← België

ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190125.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 25 januari 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190125.5 Rolnummer: F.17.0080.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Belastingrecht Invoerdatum: 2019-02-12 Raadplegingen: 234 - laatst gezien 2026-06-17 23:11 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190125.5 Fiche 1 De langstlevende echtgenoot die in toepassing van artikel 745bis, §1, eerste lid B.W. het vruchtgebruik verkrijgt van een nalatenschap waarin een blote eigendom aanwezig is, verkrijgt een eventueel vruchtgebruik op dat goed; dit vruchtgebruik zal pas uitwerking krijgen bij het overlijden van de actuele vruchtgebruiker of bij het verstrijken van de termijn waarvoor het eerdere vruchtgebruik werd toegestaan, op voorwaarde dat de houder van het eventuele vruchtgebruik op dat tijdstip nog in leven is

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: ERFENISSEN Vrije woorden: Nalatenschap waarin blote eigendom aanwezig is - Langstlevende echtgenoot - Eventueel vruchtgebruik - Uitwerking - Tijdstip - Voorwaarde Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Art. 745bis, § 1, eerste lid Fiche 2 De actieve samenstelling van de nalatenschap wordt vermeerderd indien komt vast te staan dat de langstlevende echtgenoot het recht van vruchtgebruik daadwerkelijk kan uitoefenen door de realisatie van de (opschortende) voorwaarde waaraan het eventueel vruchtgebruik onderworpen is; hieruit volgt dat de langstlevende echtgenoot ertoe gehouden is een nieuwe aangifte in te dienen indien de opschortende voorwaarde waaraan het eventueel vruchtgebruik is onderworpen zich realiseert, nl dat hij nog in leven is op het tijdstip dat het actuele vruchtgebruik eindigt
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: SUCCESSIERECHTEN Vrije woorden: Samenstelling nalatenschap - Rechten van blote eigendom - Langstlevende echtgenoot - Eventueel vruchtgebruik - Realisatie opschortende voorwaarde - Gevolg - Nieuwe aangifte Wettelijke bepalingen: Wetboek der successierechten - 30-03-1936 - Art. 37, 2° - 30 ELI link Pub nr 1936033051 Wet - 13-12-2013 - thans art. 3.3.1.0.6, 2°,
  1. a)- 06 ELI link Pub nr 2013036154 Annotaties Publicaties: Recueil général de l’enregistrement et du notariat [Rec.gén.enr.not.] - CULOT, André; Observations sous cassation. - 2019, n° 7, p. 303-304. Tekst van de conclusie F.17.0080.N Conclusie van advocaat-generaal m.o. J. Van der Fraenen: (...) 2. Bespreking van het eerste middel EERSTE ONDERDEEL 2.1. Eiseres laat in het eerste onderdeel gelden dat het enkel verstrijken van de termijn van het bij leven door de overledene aan een derde verleende vruchtgebruik op een onroerend goed dat hij nog bezat op datum van zijn overlijden, geen "ander voorval" in de zin van artikel 37, 2° W. Succ., thans 3.3.1.0.6, 2°,
  2. a)van het Decreet van het Vlaams Parlement dd. 13 december 2013 houdende de Vlaamse Codex Fiscaliteit (hierna VCF), uitmaakt, nu het verstrijken van die termijn slechts een materieel feit is dat plaats heeft na het overlijden, maar geen gebeurtenis is die in rechte een wijziging aanbrengt in de bestaande toestand van het nagelaten vermogen zoals het door het overlijden reeds is overgegaan naar de erfgenamen. Hieruit volgt volgens eiseres dat het bestreden arrest onwettig beslist dat eiseres gehouden was tot het indienen van een bijvoeglijke aangifte op grond van voormeld artikel 37, 2° W. Succ., thans 3.3.1.0.6, 2°,
  3. a)VCF, omdat onder "elk ander voorval" ook het geval moet begrepen worden bestaande in het verstrijken van de termijn van een tijdelijk vruchtgebruik, nu het verstrijken van die termijn daarentegen de actieve samenstelling van de nalatenschap zoals die is overgegaan door het overlijden naar de erfgenamen niet in rechte vermeerdert (schending van de artikelen 37, 2° W. Succ., 3.3.1.0.6, 2°
  4. a)VCF, 546 en 745bis, lid 1 BW). 2.2. Artikel 745bis, §1 eerste lid, BW bepaalt dat de langstlevende echtgenoot het vruchtgebruik van de gehele nalatenschap verkrijgt wanneer de overledene afstammelingen, geadopteerde kinderen of afstammelingen van deze achterlaat. De langstlevende echtgenoot die in toepassing van deze wetsbepaling het vruchtgebruik verkrijgt van een nalatenschap waarin een blote eigendom aanwezig is, verkrijgt een eventueel vruchtgebruik op dat goed. Een eventueel (of uitgesteld) vruchtgebruik is een recht van vruchtgebruik op goederen waarvan het actuele vruchtgebruik toebehoort aan een derde. Het wordt gevestigd door de blote eigenaar of verkregen uit zijn nalatenschap en krijgt pas uitwerking bij het overlijden van de actuele vruchtgebruiker of bij het verstrijken van de termijn waarvoor het eerdere vruchtgebruik werd toegestaan, op voorwaarde dat de houder van het eventuele vruchtgebruik op dat tijdstip nog in leven is
(1). Het vooroverlijden van de actuele vruchtgebruiker is een toekomstige maar onzekere gebeurtenis; wat maakt dat een meerderheid van auteurs - naar mijn mening terecht - oordelen dat een eventueel vruchtgebruik een recht onder opschortende voorwaarde is in de zin van artikel 1181 BW
(2). Aldus kan van een daadwerkelijke erfrechtelijke vererving m.i. pas sprake zijn wanneer de opschortende voorwaarde zich realiseert, met name wanneer de verkrijger van het eventuele vruchtgebruik de actuele vruchtgebruiker overleeft. Eerst door het intreden van die voorwaarde kan het eventueel vruchtgebruik immers uitwerking krijgen zodat pas op dat ogenblik met zekerheid kan worden vastgesteld dat het eventuele vruchtgebruik in kwestie deel uitmaakt van de samenstelling van de nalatenschap, en niet louter virtueel is. In zoverre het eerste onderdeel aanneemt dat het eventueel vruchtgebruik van eiseres als langstlevende echtgenoot reeds onmiddellijk door het overlijden op dat moment zelf uit de nalatenschap naar haar vermogen is overgegaan, faalt het derhalve m.i. naar recht. De in het eerste onderdeel aangevoerde rechtsopvatting zou overigens tot onbillijke gevolgen kunnen leiden in zoverre de langstlevende echtgenoot reeds op datum van het overlijden successierechten zou zijn verschuldigd, doch zonder over het effectieve genot van het vruchtgebruik te beschikken, waarbij zelfs het risico bestaat dat hij nooit van het vruchtgebruik van dat goed zal kunnen genieten indien hij de actuele vruchtgebruiker niet overleeft. 2.
  1. Krachtens artikel 37, 2° W. Succ. moet een nieuwe aangifte ingediend worden wanneer, na het openvallen van de nalatenschap, de actieve samenstelling ervan vermeerderd wordt, hetzij door het intreden van een voorwaarde of van elk ander voorval, hetzij door de erkenning van het eigendomsrecht van de overledene op door een derde bezeten goederen, hetzij door de oplossing van een geschil, tenzij de vermeerdering van actief het gevolg is van een ontbinding die haar oorzaak vindt in het niet-uitvoeren, door erfgenamen, legatarissen of begiftigden, van de voorwaarden van een contract. Luidens artikel 25 W. Succ. moet o.m. in het sub artikel 37, 2° van dit wetboek bedoelde geval als belastbare waarde worden aangegeven de waarde der goederen op de dag van de gebeurtenis die bij artikel 40, vierde lid is bepaald voor de inlevering van de aangifte. 2.
  2. Doordat het eventueel vruchtgebruik van de langstlevende echtgenoot pas uitwerking krijgt bij het overlijden van de huidige vruchtgebruiker, op voorwaarde dat hij hem overleeft, staat pas op dat ogenblik met zekerheid vast dat het actief van de nalatenschap dit erfrechtelijk vruchtgebruik zal moeten dragen. Pas op het ogenblik van de realisatie van de opschortende voorwaarde kan m.i. sprake zijn van een daadwerkelijke vermeerdering van de actieve samenstelling van de nalatenschap. Dat er effectief een waardevermeerdering is van het actief lijkt mij evident omdat het eventueel vruchtgebruik, na de realisatie van de voorwaarde waaraan het gekoppeld is, een grotere waarde heeft. Bijgevolg zal de langstlevende echtgenoot er toe gehouden zijn een nieuwe aangifte in te dienen. In zoverre het onderdeel aanvoert dat het actueel worden van het eventueel vruchtgebruik in hoofde van eiseres geen vermeerdering van de actieve samenstelling van de nalatenschap kan inhouden, faalt het m.i. naar recht. (...)
  3. BESLUIT: VERWERPING _______________
(1)Vgl. Cass. 4 november 2010, AR C.09.0630.F, AC 2010, nr. 655, ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101104.5; JT 2012, 198, noot D, STERCKX: "Wanneer de nalatenschap rechten van blote eigendom bevat, ontstaat over die goederen waarop hij betrekking heeft, ten voordele van de langstlevende echtgenoot, binnen de perken van zijn erfrecht, een vruchtgebruik dat bij het overlijden van de huidige vruchtgebruiker uitwerking zal hebben, indien hij hem overleeft".
(2)Zie o.a. STERCKX, D., "La consécration de l' usufruit éventuel", JT 2012, 199; DELNOY, P., "Droits successoraux du conjoint et usufruit éventuel", noot bij Cass. 4 november 2010, Rev.dr.ULg, 2012, 167; VERBEKE, A., "Creatief met vruchtgebruik", T. Not., 1999, 541, nr.35; VAN SINAY, T., "Is eventueel vruchtgebruik een eventueel recht?", T. Not., 1984, 373; SABBAH, R., "L'usufruit éventuel. Analyse de l'arrêt de cassation du 4 novembre 2010", Rev. Not. B., 2011, 662, punt 60. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190125.5 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190125.5 citeert: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101104.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.