id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 25 januari 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190125.7 Rolnummer: F.17.0093.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2019-02-12 Raadplegingen: 140 - laatst gezien 2026-06-28 06:03 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190125.7 Fiche Uit de ratio legis van artikel 26 van wet van 22 december 1986 betreffende de intercommunales volgt dat de intercommunales vrijgesteld zijn van belasting in zoverre de gemeenten daaraan zelf niet zijn onderworpen; de onroerende voorheffing kan evenwel verschuldigd zijn door een gemeente zodat de intercommunales daarvan niet noodzakelijk vrijgesteld zijn
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - VOORHEFFINGEN EN BELASTINGKREDIET - Onroerende voorheffing Vrije woorden: Intercommunale - Vrijstelling - Artikel 26 van de Wet van 22 december 1986 - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Wet - 22-12-1986 - Art. 26 - 47 ELI link Pub nr 1987000020 Tekst van de conclusie F.17.0093.N Conclusie van advocaat-generaal m.o. J. Van der Fraenen: (...)
- Bespreking van het enig middel 2.
- In het enig middel voert eiseres de schending aan van de artikelen 149, 170 en 172 van de Grondwet, artikel 26 van de Wet van 22 december 1986 betreffende de intercommunales, artikel 3, lid 1, 5° van de Bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschapen en Gewesten, artikel 28 van de Bijzondere Wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, artikel 81, a van het decreet van het Vlaams Parlement van 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking en van het algemeen rechtsbeginsel houdende de scheiding der machten. Eiseres komt op tegen de beslissing van de appelrechters om zonder meer artikel 26 van de Wet van 22 december 1986 betreffende de intercommunales grondwetsconform aan te vullen (wat concreet impliceert dat de vrijstelling wordt geweigerd omdat eiseres niet aantoont dat de gemeenten vrijgesteld zijn van onroerende voorheffing), zonder evenwel eerst te hebben vastgesteld dat de leemte van dit artikel niet van aard is dat zij noodzakelijk vereist dat een andere regeling wordt ingevoerd, zodat de appelrechters derhalve niet zonder schending van de aangegeven bepalingen konden beslissen dat er ten deze geen principiële vrijstelling is van onroerende voorheffing. Volgens eiseres kan de leemte, naast een grondwetsconforme interpretatie ook verholpen worden door een wetswijzing. Dit laatste is volgens eiseres vereist wanneer een andere regeling wordt ingevoerd die een hernieuwde maatschappelijke afweging van belangen door de wetgever vereist. 2.
- Krachtens artikel 26 van de wet van 22 december 1986 betreffende de intercommunales zijn de intercommunales, onverminderd de bestaande wetsbepalingen, vrijgesteld van alle belastingen van de Staat, evenals van alle belastingen ingevoerd door de provincies, de gemeenten of enig andere publiekrechtelijke persoon. In de arresten nr. 8/2004 van 21 januari 2004 en nr. 166/2004 van 28 oktober 2004 heeft het Grondwettelijk Hof, in een antwoord op een prejudiciële vraag, geoordeeld dat die bepaling discriminerend is in zoverre ze voor de intercommunales een ruimere belastingvrijstelling inhoudt dan diegene die op de gemeenten van toepassing is. Het Grondwettelijk Hof steunt zich daarbij op de parlementaire voorbereiding van artikel 13 van de wet van 18 augustus 1907 betreffende de verenigingen van gemeenten en van particulieren tot het inrichten van waterleidingen, dat aan de oorsprong ligt van de belastingvrijstelling voor intercommunales, en waaruit blijkt dat de wetgever deze publiekrechtelijke rechtspersonen vrij wou stellen van belastingen in zoverre de gemeenten zelf daaraan niet zijn onderworpen. Als reden voor de vrijstelling werd immers aangehaald in de memorie van toelichting bij de wet van 18 augustus 1907: "De maatschappijen waarop dit wetsontwerp betrekking heeft, worden opgericht met een doel van algemeen nut; zij nemen de taak op zich een gemeenteverplichting te vervullen: het lijkt rechtmatig hun het vervullen van die taak te vergemakkelijken door hun de fiscale voordelen toe te kennen die de gemeenten, in wier plaats zij optreden, zouden genieten"
(1). De wetgever oordeelde m.a.w. dat de intercommunales een belastingvrijstelling konden genieten omdat zij in een bepaald opzicht een verlengstuk vormen van de gemeenten aangezien zij eveneens doelstellingen van gemeentelijk belang behartigen. Wanneer de wetgever in algemene bewoordingen de intercommunales vrijstelt van belastingen, mag volgens het Grondwettelijk Hof niet worden aangenomen dat hij de bedoeling zou gehad hebben bepalingen uit te vaardigen die niet bestaanbaar zijn met artikel 41 en artikel 162, vierde lid van de Grondwet (krachtens welke de gemeenten het recht hebben zich te verenigen, zij het dat dit uitsluitend kan met het oog op de gezamenlijke behartiging van aangelegenheden van gemeentelijke belang)
(2). Het daaruit volgende besluit is dat de in artikel 26 van de wet van 22 december 1986 bedoelde belastingvrijstelling in de grondwettige zin dient te worden geïnterpreteerd, zijnde tevens de interpretatie die steun vindt in de parlementaire voorbereiding
(3). 2.
- De appelrechters oordelen dat: * het Grondwettelijk Hof artikel 26 van de wet van 22 december 1986 al herhaaldelijk heeft moeten beoordelen en besliste dat de wetgever steeds de bedoeling heeft gehad om de intercommunales, die in een bepaald opzicht het verlengstuk vormen van de gemeenten, vrij te stellen van belastingen in zoverre de gemeenten zelf niet daaraan waren onderworpen; * de onroerende voorheffing verschuldigd kan zijn door een gemeente; * de grondwetsconforme interpretatie van artikel 26 van de wet van 22 december 1986 inhoudt dat de intercommunales vrijgesteld zijn van de onroerende voorheffing voor de hen toebehorende onroerende goederen indien ze aantonen dat voldaan is aan de door de wet voorgeschreven voorwaarden van de vrijstelling. Vervolgens oordelen de appelrechters op die gronden dat eiseres op grond van artikel 26 van de wet van 22 december 1986 geen vrijstelling geniet van de onroerende voorheffing. Aldus maken de appelrechters m.i. niet alleen een grondwetsconforme toepassing van artikel 26 van de wet van 22 december 1986 maar geven dit wetsartikel ook de invulling en draagwijdte die wetgever ermee tot doel had. Uit dit laatste volgt m.i. dat, in tegenstelling tot wat het middel aanvoert, de appelrechters niet eerst dienden vast te stellen dat "de leemte van dit artikel niet van aard is dat zij noodzakelijk vereist dat een andere regeling wordt ingevoerd". Het komt mij voor dat de appelrechters het algemeen rechtsbeginsel inzake de scheiding der machten, noch enige andere in het middel aangewezen wetsbepaling hebben geschonden. Het middel kan m.i. niet worden aangenomen.
- Besluit: VERWERPING _________________
(1)Pasin., 1907, p. 206, vrije vertaling.
(2)GwH., 28 oktober 2004, nr. 166/2004, B.6.
(3)Ook in een recent arrest van het Grondwettelijk Hof betreffende de draagwijdte van artikel 26 van de wet 22 december 1986 inzake commerciële activiteiten van intercommunales die rechtstreeks concurreren met de privésector, (GwH, nr. 66/2017 van 1 juni 2017) wordt ruimte gelaten voor een interpretatie overeenkomstig de bedoeling van de wetgever: "Uit de toelichting (bij de wet van 18 augustus 1907) kan worden afgeleid dat de wetgever de intercommunales wilde vrijstellen van belastingen waaraan de gemeenten niet waren onderworpen. Daar ze activiteiten vervulden die betrekking hadden op de behartiging van doelstellingen van gemeentelijk belang, had de wetgever het rechtmatig geacht de intercommunales aan hetzelfde fiscaalrechtelijke stelsel te onderwerpen als de gemeenten' (r.o. 135). PDF document ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190125.7 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190125.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div