id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 11 januari 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190111.2 Rolnummer: C.18.0210.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2019-02-13 Raadplegingen: 1087 - laatst gezien 2026-06-29 07:12 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190111.2 Fiches 1 - 2 Uit de artikelen 870 Ger.W. en 1315 B.W. volgt dat bij een vordering op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid de bewijslast van de tot aansprakelijkheid leidende gebeurtenis, de schade en het oorzakelijk verband tussen beide, in de regel op de benadeelde rust
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BEWIJS - BURGERLIJKE ZAKEN - Bewijslast. Beoordelingsvrijheid Vrije woorden: Vordering op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid - Bewijslast Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 870 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Artt. 1315 en 1382 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - ALGEMEEN Vrije woorden: Vordering op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid - Bewijslast Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 870 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Artt. 1315 en 1382 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Fiches 3 - 4 Wanneer de benadeelde aanvoert dat de door hem geleden schade werd veroorzaakt door de miskenning van de algemene zorgvuldigheidsplicht doordat de aangesprokene hem welbepaalde informatie niet heeft gegeven, moet hij niet alleen bewijzen dat de aangesprokene hem deze informatie had moeten geven maar ook dat hij dat niet heeft gedaan
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BEWIJS - BURGERLIJKE ZAKEN - Bewijslast. Beoordelingsvrijheid Vrije woorden: Vordering op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid - Miskenning van algemene zorgvuldigheidsplicht - Schending van informatieverplichting - Bewijslast - Omvang Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 870 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Artt. 1315 en 1382 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - ALGEMEEN Vrije woorden: Vordering op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid - Miskenning van algemene zorgvuldigheidsplicht - Schending van informatieverplichting - Bewijslast - Omvang Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 870 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Artt. 1315 en 1382 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Annotaties Publicaties: De Juristenkrant [Juristenkrant] - 2019, nr. 383, p.
- - VANDENBUSSCHE, Wannes; SAMOY, Ilse; Noot'Patiënt moet bewijzen dat verpleegkundige niet voldaan heeft aan informatieverplichtingapos' Rechtskundig Weekblad [RW] - 2019-20, nr. 7, p. 263-
- - GUILIAMS, Sophie; Noot'De bewijslast van de miskenning van een niet-specifieke informatieplicht in het kader van een buitencontractuele aansprakelijkheidsvorderingapos' Revue de Droit Commercial Belge [RDC] - 2019, n° 5, p. 685-
- - VAN RENTERGHEM, Pierre; Note'La charge de la preuve dans le cadre de l'obligation d'information' Revue Générale des Assurances et des Responsabilités [RGAR] - 2019, n° 7, p.
- - GLANSDORFF, François; Observations sous cassation. Tijdschrift voor Belgisch Burgerlijk Recht [TBBR] - 2019, nr. 9, p. 557-
- - VERJANS, Elisabeth; Noot'Bewijslast bij informatieplichten voortvloeiend uit de algemene zorgvuldigheidsnorm' Tijdschrift voor gezondheidsrecht [T.gez.] - 2018-19, nr. 5, p. 314-
- - LEMMENS, Christophe; Noot'Over de bewijslast bij de schending van een informatieverplichting: het Hof van Cassatie keert terug naar de regel dat de patiënt moet bewijzen' Journal des tribunaux [JT] - 2019, n° 6789, p. 713-
- - JAFFERALI, Rafaël: Note'La charge de la preuve de la fourniture d'informations. Tentative de conciliation des arrêts de la Cour de cassation des 25 juin 2015 et 11 janvier 2019' Tekst van de conclusie C.18.0210.N Conclusie van advocaat-generaal Ria Mortier:
- Feiten en procedure Uit de vaststellingen van de appelrechters blijkt dat tweede verweerster, een bejaarde vrouw, na een scanonderzoek in het ziekenhuis gewond raakte doordat zij van de onderzoekstafel viel. Het slachtoffer en de verpleger die haar tijdens het onderzoek bijstond gaven beide een andere versie van de feiten. De verpleger beweerde dat hij de dame hielp rechtzitten en haar verzocht te blijven zitten tot hij de tafel in een lagere stand had geplaatst. Het slachtoffer betwist dat de verpleger dit zou hebben gezegd. Het hof van beroep te Antwerpen oordeelt bij arrest van 22 januari 2018 dat de verpleger bij het begeleiden van de patiënt de vaststaande procedure die sinds jaar en dag geldt in het ziekenhuis heeft gevolgd en hem in dat verband niets te verwijten valt. Evenwel dient de verpleger ook rekening te houden met de individuele behoeften van de patiënt, mede in acht genomen haar gezondheidstoestand en ouderdom. Er rust op verpleegkundigen een informatieverplichting met het oog op de veiligheid van de patiënt. Gelet op de uiteenlopende versies van de feiten wordt deze informatieplicht betwist. Uit de regels betreffende de bewijslast volgt dat de verpleegkundige dient te bewijzen dat hij zich van zijn informatieplicht heeft gekweten en niet dat de patiënt het negatieve feit dient te bewijzen dat de vereiste informatie haar niet werd gegeven. Eiseres voert in een enig middel aan dat de appelrechters met dit oordeel de regels inzake bewijslastverdeling bij onrechtmatige daad schenden door de patiënt te ontslaan van het bewijs van de fout die zij aanvoert en aan eiseres het bewijs van het tegenovergesteld positief feit op te leggen.
- Bespreking 2.1.Voorliggende zaak heeft dus betrekking op de bewijslast bij buitencontractuele aansprakelijkheidsvorderingen. Meer bepaald rijst de vraag op wie de bewijslast rust van een eventuele schending van een niet-contractuele noch wettelijke informatieverplichting, met andere woorden een informatieverplichting die door de rechter wordt afgeleid uit de algemene zorgvuldigheidsnorm. Algemeen wordt aangenomen dat de bewijslast inzake buitencontractuele aansprakelijkheid wordt geregeld door de artikelen 1315 BW en 870 Ger.W. Hoewel artikel 1315 BW ressorteert onder de bepalingen betreffende de contracten of verbintenissen uit overeenkomst in het algemeen, wordt toch aanvaard dat deze bepaling de gemeenrechtelijke bewijsrisicoverdeling uitmaakt en dus ook van toepassing is op buitencontractuele verbintenissen
(1). Krachtens artikel 1315 Burgerlijk Wetboek moet degene die de uitvoering van een verbintenis vordert, het bestaan daarvan bewijzen. Omgekeerd moet hij die beweert bevrijd te zijn, het bewijs leveren van de betaling of van het feit dat het tenietgaan van zijn verbintenis heeft teweeggebracht. Krachtens artikel 870 Gerechtelijk Wetboek moet iedere partij het bewijs leveren van de feiten die zij aanvoert. 2.
- De rechtspraak en de rechtsleer is verdeeld aangaande de toepassing van artikel 1315 BW met betrekking tot het al dan niet naleven van een (wettelijke of contractuele) informatieverplichting. Twee strekkingen kunnen hierin worden onderscheiden. 2.2.
- Volgens een eerste strekking lijkt de bewijslast van de schending van een contractuele of wettelijke informatieverplichting, net zoals dit het geval is in het Franse recht
(2), op de informatieplichtige te rusten. De appelrechters die in die zin oordeelden, verwezen hierbij uitdrukkelijk naar een arrest van Uw Hof van 25 juni 2015, waarin werd geoordeeld dat "uit de regels betreffende de bewijslast volgt dat de advocaat dient te bewijzen dat hij zich van zijn plicht heeft gekweten om zijn cliënt in te lichten, en niet dat laatstgenoemde het negatieve feit dient te bewijzen dat de vereiste informatie hem niet werd gegeven"
(3). In de zaak die aanleiding gaf tot voormeld arrest van 25 juni 2015 vorderde een advocaat van zijn cliënt betaling van zijn kosten en ereloon en diende de advocaat zijn cliënt overeenkomstig het reglement van de balie te informeren dat hij onder de voorwaarden voor rechtsbijstand viel. Het ging in deze zaak dus niet om een aansprakelijkheidsvordering van de cliënt ten aanzien van zijn advocaat. Eerder oordeelde het Hof in 2006, ditmaal wel m.b.t. een aansprakelijkheidsvordering, toch in dezelfde zin door te oordelen dat "de appelrechters, na te hebben vastgesteld dat op de verweerster een wettelijke verbintenis rustte, ten onrechte de bewijslast dat die verbintenis door de verweerster niet is nagekomen bij de eiseres legt, daar waar de verweerster het bewijs diende te leveren van het tenietgaan van die verbintenis door de uitvoering ervan"
(4). Ook in een arrest van 26 januari 1968 oordeelde het Hof dat "uit de regelen van de bewijslast, zoals die uit artikel 1315 Burgerlijk Wetboek voortvloeien, volgt dat het de gemeente behoort te bewijzen dat zij haar verplichting nagekomen is door aan de Nationale Kas bericht te geven en dat die Kas niet ertoe gehouden is het negatief feit te bewijzen dat het gemeentebestuur dat bericht niet gegeven heeft"
(5). 2.2.2. Volgens een andere strekking behoort bij een civielrechtelijke betwisting inzake te vergoeden schade, de bewijslast van de fout, de schade en het oorzakelijk verband aan degene die vergoeding vordert voor de schade die hij heeft geleden
(6). In een arrest van 16 december 2004 oordeelde het Hof dat aan deze regel geen afbreuk wordt gedaan door artikel 1315, lid 2, Burgerlijk Wetboek, volgens hetwelk hij die beweert bevrijd te zijn, het bewijs moet leveren van de betaling of van het feit dat het tenietgaan van zijn verbintenis heeft teweeggebracht
(7). Volgens dit arrest, dat de goedkeuring wegdraagt van een meerderheid van de auteurs
(8), moet de patiënt die aanvoert dat de arts niet aan zijn informatieplicht heeft voldaan en hij daardoor schade heeft geleden, hier dan ook het bewijs van leveren
(9). Belangrijk is dat Uw Hof ook oordeelt dat "hoewel de rechter naar recht kan beslissen dat het bewijs van een negatief feit niet aan dezelfde eisen moet voldoen als dat van een positief feit, hij de eiser niet van dat bewijs mag vrijstellen en de tegenpartij de verplichting opleggen om het bewijs van het tegenovergestelde positief feit te leveren. Het volstaat derhalve niet dat een partij een door haar aangevoerd negatief feit louter aannemelijk maakt"
(10). 2.3. Mijns inziens en in aansluiting op deze visie rust bij een buitencontractuele aansprakelijkheidsvordering de bewijslast van de fout, de schade en het causaal verband ingevolge artikel 1315, lid 1 BW op de benadeelde, met name "hij die de uitvoering van de verbintenis (tot schadevergoeding) vordert". Het tweede lid van dit artikel, krachtens hetwelk hij die beweert bevrijd te zijn, het bewijs moet leveren van de betaling of van het feit dat het tenietgaan van zijn verbintenis heeft teweeggebracht, kan mijns inziens te dezen geen toepassing vinden, nu bij een verweer dat onder de toepassing van artikel 1315, lid 2 BW valt, de tegenpartij in beginsel erkent dat het recht van de aanvoerende partij bestaan heeft, maar hij een grond van bevrijding inroept die het ingaan van het rechtsgevolg belemmert
(11), wat bij buitencontractuele aansprakelijkheidsvorderingen niet het geval is. De benadeelde vordert van de potentieel aansprakelijke de uitvoering van een verbintenis tot schadevergoeding. Laatstgenoemde verweert zich door te stellen dat de toepassingsvoorwaarden voor deze verbintenis niet vervuld zijn. Anders is het bij een contractuele aansprakelijkheidsvordering, waar zou kunnen worden geargumenteerd dat de benadeelde de uitvoering vordert van de informatieverplichting van zijn contractspartij bij equivalent (gezien de onmogelijkheid/nutteloosheid om deze verbintenis nog in natura uit te voeren), zodat in die visie artikel 1315, lid 2 BW wel toepassing zou kunnen vinden. Niettegenstaande in bepaalde bijzondere wetgeving een beweging zichtbaar is waarbij de bewijslast op de informatieplichtige wordt gelegd
(12), kan uit het bestaan van deze wetgeving (en de kwalificatie ervan in de rechtsleer als artikelen die de bewijslast omkeren), afgeleid worden dat volgens het gemeen recht de bewijslast op de informatiegerechtigde rust
(13). Bovendien valt niet in te zien waarom de schending van een niet-contractuele informatieplicht anders zou moeten behandeld worden dan een andere buitencontractuele verbintenis. De verwijzing in de memorie van antwoord naar het arrest van het Hof van Justitie van 18 december 2014
(14), waar het de precontractuele verplichtingen van de kredietgever betreft, is mijns inziens te dezen niet relevant aangezien voorliggende zaak de schending van een informatieverplichting als onderdeel van de algemene zorgvuldigheidsnorm betreft. 2.4. De appelrechters die oordelen dat uit de regels betreffende de bewijslast volgt dat de verpleger dient te bewijzen dat hij zich van zijn informatieplicht heeft gekweten en niet dat de patiënt het negatieve feit dient te bewijzen dat de vereiste informatie haar niet werd gegeven leggen de bewijslast ten onrechte bij degene tegen wie de vordering op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid is ingesteld en verantwoorden, gelet op wat voorafgaat, hun beslissing niet naar recht. Het middel is gegrond. Conclusie: vernietiging. ___________________________
(1)Cass. 20 maart 2006, AR C.04.0441.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060320.3, AC 2006, nr. 159; Cass. 17 september 1999, AR C.98.0144.F ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990917.4, Arr.Cass. 1999, nr. 467; R.O. DALCQ, "Réflexions au sujet de la charge de la preuve (à propos des arrêts de la Cour de cassation de France du 25 février et du 29 avril 1997 et de l'arrêt de la Cour de cassation de Belgique du 5 janvier 1995), Mélanges offerts à Pierre Van Ommeslaghe, Brussel, Bruylant, 2000,
(53)54 met verwijzing naar DE PAGE; W. VANDENBUSSCHE, Bewijs en onrechtmatige daad, Antwerpen, Intersentia, 2017, 34 en de verwijzingen aldaar.
(2)Cass. fr. 25 février1997, RGAR 1997, nr. 12858 ("Celui que est légalement ou contractuellement tenu d'une obligation particulière d'information doit rapporter la preuve de l'exécution de cette obligation"); Cass. fr. 29 avril 1997, RGAR 1997, nr. 12855 ("Attendu que M. fait grief à l'arrêt attaqué d'avoir mis à sa charge la preuve de ce qu'il s'était de acquitté de son devoir de conseil. Attendu qu'en statuant ainsi alors que l'avocat est tenu d'une obligation particulière d'information et de conseil vis-à-vis de son client, et qu'il lui importe de prouver qu'il a exécuté cette obligation, la Cour d'appel n'a fait qu'appliquer l'article 1315 du Code civil"). Zie voor andere rechtspraak van het franse Cour de cassation in deze zin: W. VANDENBUSSCHE, Bewijs en onrechtmatige daad, Antwerpen, Intersentia, 2017, 177. Zie ook art. L. 1111-2, al. 7 Code de la santé publique ("En cas de litige, il appartient au professionnel ou à l'établissement de santé d'apporter la preuve que l'information a été livrée à l'intéressé dans les conditions prévues au présent article. Cette preuve peut étre apportée par tout moyen") en art. 1112-1, al. 4 CC in verband met precontractuele informatieplichten ("Il incombe à celui qui prétend qu'une information lui était due de prouver que l'autre partie la lui devait, à charge pour cette autre partie de prouver qu'elle l'a fournie").
(3)Cass. 25 juni 2015, AR C.14.0382.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150625.8, AC 2015, nr. 445.
(4)Cass. 20 maart 2006, AR C.04.0441.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060320.3, AC 2006, nr. 159.
(5)Cass. 26 januari 1968, Arr.Cass. 1968, 708.
(6)Cass. 16 december 2004, AR C.03.0407.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041216.19, AC 2004, nr. 616; Cass. 16 december 2004, AR C.03.0273.N, arrest niet gepubliceerd; T. VANSWEEVELT en B. WEYTS, Handboek buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht, Antwerpen, Intersentia, 2009,
- Zie ook Cass. 14 december 2001, AR C.98.0469.F ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011214.4, AC 2001, nr.
- ("Overwegende dat in burgerlijke zaken de partij die een op een misdrijf gegronde vordering instelt, moet bewijzen dat de bestanddelen van het misdrijf voorhanden zijn, dat het aan de tegenpartij kan worden aangerekend en dat, indien laatstgenoemde een rechtvaardigingsgrond aanvoert, diens rechtvaardigingsgrond niet bestaat, voor zover aan die aanvoering enige geloofwaardigheid kan worden gehecht").
(7)Cass. 16 december 2004, AR C.03.0407.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041216.19, AC 2004, nr. 616.
(8)J.-P. BUYLE, "Les devoirs précontractuels du prêteurs en matière de crédit à la consommation et la charge de la preuve du manquement à ces obligations" (noot onder Cass. 10 december 2004), RCJB 2005, 705; C. CORNELIS, "The story continues: de bewijslast inzake informed consent van de patiënt", T.Gez. 2018,
(57)59 (zie evenwel ook pag. 62 waarin deze auteur de tegenovergestelde visie verdedigt in het licht van het Europees recht); E. DE KEZEL, "Informatieverplichting", Juristenkrant 2016, 12; C. LEMMENS, "Het pleit dan toch niet beslecht. De implicaties van het arrest van het Hof van Cassatie van 25 juni 2015 op de bewijslast van de geïnformeerde toestemming van de patiënt (noot onder Cass. 25 juni 2015), T.Gez. 2015-16,
(352)360-361; S. LIERMAN, "Het pleit beslecht: de patiënt draagt de bewijslast van de informatiemiskenning door de arts (noot onder Cass. 16 december 2004), T.Gez. 2004-05, 304-305; W. VANDENBUSSCHE, Bewijs en onrechtmatige daad, Antwerpen, Intersentia, 2017, 196.
(9)Cass. 16 december 2004, AR C.03.0407.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041216.19, AC 2004, nr. 616. In dezelfde zin: Cass. 16 december 2004, AR C.03.0273.N, arrest iet gepubliceerd.
(10)Cass. 18 november 2011, AR C.10.0649.F ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111118.3, AC 2011, nr. 627; Cass. 26 november 2010, AR C.09.0584.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101126.5, AC 2010, nr. 696; Cass. 16 december 2004, AR C.03.0407.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041216.19, AC 2004, nr. 616.
(11)B. ALLEMEERSCH, I. SAMOY en W. VANDENBUSSCHE, "Burgerlijk bewijsrecht", TPR 2015, 729-730 en de verwijzingen aldaar.
(12)Zie bij voorbeeld de artikelen III.78, XIV.27, §5, XIV.36 en XIV.39, §5 WER.
(13)C. CORNELIS, "The story continues: de bewijslast inzake informed consent van de patiënt", T.Gez. 2018,
(57)59.
(14)C-449/13, curia.europa.eu. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190111.2 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190111.2 citeert: ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990917.4 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011214.4 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041216.19 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060320.3 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101126.5 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111118.3 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150625.8 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250228.1N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div