← België

ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190208.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 08 februari 2019

Art. 25

, eerste lid Thesaurus CAS: VERVOER - PERSONENVERVOER Vrije woorden: Luchtvaart - Vervoersovereenkomst - Forumkeuzebeding - Beoordeling door de rechter - Draagwijdte Wettelijke bepalingen:

Art. 25

, eerste lid Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - ALGEMEEN Vrije woorden: Verordening nr. 1215/2012 van 12 december 2012 - Vervoersovereenkomst - Forumkeuzebeding - Beoordeling door de rechter - Draagwijdte Wettelijke bepalingen:

Art. 25

, eerste lid Thesaurus CAS: RECHTERLIJKE ORGANISATIE - BURGERLIJKE ZAKEN Vrije woorden: Verordening nr. 1215/2012 van 12 december 2012 - Vervoersovereenkomst - Forumkeuzebeding - Beoordeling door de rechter - Draagwijdte Wettelijke bepalingen:

Art. 25

, eerste lid Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - ALGEMEEN Vrije woorden: Verordening nr. 1215/2012 van 12 december 2012 - Vervoersovereenkomst - Forumkeuzebeding - Beoordeling door de rechter - Draagwijdte Wettelijke bepalingen:

Art. 25

, eerste lid Annotaties Publicaties: De Juristenkrant [Juristenkrant] - VERHOEVEN, Marek; Noot "Cassatie bevestigt: vliegtuigpassagiers verplichten tot procederen in buitenland is onwettelijk" - 2019, nr. 386, p.

  1. Consumentenrecht [DCCR] - KEUKELEIRE, Artuur, KRUGER, Thalia; "Noot onder cassatie." - 2020, nr. 1, p. 47-
  2. Tekst van de conclusie C.18.0354.N Conclusie van advocaat-generaal R. Mortier:
  3. Feiten en procedure Naar aanleiding van een ernstige vertraging van de vlucht die door verweerster werd uitgevoerd en waarvoor klanten via eiseres hadden geboekt, diende eiseres een klacht in bij verweerster op grond van de Passagiersverordening. Zij beoogde hiermee een financiële compensatie te verkrijgen maar gezien de klacht niet het gewenste gevolg had dagvaardde eiseres verweerster voor de Nederlandstalige rechtbank van koophandel te Brussel. De rechtbank verklaarde zich evenwel bij vonnis van 30 mei 2018 gewezen in laatste aanleg, zonder rechtsmacht. De rechtbank stelt vast dat de vordering tot het bekomen van een compensatievergoeding ingesteld wordt op grond van de Passagiersverordening en verweerster onder verwijzing naar het forumkeuzebeding in haar algemene voorwaarden waaruit bevoegdheid van de Ierse rechtbanken blijkt, de bevoegdheid van de Belgische rechtbank betwist. De rechtbank oordeelt dat, gezien de passagiers via het aankruisen van het daartoe bestemde vakje bij boeking de algemene voorwaarden van verweerster hebben aanvaard, de Ierse rechtbanken bevoegd zijn. Tegen dit vonnis voert eiseres in een tijdig en regelmatig neergelegde voorziening één middel aan bestaande uit twee onderdelen. Eiseres gaat hierbij uit van artikel 25.1 van de Verordening nr. 1215/2012 van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna de "Brussel Ibis-Verordening") en voert ter zake aan dat de formele geldigheid van deze forumkeuzebedingen wordt onderzocht in acht genomen de vormvereisten bepaald in artikel 25 terwijl de materiële geldigheid ervan wordt onderzocht in het licht van de lidstaat wier gerechten door het forumkeuzebeding worden aangeduid. Eiseres stelt dat, nu de clausule de Ierse rechtbanken als bevoegd aanwijst, de materiële geldigheid van dit forumkeuzebeding had moeten onderzocht worden op grond van het Ierse recht, hetgeen niet gebeurd is.
  4. Ontvankelijkheid Verweerster werpt in een regelmatig neergelegde memorie van antwoord twee gronden van niet-ontvankelijkheid op met betrekking tot het tweede onderdeel. 2.1.Verweerster stelt dat het middel met betrekking tot het tweede onderdeel geen belang heeft en dienvolgens niet ontvankelijk is nu de beslissing om het forumkeuzebeding krachtens artikel 25 van de Brussel Ibis-Verordening geldig te verklaren en de Ierse Wet nr. 27/1995, die Richtlijn 93/13/EEG van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten omzet in het Ierse recht, niet toe te passen, naar recht verantwoord blijft, aangezien de eiseres door voornoemde richtlijn noch door de Ierse wet beschermd wordt, nu zij zelf geen consument is maar handelde in haar hoedanigheid van cessionaris van de schuldvorderingen van de consumenten. Verweerster verzoekt derhalve uw Hof een substitutie van motieven toe te passen en dus aan het bestreden dictum, dat op zich wettig is, een andere juridische grondslag te geven die het in de plaats stelt van het in het middel bekritiseerde motief zodat de beslissing verantwoord blijft en het middel, zelfs al was het gegrond, niet tot cassatie kan leiden

(1)en
(2). De toepassing van die techniek geldt evenwel slechts in zoverre de feitelijke gegevens waarop het Hof acht mag slaan zulks wettigen. Uw Hof oordeelt dat een substitutie van motieven enkel kan worden toegepast op de juridische motieven van de bestreden beslissing en de feitelijke motieven intact blijven
(3). In het algemeen wordt hierbij in de rechtspraak van Uw Hof een beperkende benadering van de feiten gegeven, in die zin dat het Hof zich strikt houdt aan de feiten die zijn vastgesteld door de rechter tegen wiens beslissing cassatieberoep is ingesteld
(4). De te dezen door de verweerster voorgestelde substitutie van motieven steunt op de hoedanigheid waarin eiseres optrad. Volgens verweerster handelde eiseres in haar hoedanigheid van cessionaris van de schuldvorderingen waarvan de consumenten titularis zijn en waarvan zij de belangen verdedigt. Hierdoor zou de eiseres geen consument zijn en niet de bescherming verdienen van de Ierse Wet nr. 207/1995 die Richtlijn 93/13/EEG omzet in het Ierse recht. Hoewel die hoedanigheid was betwist bevat het bestreden vonnis zelf hieromtrent geen enkele vaststelling zodat het Hof te dezen verplicht zou zijn zelf deze feitelijke gegevens na te gaan, waartoe het niet bevoegd is. De grond van niet ontvankelijkheid dient derhalve verworpen te worden. 2.
  1. Verweerster voert verder met betrekking tot het tweede onderdeel aan dat het onderdeel geen belang vertoont omdat de beslissing om het forumkeuzebeding krachtens artikel 25 Brussel Ibis-Verordening geldig te verklaren en om niet naar het Iers recht te verwijzen naar recht verantwoord blijft, aangezien de Ierse Wet nr. 27/1995, die Richtlijn 93/13/EEG omzet in het Ierse recht, krachtens bijlage 1 e), ii), bij die wet sowieso niet van toepassing is op een forumkeuzebeding dat in overeenstemming is met artikel 25 Brussel Ibis-Verordening. Het onderzoek van de grond van niet-ontvankelijkheid noopt tot onderzoek van het onderdeel zelf.
  2. Gegrondheid In het tweede onderdeel voert eiseres aan dat de rechter de materiële geldigheid van het beding in de tussen partijen gesloten vervoerovereenkomst diende te toetsen aan de Ierse Wet nr. 27/1995, die Richtlijn 93/13/EEG omzet in het Ierse recht. Slechts indien dit beding materieel geldig is krachtens deze wet, voldoet het immers aan de voorwaarden van artikel 25 Brussel Ibis-Verordening. 3.
  3. Niet betwist wordt dat de vordering betrekking heeft op een compensatievergoeding aan luchtreizigers wegens langdurige vertraging van de door hen geboekte vlucht. De tussen partijen gesloten overeenkomst betreft een vervoerovereenkomst waarover niet afzonderlijk onderhandeld werd en dat door middel van een forumkeuzebeding de Ierse gerechten, zijnde de gerechten van de lidstaat waar de luchtvaartmaatschappij gevestigd is, uitsluitend bevoegd heeft verklaard voor de beslechting van alle uit de overeenkomst voortvloeiende geschillen. 3.
  4. De Verordening(EU) nr.261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten (hierna "Passagiersverordening") heeft tot doel de beschermingsnormen van de passagiers binnen de Europese Unie te verhogen, hun rechten uit te breiden en ervoor te zorgen dat zij in voorkomend geval over een compensatierecht beschikken. Deze Verordening bevat weliswaar bepalingen met betrekking tot het indienen van klachten maar geen enkele bepaling van internationaal privaatrecht die in voorkomend geval de bevoegde rechtbank en/of het toepasselijk recht aanduidt. De bevoegde rechtbanken voor het beoordelen van een zoals te dezen gestelde vordering tot compensatoire vergoeding wegens vertraging bij een vlucht van een Lidstaat naar een andere Lidstaat op basis van een vervoersovereenkomst met één enkele luchtvaartmaatschappij welke de vlucht uitvoert, dient overeenkomstig de regels van de Brussel Ibis-Verordening aangewezen te worden. Hoewel de Brussel Ibis-Verordening in de artikelen 18 en 19 bijzondere bevoegdheidsbepalingen bevat voor door consumenten gesloten overeenkomsten, vallen vervoersovereenkomsten
(5)gesloten door consumenten, krachtens artikel 17,3 niet onder deze bijzondere bevoegdheidsregeling. Krachtens deze bepalingen heeft de consument immers bij het instellen van een rechtsvordering de keuze hetzij voor het gerecht van de lidstaat op het grondgebied waarvan de wederpartij woonplaats heeft, hetzij voor het gerecht van zijn eigen woonplaats en kan de rechtsvordering die tegen de consument wordt ingesteld slechts worden gebracht voor het gerecht van de lidstaat op het grondgebied waarvan de consument woonplaats heeft. Vervoersovereenkomsten worden buiten die speciale bepalingen inzake consumentenbescherming gehouden omdat deze overeenkomsten door internationale verdragen aan zeer wijdvertakte regelingen zijn onderworpen en de rechtstoestand onoverzichtelijk zou worden als men deze overeenkomsten alleen op het punt van de rechterlijke bevoegdheid apart zou behandelen. Bedingen inzake internationale rechtsmacht in zulke vervoersovereenkomsten zijn dus onderworpen aan de algemene regel van artikel 25 Brussel Ibis-Verordening. Artikel 25.1 dat een aantal formele geldigheidscriteria bevat, bepaalt daarnaast ook dat indien de partijen ongeacht hun woonplaats, een gerecht of gerechten van een lidstaat hebben aangewezen voor de kennisneming van geschillen die naar aanleiding van een bepaalde rechtsbetrekking zijn ontstaan, dit gerecht of de gerechten van die lidstaat bevoegd is of zijn, tenzij de overeenkomst krachtens het recht van die lidstaat nietig is wat haar materiële geldigheid betreft en dat deze bevoegdheid exclusief is tenzij partijen anders zijn overeengekomen. De Verordening gaat dus, in andere dan de beschermde consumentenovereenkomsten, uit van de autonomie van partijen met betrekking tot de keuze van het bevoegde gerecht, maar voorziet wel in een formele en materiële geldigheidsvoorwaarde. De geldigheid van een beding inzake internationale rechtsmacht in een grensoverschrijdende context in een vervoersovereenkomsten gesloten met een passagier/consument dient bijgevolg niet enkel getoetst te worden op zijn formele geldigheid krachtens artikel 25 maar ook op zijn materiële geldigheid krachtens het recht van de als bevoegd aangewezen Lidstaat. 3.
  1. Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten strekt er toe de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de Lidstaten betreffende oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen verkoper en consument onderling aan te passen. Uit de overwegingen bij die Richtlijn blijkt dat de rechtsregels, die in andere Lidstaten dan het land waar de consument woont gelden voor overeenkomsten voor de verkoop van goederen of het aanbieden van diensten, over het algemeen niet gekend zijn door de consument en dat dit gebrek aan kennis hem van rechtstreekse transacties van aankoop van goederen of diensten kan afhouden. Om de consument bescherming te verlenen is het, aldus de Richtlijn, dan ook van essentieel belang oneerlijke bedingen uit deze overeenkomsten te weren. Krachtens artikel 2 wordt onder oneerlijke bedingen in de zin van de Richtlijn verstaan, die bedingen in een overeenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld en die in strijd met de goede trouw het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoren. Een beding wordt steeds geacht niet het voorwerp van afzonderlijke onderhandeling te zijn geweest wanneer het, met name in het kader van een toetredingsovereenkomst, van tevoren is opgesteld en de consument dientengevolge geen invloed op de inhoud ervan heeft kunnen hebben. Onder de in bijlage gevoegde indicatieve en niet uitputtende lijst van bedingen die als oneerlijk kunnen worden aangemerkt worden bedingen vermeld die tot doel of tot gevolg hebben het indienen van een beroep of het instellen van een rechtsvordering door de consument te beletten of te belemmeren. Krachtens artikel 6 van de Richtlijn bepalen de Lidstaten dat dergelijke oneerlijke bedingen de consument niet binden en dat de overeenkomst voor de partijen bindend blijft indien de overeenkomst zonder de oneerlijke bedingen kan voortbestaan. 3.
  2. Het Hof van Justitie oordeelt in vaste rechtspraak dat artikel 3, lid 3, Richtlijn 93/13/EEG aldus moet worden uitgelegd dat een beding in een overeenkomst tussen een consument en een verkoper dat tevoren door de verkoper is opgesteld en waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, en dat de rechter van de plaats van vestiging van de verkoper bevoegd verklaart voor de beslechting van alle uit de overeenkomst voortvloeiende geschillen, als oneerlijk kan worden aangemerkt
(6). Een dergelijk beding verplicht immers de consument zich te onderwerpen aan de uitsluitende bevoegdheid van een rechterlijke instantie die mogelijks ver van zijn woonplaats is verwijderd, waardoor het voor hem lastiger kan worden om voor de rechter te verschijnen. In geschillen met kleine geldsommen zouden de met de comparitie gemoeide kosten afschrikkend kunnen werken voor de consument en hem ervan kunnen weerhouden een rechtsvordering in te stellen of ook maar verweer te voeren
(7). Hoewel vervoersovereenkomsten buiten de bijzondere bescherming van de consumentenovereenkomsten vallen, kan ook de opname in een vervoerovereenkomst gesloten tussen een passagier en een luchtvaartmaatschappij, van een beding dat tevoren door de vervoerder is opgesteld en waarover niet afzonderlijk is onderhandeld en dat de gerechten van de Lidstaat waar de zetel van de luchtvaartmaatschappij gevestigd is uitsluitend bevoegd verklaart, de rechten van de passagier behoorlijk inperken. Indien passagiers een beroep willen doen op een compensatie wegens vluchtvertraging krachtens de Passagiersverordening, moeten zij zich immers naar een andere lidstaat verplaatsen en het aldaar geldende recht toepassen. Er zijn derhalve, in het kader van een goed evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en plichten, in lijn met Richtlijn 93/13/EEG en ook omwille van de billijkheid, redenen om de rechtspraak van het Hof van Justitie inzake Richtlijn 93/13/EEG, in samenhang met de nationale omzettingsbepalingen, ook toe te passen in situaties waarin consumentenovereenkomsten niet onder de bijzondere bevoegdheidsregeling van de artikelen 18 en 19 Brussel Ibis-Verordening vallen. Ook in de rechtsleer wordt hiervoor gepleit
(8). 3.
  1. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat partijen in artikel 2.4 van de algemene voorwaarden bij de vervoerovereenkomst, waarover niet afzonderlijk werd onderhandeld, de Ierse gerechten, dit zijn de gerechten van de lidstaat waar de verkoper gevestigd is, uitsluitend bevoegd hebben verklaard om kennis te nemen van geschillen met betrekking tot die overeenkomst. De materiële geldigheid van dit beding inzake internationale rechtsmacht moet, krachtens voormeld artikel 25, lid 1, Brussel Ibis-Verordening, aldus worden beoordeeld overeenkomstig het Ierse recht. De Ierse Wet nr. 27/1995, heeft Richtlijn 93/13/EEG omgezet in het Ierse recht. Deze wet is van toepassing op alle bedingen in een overeenkomst aangegaan tussen een verkoper van goederen of een dienstverrichter en een consument, die niet afzonderlijk werden onderhandeld, en bevat in artikel 3, leden 2, 4 en 7 en punt 1, sub q van de bijlage 2 en artikel 6 identieke bepalingen als deze vervat in de Richtlijn zoals hiervoor vermeld. 3.
  2. Zoals eerder vermeld voerde verweerster aan dat de beslissing om het forumkeuzebeding krachtens artikel 25 Brussel Ibis-Verordening geldig te verklaren en om niet naar het Iers recht te verwijzen naar recht verantwoord blijft, aangezien de Ierse Wet nr. 27/1995, krachtens bijlage 1 e), ii), bij die wet sowieso niet van toepassing is op een forumkeuzebeding dat in overeenstemming is met artikel 25 Brussel Ibis-Verordening. De nationale omzettingsbepalingen van Richtlijn 93/13/EEG erkennen weliswaar de voorrang van de regels vervat in de Brussel Ibis-Verordening
(9), maar deze voorrang veronderstelt dat het beding inzake internationale rechtsmacht de voorwaarden van die bepalingen naleeft, met andere woorden dat het beding daadwerkelijk in overeenstemming is met die bepalingen. Een beding inzake internationale rechtsmacht is slechts in overeenstemming met artikel 25 Brussel Ibis-Verordening, wanneer het enerzijds de in die bepaling zelf vervatte voorwaarden inzake de formele geldigheid naleeft, die betrekking hebben op het bestaan van een wilsovereenstemming, maar anderzijds moet het beding ook voldoen aan de voorwaarden inzake de materiële geldigheid, waarvoor artikel 25.1 verwijst naar het recht van de lidstaat waarvan de rechter als bevoegd is aangewezen
(10). Considerans 20 bij de Verordening verduidelijkt in dit verband dat "of een forumkeuzebeding ten gunste van het gerecht of de gerechten van een bepaalde lidstaat nietig is wat haar materiële geldigheid betreft, dient bepaald te worden door het recht van die lidstaat, met inbegrip van het conflictenrecht van die lidstaat." Op grond van deze verwijzingsregel is een beding dus slechts in overeenstemming met artikel 25 Brussel Ibis-Verordening, wanneer dit beding ook voldoet aan de voorwaarden inzake de materiële geldigheid in de nationale rechtsorde van de lidstaat waarvan het gerecht bevoegd wordt verklaard. Bijgevolg moest de materiële geldigheid van het beding in de tussen partijen gesloten vervoerovereenkomst, waarover niet afzonderlijk onderhandeld werd en dat de Ierse gerechten, namelijk de gerechten van de lidstaat waar de luchtvaartmaatschappij gevestigd is, uitsluitend bevoegd heeft verklaard voor de beslechting van alle uit de overeenkomst voortvloeiende geschillen, worden getoetst aan de Ierse Wet nr. 27/1995, die Richtlijn 93/13/EEG omzet in het Ierse recht. Slechts indien dit beding materieel geldig is krachtens deze wet, voldoet het immers aan de voorwaarden van artikel 25 Brussel Ibis-Verordening, op grond van de vermelde verwijzingsregel. Deze toets vloeit voort uit de voorwaarden van artikel 25 Brussel Ibis-Verordening zelf, dat wil dat de beoordeling van de formele geldigheid aangevuld wordt met een toets van de materiële geldigheid, volgens de vernoemde verwijzingsregel. 3.
  1. Gelet op wat voorafgaat berust de aangevoerde grond van niet ontvankelijkheid op een verkeerde rechtsopvatting. Een forumkeuzebeding is immers niet in overeenstemming met artikel 25 Brussel Ibis-Verordening, zodra partijen hierover een wilsovereenstemming bereiken die voldoet aan de formele geldigheidsvoorwaarden van die bepaling, zonder dat de materiële geldigheid ervan op grond van de verwijzingsregel van voornoemd artikel 25, lid 1, moet worden getoetst aan het recht van de lidstaat waarvan het gerecht als bevoegd is aangewezen, in dit geval het Ierse recht, met inbegrip van de Ierse Wet nr. 27/
  2. De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen. 3.
  3. Uit wat voorafgaat blijkt ook dat op grond van de voorrang van artikel 25 Brussel Ibis-Verordening, die zich uitstrekt tot de erin vermelde verwijzingsregel, de materiële geldigheid van het beding te dezen moest worden getoetst aan de Ierse Wet nr. 27/
  4. Het bestreden vonnis dat de geldigheid van het beding slechts heeft getoetst aan de formele voorwaarden van artikel 25 van de Verordening inzake het bestaan van een wilsovereenstemming en nalaat deze materiële geldigheidstoets te doen, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht. Het tweede onderdeel is gegrond. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden. Conclusie: vernietiging met verwijzing. ________________________
(1)Cass. 29 oktober 1992, AR 9386, AC 1991-92, nr. 704; Cass. 20 juni 2001, AR P.00.1309.F ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010620.8, AC 2001, nr. 381; Cass. 2 december 2002, AR S.02.0060.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021202.7, AC 2002, nr. 649.
(2)Cass. 31 januari 1992, AR 7580, Arr.Cass. 1992, nr. 287; Cass. 2 december 2002, AR S.02.0060.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021202.7, AC 2002, nr. 649.
(3)C. PARMENTIER, Comprendre la technique de cassation, Brussel, Larcier, 2011, 143; D. DE ROY, "De procedurele aspecten van de substitutie van motieven door het Hof van Cassatie in burgerlijke zaken", Jaarverslag van het Hof van Cassatie, 2006, 189-190.
(4)Cass. 29 oktober 1992, AR 9386, AC 1991-92, nr. 704; Cass. 2 december 2002, AR S.02.0060.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021202.7, AC 2002, nr. 649; Cass. 10 januari 2003, AR C.01.0260.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030110.6, AC 2003, nr. 22; Cass. 16 december 2005, AR C.03.0128.F ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051216.4 en C.03.0206.F ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051216.4, AC 2005, nr. 679; Concl. van advocaat-generaal Leclercq vóór Cass. 13 december 2004, AR S.04.0025.F ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041213.5, AC 2004, nr. 609; zie D. DE ROY, o.c. in Jaarverslag van het Hof van Cassatie, 2006, 190-191.
(5)Behoudens overeenkomsten waarbij voor één enkele prijs zowel vervoer als verblijf worden aangeboden.
(6)HvJ 27 juni 2000, Océano Grupo, C-240/98-C-244/98; HvJ 4 juni 2009, Pannon, C-243/08; HvJ 9 november 2010, VB Pénzügyi Lízing, C-137/08.
(7)HvJ 27 juni 2000, Océano Grupo, C-240/98-C-244/98, r.o. 22.; HvJ 4 juni 2009, Pannon, C-243/08, r.o. 41; HvJ 9 november 2010, VB Pénzügyi Lízing, C-137/08, r.o. 54.
(8)F. RIGAUX en M. FALLON, Droit international privé, Brussel, Larcier, 2005, 853; R. STEENNOT en S. DEJONGHE, Handboek consumentenbescherming en handelspraktijken, Antwerpen, Intersentia, 2007, 610; R. STEENNOT, "Art. 83, 23°, WER" in Handels- en economisch recht. Bijzondere commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer, 2017, nr. 10; R. STEENNOT, "Rules of jurisdiction and conflict rules relating to online cross-border contracts concerning touristic services provided to consumers", Computer Law & Security Review 2016, 487.
(9)Zo bepaalt artikel 83, 23°, WER dat in overeenkomsten gesloten tussen een onderneming en een consument, bevoegdheidsbedingen in elk geval onrechtmatig zijn "onverminderd de toepassing van de Brussel Ibis-Verordening". Bijlage 1 bij de Ierse omzettingswet nr. 27/1995 bepaalt dat deze wet niet van toepassing is "op bedingen die in overeenstemming zijn met bepalingen of principes van internationale verdragen waarbij de lidstaten of de Unie partij zijn" (dus inclusief de Brussel Ibis-Verordening, die krachtens haar artikel 68, in betrekkingen tussen de lidstaten, in de plaats komt van het EEX-Verdrag van 1968).
(10)G. Lardeux, "Droit international privé des obligations contractuelles", Brussel, Larcier, 2016, 108. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190208.5 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190208.5 citeert: ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010620.8 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021202.7 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030110.6 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041213.5 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051216.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.