← België

ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190208.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 08 februari 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190208.1 Rolnummer: C.16.0315.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2019-02-25 Raadplegingen: 486 - laatst gezien 2026-06-29 10:45 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190208.1 Fiche 1 De adoptieprocedure is een eenzijdige procedure waarin onder meer de geadopteerde die de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt en wiens toestemming is vereist, moet worden opgeroepen om te worden gehoord zonder dat dit hem de hoedanigheid van partij in het geding verleent, terwijl hij bij deze verschijning wel kan verklaren in het geding te willen tussenkomen, zodat het middel van niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep dat er van uitgaat dat de minderjarige ouder dan twaalf jaar die werd opgeroepen om te worden gehoord maar geen dergelijke verklaring tot tussenkomst heeft afgelegd zelf als partij in de cassatieprocedure diende te worden betrokken en het cassatieberoep aan hem diende te worden betekend, faalt naar recht

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN - Personen door of tegen wie cassatieberoep kan of moet worden ingesteld - Eisers en verweerders Vrije woorden: Procedure inzake adoptie - Geadopteerde van meer dan twaalf jaar - Geen verklaring tot tussenkomst - Vonnis inzake adoptie - Cassatieberoep - Gevolg Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Art. 348-1, eerste lid Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 1231-3, eerste lid, 1231-8, eerste lid, 1231-10, eerste lid, 1° en 2°, 1231-10, tweede lid, en 1231-11 Fiche 2 Uit artikel 864, Gerechtelijk Wetboek, zoals van toepassing na de wijziging bij wet van 19 oktober 2015, volgt dat de nietigheidsexceptie in limine litis moet worden opgeworpen, aan welke vereiste is voldaan wanneer de exceptie van nietigheid wordt opgeworpen in de eerst nuttige en mogelijke procesakte van verweer, zodat wanneer de verweerder in hoger beroep de laattijdigheid van het hoger beroep opwerpt, de eiser in hoger beroep in zijn daarop volgende conclusie alsnog de nietigheid van de kennisgeving van de beroepen beslissing kan opwerpen zonder dat hij ertoe gehouden was dit reeds in de appelakte op te werpen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VORDERING IN RECHTE Vrije woorden: Nietigheidsexceptie - In limine litis - Eerst nuttige en mogelijke procesakte - Toepassing Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 864 Wet - 19-10-2015 - zoals van toepassing na de wijziging bij - 01 ELI link Pub nr 2015009530 Fiches 3 - 4 Uit de artikelen 792, tweede en derde lid en 1231-15, laatste lid en 1231-16, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek volgt dat een betekening van de beslissingen inzake adoptie, ondanks de andersluidende Nederlandstalige tekst van de artikelen 1231-15, laatste lid en 1231-16, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek, vervangen werd door een kennisgeving bij gerechtsbrief, hetgeen afwijkt van de gemeenrechtelijke regeling, waarbij deze kennisgeving ter bescherming van het recht van verdediging moet worden vergezeld van bijkomende informatie zoals vereist in artikel 792, derde lid, Gerechtelijk Wetboek
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: ADOPTIE Vrije woorden: Vonnis inzake adoptie - Kennisgeving aan partijen - Modaliteiten Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 792, tweede en derde lid, 1231-15, laatste lid, en 1231-16, eerste lid Thesaurus CAS: BETEKENINGEN EN KENNISGEVINGEN - ALGEMEEN Vrije woorden: Vonnis inzake adoptie - Kennisgeving aan partijen - Modaliteiten Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 792, tweede en derde lid, 1231-15, laatste lid, en 1231-16, eerste lid Fiche 5 Artikel 861, Gerechtelijk wetboek, krachtens hetwelk de rechter een proceshandeling alleen dan nietig kan verklaren of het niet-naleven van een termijn die op straffe van nietigheid is voorgeschreven kan sanctioneren indien het aangeklaagde verzuim of onregelmatigheid de belangen schaadt van de partij die de exceptie opwerpt, veronderstelt dat de partij die de exceptie opwerpt door het verzuim of de onregelmatigheid haar rechten in het geding redelijkerwijze niet of niet volledig heeft kunnen laten gelden binnen de normale procesgang, waarbij de rechter nagaat of het aangeklaagde verzuim de belangen schaadt van de partij die de exceptie opwerpt en onaantastbaar oordeelt over het oorzakelijk verband tussen de ingeroepen belangenschade van die partij en het aangeklaagde verzuim of onregelmatigheid
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - ALGEMEEN Vrije woorden: Exceptie van nietigheid - Taak van de rechter Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 861 Tekst van de conclusie C.16.0315.N Conclusie van advocaat-generaal Ria Mortier Bij arrest van 13 april 2016 van het hof van beroep te Antwerpen werd het hoger beroep van verweerster tijdig en toelaatbaar en haar verzoek tot volle adoptie gegrond verklaard. In een tijdige en regelmatige voorziening in cassatie van18 juli 2016 komt eiseres met één middel bestaande uit twee onderdelen op tegen de beoordeling omtrent de ontvankelijkheid van het hoger beroep. 1. Ontvankelijkheid van de cassatievoorziening Verweerster voert in de memorie van antwoord aan dat het cassatieberoep niet ontvankelijk is nu het niet betekend werd aan de geadopteerde minderjarige zelf. Het middel van niet-ontvankelijkheid gaat er dus van uit dat de minderjarige als partij in de cassatieprocedure dient te worden betrokken. Dit lijkt mij een onjuist uitgangspunt. De adoptieprocedure is een eenzijdige procedure waarin de geadopteerde die de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt overeenkomstig artikel 348-1 B.W. hiervoor zijn toestemming moet geven, hetgeen kan via een persoonlijke verklaring gedaan voor de familierechtbank die het verzoekschrift tot adoptie behandelt. De familierechtbank hoort overeenkomstig artikel 1231-10 Ger.W. eenieder van wie de toestemming in de adoptie is vereist. Krachtens datzelfde artikel kan de minderjarige ter gelegenheid van die verschijning bij eenvoudige akte verklaren in het geding te willen tussenkomen. Zoals bepaald in artikel 1231-11 Ger.W. verleent het louter horen op zich de minderjarige niet de hoedanigheid van partij in het geding. Een uitdrukkelijke verklaring dat men in het geding wil tussenkomen is vereist. Uit de stukken waarop mag acht geslaan worden blijkt dat de minderjarige werd opgeroepen om zijn toestemming te geven maar nergens blijkt dat hij een verklaring tot tussenkomst als partij heeft afgelegd. Ook uit (weliswaar oudere) rechtspraak van uw Hof
(1)volgt dat het cassatieberoep dat tegen de minderjarige geadopteerde wordt ingesteld niet ontvankelijk is, nu de minderjarige geadopteerde niet persoonlijk in de adoptieprocedure voor de rechter kon optreden en geen partij in het geding was. De grond van niet-ontvankelijkheid dient derhalve verworpen te worden.
  1. Middel 2.
  2. Uit de stukken waarop mag acht geslaan worden blijkt dat verweerster bij verzoekschrift van 27 juli 2015 hoger beroep instelde tegen het vonnis van 27 maart 2015 van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen afdeling Turnhout waarbij haar verzoek tot het bekomen van de volle adoptie (...) als ontvankelijk maar ongegrond werd afgewezen. Verweerster voerde in het verzoekschrift zelf aan dat het hoger beroep als ontvankelijk moet beschouwd worden gezien het vonnis niet betekend werd overeenkomstig het bepaalde in artikel 1231.16 Ger.W. zodat de beroepstermijn van een maand niet verstreken is. In haar eerste beroepsbesluiten neergelegd op 20 januari 2016 wierp eiseres de onontvankelijkheid op van het hoger beroep wegens laattijdigheid. Verweerster repliceert hierop bij besluiten neergelegd op 26 januari 2016 dat indien het Hof van beroep van oordeel is dat het beroep laattijdig is zij de exceptie van nietigheid opwerpt wat betreft de kennisgeving gedaan door de griffie omdat op geen enkele wijze is voldaan aan de verplichting van artikel 792 Ger.W. De appelrechters oordelen dat het hoger beroep wel ontvankelijk is omdat artikel 792 bepalend is en de kennisgeving de op straffe van nietigheid vereiste vermeldingen niet bevat zodat de nietige kennisgeving de beroepstermijn geen aanvang kan doen nemen. 2.
  3. Artikel 864 eerste lid Ger.W. zoals van kracht tot 1 november 2015 bepaalde dat de nietigheden die tegen de proceshandelingen kunnen worden ingeroepen gedekt zijn indien zij niet tegelijk en vóór enig ander middel worden voorgedragen. Sedert 1 november 2015 bepaalt artikel 864 Ger.W. dat zijn gedekt indien ze niet tegelijk en voor enig ander middel worden voorgedragen, de nietigheid die tegen een proceshandeling kan worden ingeroepen of het niet-naleven van een termijn die op straffe van nietigheid is voorgeschreven. In het eerste onderdeel voert eiseres aan dat de appelrechters die de exceptie van nietigheid van de kennisgeving van het eerste vonnis inwilligen, hun beslissing niet naar recht verantwoorden nu verweerster deze exceptie niet in limine litis opwierp zoals nochtans vereist door artikel 864 Ger.W. Dit onderdeel lijkt mij vooreerst feitelijke grondslag te missen nu uit de stukken waarop mag acht geslaan worden blijkt dat reeds in het verzoekschrift tot hoger beroep werd vermeld dat, gelet op de niet regelmatige betekening, de beroepstermijn van een maand niet verstreken is. Bovendien betekent "tegelijk en voor enig ander middel": bij de eerste gelegenheid. Wanneer men iets in limine litis dient op te werpen gaat het dus niet letterlijk altijd om iets dat men "op de drempel van het geschil" dit is bij aanvang van het geschil dient op te werpen
(2). Indien een probleem rijst met betrekking tot de tijdigheid van de akte van hoger beroep kan in de eerst mogelijke en nuttige conclusie de vermeende laattijdigheid van de akte van hoger beroep beantwoord worden en de nietigheidssanctie opgeworpen worden. In limine litis vereist dan niet dat de exceptie moet worden opgeworpen nog vooraleer de laattijdigheid aan de orde was. In de zaak die voorligt werd de nietigheidsexceptie door verweerster opgeworpen in antwoord op het standpunt dat eiseres in conclusies had ontwikkeld, namelijk dat het hoger beroep laattijdig was op grond van de termijnberekening vanaf de kennisgeving. In de eerst nuttige akte nadat deze exceptie van laattijdigheid in het geding was antwoordde verweerster hierop dat de kennisgeving onregelmatig was en dus niet als aanvangspunt voor de berekening van de beroepstermijn kon aanzien worden. Het eerste onderdeel kan derhalve niet aangenomen worden. 2.
  1. In het tweede onderdeel voert eiseres aan dat, zelfs indien de kennisgeving onregelmatigheden vertoonde, niet wordt aangetoond dat deze onregelmatigheid verweerster heeft verhinderd om haar rechten binnen de termijn van één maand te laten gelden. De appelrechters die oordelen dat de kennisgeving nietig is zonder dat uit de gedane vaststellingen blijkt dat die onregelmatigheid de belangen van eiseres heeft geschaad verantwoorden hun beslissing niet naar recht. Krachtens artikel 861 Ger.W. kan de rechter een proceshandeling alleen dan nietig verklaren of het niet-naleven van een termijn die op straffe van nietigheid is voorgeschreven sanctioneren, indien het aangeklaagde verzuim of de aangeklaagde onregelmatigheid de belangen schaadt van de partij die de exceptie opwerpt. 2.3.
  2. Het principe van de belangenschade is in feite een verwoording van het beschermenswaardig belang dat een partij dient te hebben voor het inroepen van de exceptie van nietigheid. In de meeste gevallen komt het geschonden belang overeen met een schending van de rechten van verdediging
(3). Uw Hof oordeelt
(4)dat belangenschade in de zin van artikel 861 Ger.W. veronderstelt dat de partij die de exceptie opwerpt, door het verzuim of de onregelmatigheid haar rechten in het geding redelijkerwijze niet of niet volledig heeft kunnen laten gelden binnen de normale procesgang. De rechter gaat na of het aangeklaagde verzuim de belangen schaadt van de partij die de exceptie opwerpt en oordeelt onaantastbaar over het oorzakelijk verband tussen de ingeroepen belangenschade van die partij en het aangeklaagde verzuim of onregelmatigheid
(5)2.3.2. Artikel 792 bepaalt dat inzake adoptie de griffier binnen de acht dagen na de uitspraak van het vonnis bij gerechtsbrief het vonnis ter kennis brengt van de partijen. Op straffe van nietigheid vermeldt deze kennisgeving de rechtsmiddelen, de termijn binnen welke dit verhaal moet worden ingesteld evenals de benaming en het adres van de rechtsmacht die bevoegd is om er kennis van te nemen. De in voormeld artikel vervatte regeling vormt een uitzondering op de gemeenrechtelijke regeling betreffende het meedelen van rechterlijke beslissingen enerzijds doordat de kennisgeving gebeurt door de griffier bij gerechtsbrief en anderzijds de rechtsmiddelen, de termijn binnen welke die moeten worden ingesteld en de benaming en het adres van de rechtsmacht die bevoegd is om kennis ervan te nemen moet vermelden
(6). De informatie die de gerechtsbrief moet bevatten strekt ertoe de belangen van de geadresseerde in de betrokken rechtspleging te vrijwaren
(7). Uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat, gelet op de normale beroepstermijn in civiele zaken naar Belgisch recht en gelet op de bepaling van artikel 792, §3 Ger.W., een schending van artikel 6 EVRM voorligt indien een rechtsmiddel als niet ontvankelijk wordt afgewezen wegens laattijdigheid wanneer de verzoeker niet werd geïnformeerd over de termijn om dit rechtsmiddel aan te wenden en de wijze waarop dit dient te gebeuren
(8). In navolging hiervan oordeelt Uw Hof
(9)dat, gelet op artikel 6.1 EVRM dat de rechtzoekenden een daadwerkelijk recht op toegang tot de rechter garandeert voor de beslissingen inzake hun rechten en verplichtingen van burgerrechtelijke aard, het niet alleen van belang is dat de mogelijkheden om rechtsmiddelen aan te wenden, met inbegrip van de termijnen ervan, duidelijk worden vastgesteld, maar ook dat ze op de meest expliciet mogelijke wijze ter kennis worden gebracht van de rechtzoekenden opdat zij ervan kunnen gebruikmaken overeenkomstig de wet. Vanuit de bezorgdheid om concrete en effectieve rechten te waarborgen mag dus niet zonder meer uitgegaan worden van een theoretische of veronderstelde kennis van de mogelijkheid om rechtsmiddelen aan te wenden en de termijn waarbinnen dit dient te gebeuren. Het oordeel dat deze op de meest expliciete wijze ter kennis moet gebracht worden aan de rechtszoekende vormt derhalve een belangrijke tempering van het beginsel dat iedereen geacht wordt de wet te kennen
(10). 2.3.3. Uit de stukken waarop mag acht geslaan worden blijkt dat verweerster reeds in de beroepsakte opmerkt dat het vonnis niet werd betekend zodat de beroepstermijn niet verstreken is, maar dat zij ook in haar syntheseconclusie van 26 januari 2016 aanvoert dat artikel 792lid 3 Ger.W. niet werd gerespecteerd waarvan het doel nochtans is de rechten van verdediging te waarborgen. Verweerster verwees hierbij naar voormelde rechtspraak van het EHRM en gaf aldus te kennen dat de afwezigheid van informatie omtrent de afwijkende regeling van betekening en termijn inzake adoptie haar belangen heeft geschaad. De appelrechters die dienvolgens oordelen dat voor de beoordeling van de toelaatbaarheid van het hoger beroep artikel 792 Ger.W. bepalend is en vaststellen dat de kennisgeving van het eerste vonnis de op straffe van nietigheid vereiste vermeldingen niet bevat zodat deze kennisgeving nietig is, treden dit standpunt van verweerster bij en verantwoorden dienvolgens hun beslissing naar recht. Conclusie: verwerping. ____________________
(1)Cass. 22 februari 1979, AC 78-79, 754.
(2)K. Wagner, Sancties in het burgerlijk procesrecht, Maklu, 2007, 411-412.
(3)D. Scheers en P. Thiriar, Potpourri I - Gerechtelijk recht, Intersentia, artikelen 860-867, 2.2.2.
(4)Cass.24 oktober 2014, AR C.12.0462.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141024.1, AC 2014, nr. 636.
(5)Cass.23 april 1975, Arr.Cass. 1975, 937.
(6)GwH. 16/2008 van 14 februari 2008,r.o. B.5.1., 11.
(7)GwH. Nr.96/01 van 12 juli 2001,r.o. B.5, 12.
(8)EHRM Faniel t. België, 1 maart 2011, ro.33.
(9)Cass.29 januari 2016, AR C.14.0006.F ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160129.3, AC 2016, nr. 67.
(10)Zie concl. OM vóór Cass.7 september 2018, AR C.17.0711.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180907.5, AC 2017, nr. 451. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190208.1 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190208.1 citeert: ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141024.1 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160129.3 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180907.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.