← België

ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190104.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 04 januari 2019

Art. 24

Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Vrije woorden: Recht van verdediging - Ambtshalve toepassing van artikel 24 van de Verordening (EG) nr. 4/2009 - Gevolg Wettelijke bepalingen:

Art. 24

Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Beginsels Vrije woorden: Artikel 24 van de Verordening (EG) nr. 4/2009 - Ambtshalve toepassing - Gevolg Wettelijke bepalingen:

Art. 24

Tekst van de conclusie C.18.0156.N Conclusie van advocaat-generaal Van Ingelgem: I. SITUERING 1. Het geding kadert in de gevolgen van de echtscheiding tussen eiser en verweerster. 2. Eiser, die afkomstig is uit Hongarije, maar sinds geruime tijd in België woont, heeft in 2000 zijn Hongaarse naam (...) laten veranderen. Onder die naam huwde hij in 2002 in België met verweerster. In 2006 werd in Hongarije een echtscheidingsvonnis tussen verweerster en eiser uitgesproken, wat deze laatste betreft echter onder zijn oorspronkelijke Hongaarse naam. 3. Bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Eupen van 16 november 2010, bevestigd bij arrest van 1 maart 2012 door het hof van beroep te Luik, heeft de Belgische rechter geweigerd dit (Hongaarse) echtscheidingsvonnis uitvoerbaar te verklaren, aangezien het strijdig zou zijn met de Belgische openbare orde, nu er een echtscheiding werd uitgesproken op naam van twee personen die nooit door het huwelijk verbonden waren geweest. 4. Op 22 juni 2010 werd eiser, in Hongarije, dit maal onder de naam T.V. door het kantongerecht van Boedapest veroordeeld tot betaling aan verweerster van een maandelijkse onderhoudsbijdrage voor elk van de twee kinderen uit het huwelijk. II. BESPREKING VAN HET MIDDEL. 1. Voor de Belgische bodemrechter rees de vraag of dit onderhoudsvonnis van 22 juni 2010 erkend en uitgevoerd kon worden in België, en met name of de erkenning en tenuitvoerlegging ervan niet geweigerd moesten worden, doordat het vonnis onverenigbaar zou zijn met de beslissingen die in België tussen dezelfde partijen waren gewezen, namelijk op 16 november 2010 en 1 maart 2012, tot weigering van de uitvoerbaarverklaring van het echtscheidingsvonnis. 2. De appelrechter heeft het bestaan van een eventuele onverenigbaarheid getoetst aan artikel 24 van Verordening (EG) nr. 4/2009 van de Raad van 18 december 2008 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen. Dit artikel van deze Onderhoudsverordening bepaalt dat een beslissing niet wordt erkend indien (...)

  1. c)zij onverenigbaar is met een beslissing die tussen dezelfde partijen is gegeven in de aangezochte lidstaat;
  2. d)zij onverenigbaar is met een beslissing die vroeger in een andere lidstaat of in een derde land tussen dezelfde partijen is gegeven in een geschil dat hetzelfde onderwerp betreft en op dezelfde oorzaak berust, mits deze laatste beslissing voldoet aan de voorwaarden voor erkenning in de aangezochte lidstaat. 3. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt evenwel dat partijen voormelde bepalingen niet hadden ingeroepen voor de appelrechter. De eerste rechter had geoordeeld dat er geen onverenigbaarheid bestond en dat het onderhoudsvonnis van 22 juni 2010 dus in België kon worden uitgevoerd op grond van artikel 21, tweede lid, 2°, Onderhoudsverordening. Krachtens artikel 17, tweede lid, Onderhoudsverordening wordt het exequatur afgeschaft, wat betekent dat er geen procedure meer vereist is tot uitvoerbaarverklaring van een beslissing omdat die beslissing uitvoerbaar is in de andere EU-lidstaten. Artikel 21, tweede lid, 2°, bepaalt echter dat, op verzoek van de onderhoudsplichtige, de bevoegde autoriteit van de lidstaat van tenuitvoerlegging de tenuitvoerlegging van de beslissing van het gerecht van herkomst geheel of gedeeltelijk kan weigeren indien die beslissing onverenigbaar is met een beslissing die in de lidstaat van tenuitvoerlegging is gegeven, of met een in een andere lidstaat of in een derde staat gegeven beslissing die aan de voorwaarden voor erkenning in de lidstaat van tenuitvoerlegging voldoet. 4. In zijn syntheseconclusie van 10 november 2016 heeft eiser in hoofdorde aangevoerd dat de Onderhoudsverordening niet van toepassing was op het voorliggend geschil, zodat het Hongaarse onderhoudsvonnis van 22 juni 2010 niet zonder meer uitvoerbaar was in België, maar verweerster een aanvraag tot exequatur moest instellen (p. 4-5). In ondergeschikte orde heeft eiser aangevoerd dat er minstens een onverenigbaarheid bestond in de zin van artikel 21, tweede lid, 2°, Onderhoudsverordening, zodat het vonnis van 22 juni 2010 ook om die reden niet uitvoerbaar was in België. 5. De verweerster heeft in haar syntheseconclusie van 15 december 2016 het bestaan van een onverenigbaarheid betwist, en aangevoerd dat het vonnis van 22 juni 2010 wel uitvoerbaar was in België, op grond van de artikelen 17 en volgende van de Onderhoudsverordening (p. 4, onderaan). 6. Door ambtshalve toepassing te maken van artikel 24 van de Onderhoudsverordening, zonder het debat te heropenen om de partijen, die zich daarop niet hadden beroepen, toe te laten hieromtrent hun opmerkingen te maken, miskent de appelrechter m.i. aldus het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging. Alleen om die reden lijkt het middel mij reeds gegrond, en geeft dit aanleiding tot volledige vernietiging. 7. Er moet evenwel ook worden opgemerkt dat de appelrechter m.i. bovendien ten onrechte toepassing heeft gemaakt van voormeld artikel 24 Onderhoudsverordening. 8. De Onderhoudsverordening bevat immers twee afzonderlijke regimes voor de erkenning en uitvoerbaarverklaring van een beslissing of een akte over onderhoudsgeld. Het onderscheid hangt meer bepaald af van de toepassing van het Protocol van Den Haag van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen

(1). 9. Het eerste regime, vervat in Hoofdstuk IV, Afdeling 1, van de Onderhoudsverordening is van toepassing op beslissingen gegeven in lidstaten die door het Haags Protocol van 2007 gebonden zijn. Dit zijn in de praktijk alle lidstaten behalve het Verenigd Koninkrijk en Denemarken, zoals blijkt uit artikel 3 van het besluit van de Raad van 30 november 2009 betreffende de sluiting door de Europese Gemeenschap van het Protocol van Den Haag van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen
(2). 10. Volgens dit regime gebeurt de erkenning van een beslissing of akte zonder procedure (dit is de plano) en zonder de mogelijkheid om die erkenning te betwisten (artikel 17, eerste lid, Onderhoudsverordening). Daarnaast wordt het exequatur afgeschaft, wat wil zeggen dat een beslissing of akte rechtstreeks uitvoerbaar is in de andere EU-landen zonder dat hiervoor enige procedure tot uitvoerbaarverklaring vereist is (artikel 17, tweede lid, Onderhoudsverordening). Dit heeft tot gevolg dat er geen rechterlijke controle plaatsvindt opdat een beslissing of akte uit een EU-lidstaat in een andere lidstaat zou kunnen worden uitgevoerd. Nochtans voorziet de Onderhoudsverordening in artikel 21, tweede lid, een beperkte rechterlijke controle in het land van tenuitvoerlegging. De onderhoudsplichtige mag de Belgische rechtbank immers verzoeken om de tenuitvoerlegging in België te weigeren, onder meer wanneer de beslissing onverenigbaar is met een Belgische beslissing of met een beslissing uit een ander land indien deze beslissing in België kan worden erkend
(3). 11. Het tweede regime, vervat in Hoofdstuk IV, Afdeling 2, van de Onderhoudsverordening is van toepassing op beslissingen gegeven in lidstaten die niet door het Haags Protocol van 2007 gebonden zijn (namelijk het Verenigd Koninkrijk en Denemarken). Volgens dit regime gebeurt de erkenning van een beslissing of akte ook zonder procedure (dit is de plano), maar deze erkenning kan wel betwist worden (artikel 23, lid 1 en 2, Onderhoudsverordening; zie voordien artikel 33 EEX-verordening
(4)). De weigeringsgronden voor een erkenning worden opgesomd in artikel 24 Onderhoudsverordening - zoals hierboven geciteerd en toegepast door de appelrechter - en stemmen inhoudelijk volledig overeen met de weigeringsgronden voor een erkenning onder artikel 34 EEX-verordening. Daarnaast kan een beslissing die gegeven is in een niet door het Haagse Protocol van 2007 gebonden lidstaat en die daar uitvoerbaar is, in een andere lidstaat slechts ten uitvoer worden gelegd nadat zij aldaar uitvoerbaar is verklaard volgens de vereiste procedure. Onder dit regime is dus wel een exequatur vereist voor de uitvoerbaarheid van een beslissing of akte in andere EU-lidstaten (artikel 26 Onderhoudsverordening; voordien artikel 38 EEX-verordening). Zoals onder toepassing van artikel 41 EEX-verordening mogen tegen de uitvoerbaarverklaring geen weigeringsgronden worden opgeworpen in eerste aanleg (artikel 30 Onderhoudsverordening). Enkel in hoger beroep kan elke partij een rechtsmiddel instellen tegen de initiële uitvoerbaarverklaring en kunnen de weigeringsgronden aan bod komen (artikel 34 Onderhoudsverordening; zie voordien artikel 45 EEX-verordening
(5)). 12. De bijzonderheid is dat voor beide regimes in de Onderhoudsverordening een ander temporeel toepassingsgebied geldt. Zo bepaalt artikel 75, eerste lid, van deze verordening, als overgangsregeling, dat ze slechts van toepassing is op de procedures die zijn ingesteld (...) nadat de verordening van toepassing is geworden, en bepaalt artikel 76 dat deze verordening van toepassing is met ingang van 18 juni 2011, onder voorbehoud dat op dat tijdstip het Haagse Protocol van 2007 in de Gemeenschap van toepassing is. Welnu, krachtens artikel 4 van het besluit van de Raad van 30 november 2009 betreffende de sluiting door de Europese Gemeenschap van het Protocol van Den Haag van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen worden de regels van het Haags Protocol binnen de Gemeenschap vanaf 18 juni 2011 voorlopig toegepast. Deze regeling geldt voor het eerste regime, in Hoofdstuk IV, Afdeling 1, van de Verordening, namelijk voor beslissingen of akten die gegeven zijn in lidstaten waar het Haags Protocol van toepassing is. De achterliggende gedachte is dat de Onderhoudsverordening ten aanzien van die lidstaten slechts mag worden toegepast wanneer het Haags Protocol ook in de Gemeenschap (nu de Unie) van toepassing is. Concreet betekent dit dat de Onderhoudsverordening van toepassing is op de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen tot het betalen van onderhoudsgeld die werden genomen in het kader van procedures ingesteld op 18 juni 2011 of later
(6). Op de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen tot het betalen van onderhoudsgeld die werden genomen in het kader van procedures die vóór 18 juni 2011 werden ingesteld, is de EEX-verordening daarentegen nog van toepassing
(7).
  1. Artikel 75, tweede lid, Onderhoudsverordening voorziet echter in een uitzondering voor het tweede regime, in Hoofdstuk IV, Afdeling 2, van de Verordening, namelijk voor beslissingen of akten die gegeven zijn in lidstaten waar het Haags Protocol niet van toepassing is (Verenigd Koninkrijk en Denemarken). Zo geldt op grond van artikel 75, tweede lid, a), dat de verordening reeds van toepassing is op beslissingen die geveld werden voordat de verordening van toepassing wordt (dus vóór 18 juni 2011), maar waarvan na dat tijdstip de erkenning en tenuitvoerlegging wordt gevraagd.
  2. Uit het bovenstaande volgt dan ook, enerzijds, dat de appelrechter geen toepassing mocht maken van artikel 24 van de Onderhoudsverordening, aangezien deze bepaling materieel niet van toepassing is. Zij geldt immers enkel voor beslissingen gegeven in lidstaten die niet door het Haags Protocol van 2007 gebonden zijn. Uit voormeld artikel 3 van het besluit van de Raad van 30 november 2009 blijkt echter dat Hongarije, als lidstaat waarin de beslissing van 22 juni 2010 werd geveld, wel door het Haags Protocol van 2007 gebonden is. Anderzijds blijkt uit het voorgaande eveneens dat artikel 21, tweede lid, 2°, Onderhoudsverordening, zoals toegepast door de eerste rechter, temporeel niet van toepassing is. Dit artikel geldt weliswaar voor beslissingen gegeven in lidstaten die wel door het Haags Protocol van 2007 gebonden zijn, maar krachtens artikel 75, eerste lid, Onderhoudsverordening vindt dit artikel evenwel slechts toepassing op procedures die zijn ingesteld nadat de verordening van toepassing is geworden, dit is op 18 juni
  3. Nu uit de vaststellingen van de appelrechter echter blijkt dat het onderhoudsvonnis in Hongarije is geveld op 22 juni 2010, is de procedure hieraan derhalve noodzakelijk voorafgegaan.
  4. In de voorliggende zaak geldt m.i. aldus nog het oude regime van de EEX-verordening, zodat de erkenning van het onderhoudsvonnis van 22 juni 2010 in die context moet worden getoetst aan de weigeringsgronden vervat in artikel 34 EEX-verordening (die inhoudelijk weliswaar volledig overeenstemmen met het door de appelrechter toegepaste artikel 24 Onderhoudsverordening), en zodat het vereiste van een exequatur geldt, op grond waarvan het onderhoudsvonnis van 22 juni 2010 in België slechts kan uitgevoerd worden na een procedure tot uitvoerbaarverklaring (artikel 38 EEX-verordening). Conform artikel 45 EEX-verordening bestaat de mogelijkheid om tegen die uitvoerbaarverklaring in hoger beroep weigeringsgronden op te werpen.
  5. Waar de appelrechter in deze oordeelt dat het Hongaarse onderhoudsvonnis van 22 juni 2010 in België erkend moet worden, aangezien het niet onverenigbaar is met de beslissingen van de Belgische rechter van 16 november 2010 en 1 maart 2012 (tot weigering van de uitvoerbaarverklaring van het echtscheidingsvonnis), op basis van artikel 24, c) en d), Onderhoudsverordening, en hij hieruit afleidt dat het onderhoudsvonnis derhalve uitvoerbaar is, komt het mij dan ook voor dat - door aldus toepassing te maken van artikel 24, c) en d), Onderhoudsverordening, en uit de erkenning van het onderhoudsvonnis automatisch de tenuitvoerlegging af te leiden - hij zijn beslissing niet naar recht verantwoordt.
  6. Ook op grond van de aangevoerde schending van de artikelen 24, c) en d), Onderhoudsverordening, en 1 en 3 van het besluit van de Raad van 30 november 2009, dient het bestreden arrest naar mijn oordeel aldus vernietigd te worden. III. CONCLUSIE: VERNIETIGING. _______________________
(1)T. KRUGER, Onderhoudsvorderingen: nieuwe IPR-wetgeving, T. Fam. 2012, 38, nr. 32; S. DEN HAESE en L. DESCHUYTENEER, Overzicht van rechtspraak. Erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse beslissingen en akten inzake echtscheiding en onderhoudsverplichtingen (2010-17), T. Fam. 2017, 221, nr. 62.
(2)T. KRUGER, Onderhoudsvorderingen, supra noot
(1), 38, nr. 33.
(3)T. KRUGER, Onderhoudsvorderingen, supra noot
(1), 38, nr. 34-36; S. DEN HAESE en L. DESCHUYTENEER, Overzicht van rechtspraak, supra noot
(1), 221, nr. 63-64.
(4)Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkennign en de tenuitvoerlegging van de beslisingen in burgerlijke en handelszaken.
(5)Zie hierover: T. KRUGER, Onderhoudsvorderingen: nieuwe IPR-wetgeving, T. Fam. 2012, 38, nr. 39-41; S. DEN HAESE en L. DESCHUYTENEER, Overzicht van rechtspraak, T. Fam. 2017, 222, nr. 65-66.
(6)S. DEN HAESE en L. DESCHUYTENEER, Overzicht van rechtspraak (2010-2017), T. Fam. 2017, 219, nr. 54.
(7)S. DEN HAESE en L. DESCHUYTENEER, Overzicht van rechtspraak, supra noot
(6), 218, nr. 52. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190104.2 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190104.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.