id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 25 januari 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190125.6 Rolnummer: F.17.0090.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2019-02-12 Raadplegingen: 152 - laatst gezien 2026-06-28 08:04 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190125.6 Fiche 1 Een onroerend goed van een intergemeentelijke vereniging wordt slechts van de onroerende voorheffing vrijgesteld indien het niet productief is en in concreto wordt aangewend voor een openbare dienst of voor een dienst van algemeen nut
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - VOORHEFFINGEN EN BELASTINGKREDIET - Onroerende voorheffing Vrije woorden: Intercommunale - Vrijstelling artikel 253, 3°, WIB92 - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Wetboek van Inkomstenbelastingen - 12-06-1992 - Art. 253, 3° - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Fiche 2 Een intergemeentelijke dienstverlenende vereniging die in het raam van het huisvestingsbeleid optreedt als projectontwikkelaar en gronden gebruikt voor het bouwen van betaalbare woningen, oefent een taak uit van algemeen belang en verzekert aldus een openbare dienst; de gronden die met dit oogmerk worden ontwikkeld door de intergemeentelijke vereniging worden bestemd voor een dienst van algemeen nut
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - VOORHEFFINGEN EN BELASTINGKREDIET - Onroerende voorheffing Vrije woorden: Vrijstelling artikel 253, 3°, WIB92 - Intercommunale - Ontwikkeling gronden - Bouwen woningen in kader huisvestingsbeleid - Gebruik voor een openbare dienst of dienst van algemeen nut Wettelijke bepalingen: Wetboek van Inkomstenbelastingen - 12-06-1992 - Art. 253, 3° - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Tekst van de conclusie F.17.0090.N Conclusie van advocaat-generaal m.o. J. Van der Fraenen: (...)
- Bespreking van het tweede middel 2.
- In het tweede middel voert eiseres de schending aan van de artikelen 41, 149 en 162 van de Grondwet, 3, 10, 11, 12 en 29 van het decreet van het Vlaams Parlement van 6 juli 2001 houdende intergemeentelijke samenwerking en 253, 3° WIB
- Eiseres komt in het tweede middel op tegen de beslissing van het hof van beroep dat het nastreven of realiseren van een gemeentelijk belang niet betekent dat daarmee een openbare dienst of een dienst voor algemeen nut tot stand komt (blz. 13, voorlaatste alinea, van de voorziening). Eiseres meent dat de dienstverlenende intercommunales, gelet op hun wettelijk vastgesteld doel, louter diensten kunnen en mogen leveren in het kader van het algemeen gemeentelijk belang, en dat de goederen waarvan zij eigenaar zijn door hen bijgevolg enkel aangewend kunnen worden voor zaken die het algemeen nut tot voorwerp hebben, zoals bijvoorbeeld het voeren van een doelmatig grondbeleid en het voeren van een huisvestingspolitiek. Volgens eiseres mogen en kunnen intercommunales niet anders dan hun onroerende goederen te bestemmen voor zaken die het algemeen nut tot voorwerp hebben, zijnde voor openbare diensten of diensten van algemeen nut. Verder voert eiseres aan dat het daarbij niet dienend is wat er met de gronden gebeurt na de verkoop. 2.
- In de artikelen 3 en 10 van het Decreet van het Vlaams Parlement van 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking is bepaald dat gemeenten samenwerkingsverbanden tot stand kunnen brengen met het oog op de gemeenschappelijke behartiging van doelstellingen van gemeentelijk belang behorend tot een of meer beleidsdomeinen. Verder is in artikel 12, §2, 2° van voormeld decreet bepaald dat een dienstverlenende vereniging, zoals eiseres, een samenwerkingsverband is zonder beheersoverdracht, dat tot doel heeft een duidelijk omschreven ondersteunende dienst te verlenen aan de deelnemende gemeenten, eventueel voor verschillende beleidsdomeinen. In artikel 29 van voormeld Decreet is bepaald dat aan een dienstverlenende of opdrachthoudende vereniging uitsluitend gemeenten en andere openbare besturen kunnen deelnemen. 2.
- Artikel 253, eerste lid, 3° WIB92 bepaalt: "Van de onroerende voorheffing wordt het kadastraal inkomen vrijgesteld van onroerende goederen die de aard van nationale domeingoederen hebben, op zichzelf niets opbrengen en voor een openbare dienst of voor een dienst van algemeen nut worden gebruikt; de vrijstelling is van de drie voorwaarden samen afhankelijk." De toekenning van de in dit artikel voorziene vrijstelling vereist dat cumulatief voldaan is aan de volgende drie voorwaarden:
(1)het onroerend goed moet de aard van nationale domeingoederen hebben;
(2)op zichzelf niets opbrengen;
(3)voor een openbare dienst of voor een dienst van algemeen nut worden gebruikt. De rechtsvraag betreft in voorliggend geval de derde voorwaarde, namelijk de vraag of de onbebouwde onroerende goederen voor een openbare dienst of voor een dienst van algemeen nut worden gebruikt. 2.4. Het begrip "openbare dienst" moet m.i. niet alleen begrepen worden in de organieke betekenis van het woord maar ook in de functionele betekenis, meer bepaald als ter aanduiding van activiteiten gericht op de behartiging van het algemeen belang
(1). In een gemeentelijke context lijkt het "algemeen belang" mij samen te vallen met het "gemeentelijk belang". De Grondwet laat krachtens de artikelen 41 en 162, lid 4 de gemeenten toe zich te verenigen, weze het dat dit enkel kan met het oog op de gezamenlijke behartiging van aangelegenheden van gemeentelijk belang. Wanneer men deze grondwetsartikelen samenleest met de artikelen 3, 10 en 12, §2, 2° van het Decreet van het Vlaams Parlement van 6 juli 2001 dan kan hieruit worden afgeleid dat wanneer intercommunales activiteiten uitoefenen met als doel "het gemeentelijk belang", deze activiteiten steeds dienen gekwalificeerd te worden als activiteiten die "in de hoedanigheid van overheid" verricht worden
(2). Uit de parlementaire voorbereiding van de Wet van 18 augustus 1907 inzake de verenigingen van gemeenten en particuliere personen voor de oprichting van diensten van waterbedeling (welke - gedeeltelijk - werd vervangen door de Wet omtrent de vereniging van gemeenten tot nut van 't algemeen van 1 maart 1922 en vervolgens door de Wet op de intercommunales van 22 december 1986) blijkt dat: "De maatschappijen waarop dit wetsontwerp betrekking heeft, worden opgericht met een doel van algemeen nut; zij nemen de taak op zich een gemeenteverplichting te vervullen"
(3). De intercommunales treden derhalve in een bepaald opzicht op als een verlengstuk (of in de plaats) van de gemeenten bij het uitoefenen van activiteiten ter behartiging van het gemeentelijk belang. 2.
- Eiseres kan m.i. worden bijgetreden waar zij stelt dat het voeren van een doelmatig grondbeleid en het voeren van een huisvestingspolitiek kaderen in het gemeentelijk (algemeen) belang. Een intergemeentelijke dienstverlenende vereniging die ter concrete uitvoering van de huisvestingspolitiek optreedt als projectontwikkelaar en gronden gebruikt voor het bouwen van betaalbare woningen, lijkt mij activiteiten op zich te nemen gericht op het behartigen van het algemeen belang en aldus een openbare dienst in de functionele betekenis van het begrip te verzekeren. De gronden die met dit doel worden ontwikkeld door de intergemeentelijke dienstverlenende vereniging worden naar mijn mening bestemd voor een dienst van algemeen nut. Het gegeven dat de gronden op het ogenblik van de verkoop overgaan in particuliere handen vermag niets te veranderen aan de daarvoor geldende bestemming. 2.
- De appelrechters stellen vast dat: * de onbebouwde gronden het voorwerp uitmaken van verkavelingsprojecten opgestart door de gemeenten Rumst, Zoersel en Bracht; * bepaalde onroerende goederen aangewend worden als sociale koopwoningen. De appelrechters oordelen vervolgens dat de vrijstelling van de onroerende voorheffing voor alle onroerende goederen moet worden geweigerd om reden dat de gronden in de periode voorafgaand aan de particuliere verkoop en tijdens de ontwikkeling van de projecten niet gebruikt worden in het raam van een openbare dienst en om reden dat het bouwen van woningen op zich geen openbare dienst is. In het licht van wat voorafgaat, lijkt deze beslissing mij niet naar recht verantwoord. Het middel komt mij gegrond voor in zoverre het de schending aanvoert van artikel 253, 3° WIB
- Besluit: VERNIETIGING ______________________________
(1)Zie over het onderscheid tussen de organieke en functionele betekenis van het begrip "openbare dienst" F. LOUCKX, Staat en gezondheidszorg, Larcier, Brussel, 2015, 178-181 en de verwijzingen in voetnoot.
(2)Vgl. Grondwettelijk Hof, 28 oktober 2004, nr. 166/2004, B.3.
(3)Pasin., 1907, p. 206, eigen vertaling. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190125.6 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190125.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div