, dat bijgevolg strijdig was met de openbare orde, te reduceren tot een beperkter, geldig beding. 2.1.
- In se betwisten eiseressen niet dat de rechter die mogelijkheid in het algemeen heeft, maar zij voeren aan dat het deelbaarheidsbeding dat in hun overeenkomst was opgenomen en dat bepaalt dat partijen in de mate van het mogelijke (...) onderhandelen om de nietige bepaling te vervangen door een equivalente bepaling die beantwoordt aan de algemene geest van de overeenkomst, de rechter de mogelijkheid ontzegt om zelf nog het nietig niet-concurrentiebeding te reduceren tot een geldig beding. 2.1.
- De vrijheid van handel en nijverheid is van openbare orde
(1). Bijgevolg is een niet-concurrentiebeding dat deze vrijheid aan banden legt slechts geldig in zoverre het beperkt is in tijd, ruimte en materie, en proportioneel is aan het legitiem belang waaraan zij beantwoordt
(2). 2.1.3. Met zijn arresten van 23 januari 2015 en 25 juni 2015
(3)oordeelde uw Hof dat de rechter onder bepaalde omstandigheden de nietigheid van een overmatig niet-concurrentiebeding kan beperken tot het gedeelte dat strijdig is met de openbare orde, voor zover het behoud van het gedeeltelijk vernietigde beding beantwoordt aan de bedoeling van partijen
(4). 2.1.4. Het Hof hernam deze positie recentelijk in 2017
(5). 2.1.5. In zoverre de verbindende kracht van de overeenkomst zich ook opdringt aan de rechter, die daaraan dus de gevolgen moet verbinden die partijen beoogden
(6), moet de rechter nagaan wat de gemeenschappelijke bedoeling van partijen bij het opstellen van een beding was (veeleer dan zich aan de letterlijke zin van de woorden te houden) (Art. 1156 BW). Het bestaan en de draagwijdte aan deze bedoeling wordt op soevereine wijze door de feitenrechter beoordeeld, voor zover hij de bewoordingen van de overeenkomst niet miskent. 2.1.6. Het beding dat partijen oplegt te onderhandelen over een nieuw beding voor het geval een contractueel beding nietig zou worden verklaard door de rechter is geldig
(7). 2.1.
- Waar de overeenkomst voorziet dat partijen, in geval van nietigheid van één van de bepalingen, zullen onderhandelen om de nietige bepaling te vervangen door een equivalente bepaling die beantwoordt aan de geest van de overeenkomst, verhindert de bindende kracht daarvan evenwel niet dat de rechter die nietige bepaling vervangt door een equivalente die aan die voorwaarden voldoet, wanneer ten gevolge van omstandigheden op zijn tussenkomst een beroep wordt gedaan. 2.1.
- Als dusdanig wordt de verbindende kracht van een overeenkomst door de rechter dan ook niet miskend, wanneer hij -rekening houdend met de omstandigheid dat onderhandelingen niet langer mogelijk zijn door het overlijden van de rechtsvoorganger van eiseressen- met verwijzing naar de gemeenschappelijke bedoeling van de partijen (veeleer dan naar de letterlijke zin van de bewoordingen), aan de overeenkomst de gevolgen toekent die deze te goeder trouw ten uitvoer gebrachte overeenkomst volgens zijn uitlegging ervan, wettig tussen partijen heeft
(8). 2.1.
- Het staat mij dan ook voor dat de appelrechters hun beslissing naar recht verantwoorden en dat het onderdeel niet kan worden aangenomen. 2.
- In het tweede onderdeel voeren eiseressen aan dat het overlijden van een partij bij de overeenkomst een onderhandeling door zijn rechtsopvolgers niet onmogelijk maakt, zodat de appelrechters met dergelijk motief hun beslissing niet wettig verantwoorden dat zij als rechter gemachtigd zijn om in de plaats van partijen de duur van het niet-concurrentiebeding op drie jaar te bepalen. 2.2.
- Het komt mij echter voor dat eiseressen de onmogelijkheid om (n.a.v. het overlijden van hun rechtsvoorganger) tot onderhandelingen over te gaan niet voor de appelrechters hebben aangevoerd, in de mate dat zij zich blijkbaar nooit bereid verklaarden tot onderhandelen en het volgens hen nooit de bedoeling van partijen was om het nietig beding naar een geldig te herleiden. 2.2.
- Het tweede onderdeel lijkt mij dan ook nieuw en derhalve niet-ontvankelijk. 2.
- Ook het feit (derde onderdeel) dat het beding verklaart dat in geval van nietigheid van één van de bepalingen de partijen in de mate van het mogelijke, volgens hun loyaliteit en overtuiging, zullen onderhandelen om de nietige bepaling door een equivalente bepaling, die beantwoordt aan de algemene geest van de overeenkomst, te vervangen, sluit m.i. de rechter niet uit om zich in de plaats van de partijen te stellen indien de onderhandelingen onmogelijk blijken te zijn of geen resultaten opleveren. 2.3.
- Voor zover het de uitdrukkelijke wil van partijen was om de nietige bepaling door een equivalente geldige bepaling te vervangen, beantwoordt deze vervanging immers aan de overeenkomst en aan de wil van de partijen, en hebben de appelrechters dan ook de contractvrijheid en de bindende kracht van de overeenkomst niet miskend. Wanneer de overeenkomst tussen partijen niet bepaalt dat, in geval van nietigheid, het gehele beding nietig moet worden verklaard zelfs indien de nietigheid kan worden beperkt tot het gedeelte dat strijdig is met de openbare orde, dan kan de rechter bovendien, zonder miskenning van de bindende kracht van die overeenkomst, de nietigheid van het beding beperken tot het deel ervan dat strijdig is met de openbare orde, voor zover het behoud van het gedeeltelijk vernietigde beding beantwoordt aan de bedoeling van partijen. 2.3.
- Ook het derde onderdeel lijkt mij aldus niet te kunnen aangenomen worden en komt mij, in zover het m.i. aldus is afgeleid uit de in het eerste onderdeel vergeefs aangevoerde grieven, mitsdien niet ontvankelijk over. III. CONCLUSIE: VERWERPING. ____________________________
(1)A. VAN OEVELEN e.a., De nietigheid van overeenkomsten wegens strijdigheid met de openbare orde of de goede zeden: algemene beginselen en een grondslagenonderzoek, TPR 2011,
(1355), 1401 - 1402.
(2)G. DE PIERPONT EN Y. NINANE, La clause de non-concurrence, in C. DELFORGE e.a., Het verbintenissenrecht in het leven van de onderneming, Brugge, die Keure, 2017, 155-159.
(3)Cass. 23 januari 2015, AR C.13.0579.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150123.3, AC 2015, nr. 59; Cass. 25 juni, AR C.14.0008.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150625.11, AC 2015, nr. 444, met concl. van advocaat-generaal WERQUIN in Pas. 2015, nr. 444; zie ook F. PEERAER, Het Hof van Cassatie erkent en bevestigt de mogelijkheid tot reductie van nietige concurrentiebedingen in het gemene recht, TBBR 2016, 191-192.
(4)Zie P. WERY, Une nouvelle application de la flexibilité des sanctions dans le contentieux contractuel: la nullité partielle d'une clause illicite, RCJB 2016,
(387), 420-426.
(5)Cass. 14 september 2017, AR C.16.0354.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170914.2, AC 2017, nr. 468; zie ook B. BELLEN i.v.m. dat arrest, TRV-RPS 2018, nr. 2, 123-127.
(6)S. STIJNS, Verbintenissenrecht I, BRUGGE, die Keure, 2005, 41.
(7)P. WERY, o.c.,
(387), 421, voetnoot 150; zie ook K. ANDRIES, knelpunten bij de implementatie van het bemiddelingsbeding, in Knelpunten onderhandelen en bemiddelen van contracten, A. L. VERBEKE (ed.), ANTWERPEN, Intersentia 2011,
(33), 55 c.v.; K. ANDRIES, Bemiddelingsbeding, NJW 2011,
(318), 326, nr. 17.
(8)Cass. 24 september 1992, AR nr. 9399, AC 1991-92, nr. 627; zie ook Cass. 10 januari 1994, AR S.93.0065.N ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940110.11, AC 1994, nr. 9. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190104.1 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190104.1 citeert: ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940110.11 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150123.3 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150625.11 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170914.2 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250530.1N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div