id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 22 februari 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190222.3 Rolnummer: F.17.0072.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2019-03-13 Raadplegingen: 419 - laatst gezien 2026-06-19 03:04 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190222.3 Fiche De gelden die een werknemer zich op onrechtmatige wijze toe-eigent ten nadele van zijn werkgever kunnen belastbaar zijn als baten op grond van artikel 27 WIB92 wanneer aan die verduistering een geheel van verrichtingen ten grondslag ligt die voldoende talrijk en onderling verbonden zijn om een gewone en voortgezette bezigheid op te leveren
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - PERSONENBELASTING - Beroepsinkomsten - Baten uit vrije beroepen en uit winstgevende bezigheden Vrije woorden: Winstgevende bezigheid - Verduisterde gelden - Belastbaarheid - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Wetboek van Inkomstenbelastingen - 12-06-1992 - Art. 27 - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Tekst van de conclusie F.17.0072.N Conclusie van advocaat-generaal met opdracht J. Van der Fraenen:
- Situering 1.
- Uit de vaststellingen van het bestreden arrest blijkt dat eerste eiseres werkneemster was bij de NV Frieslandcampina Professional, waar zij tewerkgesteld was als intern boekhoudster/fiscaliste. Sedert 2005 heeft zij een bedrag van in totaal 651.939,81 euro verduisterd ten nadele van haar voormalige werkgever. Zij zorgde er voor dat systematisch te hoge RSZ-bijdragen betaald werden, waarna zij aan de RSZ vroeg het teveel betaalde terug te storten. Daarvoor gaf ze het bankrekeningnummer op van haar echtgenoot. Later werden de aldus ontvangen bedragen overgeschreven naar een spaarrekening op naam van eerste eiseres. Voor deze feiten werd eerste eiseres strafrechtelijk veroordeeld door de correctionele rechtbank te Hasselt bij vonnis van 19 september 2012 dat in graad van beroep bevestigd werd bij arrest van 27 mei 2013 van het hof van beroep te Antwerpen. 1.
- De fiscale administratie vestigde na inzage van het strafdossier aanvullende aanslagen in de personenbelasting voor de aanslagjaren 2006 t/m 2011 waarbij de verduisterde sommen als bezoldigingen van werknemers werden opgenomen en een belastingverhoging van 50 % werd vooropgesteld. De aanslagen werden ingekohierd op 22 maart 2012 voor de aanslagjaren 2006 t/m 2009 en op 10 april 2012 voor de aanslagjaren 2010 en
- Het bezwaar tegen deze aanslagen werd afgewezen bij beslissing van de Gewestelijke Directeur van 10 juni
- De eerste rechter oordeelde onder meer dat de verduisterde sommen belastbaar zijn als baten van een winstgevende bezigheid overeenkomstig art. 27,1° WIB92 en niet als beroepsinkomsten overeenkomstig art. 31 WIB92 en dat het betreffende belastingtarief en berekening van de kosten in aanmerking dient genomen te worden. Verder besliste de eerste rechter dat in geval van herkwalificatie de betwiste aanslagen niet dienden vernietigd te worden vermits de belastbare grondslag bleef bestaan en enkel het belastingtarief en de wijze van berekening zou kunnen worden gewijzigd. Deze zienswijze werd bevestigd door het hof van beroep te Antwerpen bij arrest van 18 oktober
- Het cassatieberoep van eisers tegen dit arrest maakt het voorwerp uit van de huidige cassatieprocedure. Eisers voeren in hun verzoekschrift twee middelen tot cassatie aan.
- Bespreking van het eerste middel 2.
- In het eerste middel wordt aangevoerd dat het bestreden arrest onwettig beslist dat de door eerste eiseres verduisterde gelden belastbaar zijn als een baat, omdat de omstandigheden waarin die illegale handelingen gesteld werden enkel konden plaatsvinden omwille van de tewerkstelling als werknemer, wat zou uitsluiten dat diezelfde handelingen een op zichzelf staande zelfstandige beroepsactiviteit kunnen vormen (schending van de artikelen 23, §1, 2° en 27, 1° WIB92). 2.
- Aan de belastbaarheid op zich van verduisterde gelden kan m.i. niet worden getwijfeld: zowel de wetgever, de rechtspraak als de rechtsleer zijn het er over eens dat voor de belastbaarheid van inkomsten geen onderscheid moet worden gemaakt naargelang de inkomsten de opbrengst vormen van een geoorloofde activiteit of de handeling die aan de basis ligt van de inkomsten al dan niet verboden of strafbaar is. Voor zover de fiscale wet zelf geen onderscheid maakt, moet zij worden toegepast op geoorloofde en ongeoorloofde verrichtingen. M.a.w. wanneer de wet aan een bepaald feit als dusdanig fiscale gevolgen vastknoopt, geeft dat feit aanleiding tot belastingheffing, ook wanneer het zou tot stand gekomen zijn in overtreding van een wettelijke bepaling of middels het plegen van een misdrijf
(1). 2.3. Bij arrest van 28 april 2016 besliste Uw Hof in verenigde kamers dat "het begrip 'bezoldigingen van werknemers' in de zin van voormelde artikelen, (...) niet de gelden (omvat) die een werknemer zich onrechtmatig heeft toegeëigend ten nadele van zijn werkgever, ook al is dit gebeurd bij de uitoefening van de dienstbetrekking waarvoor hij was aangeworven, onverminderd de eventuele belastbaarheid van deze gelden op een andere grondslag"
(2). In een commentaar op dit arrest vraagt VAN CROMBRUGGE zich af wat dan wel de juiste kwalificatie is van de door een werknemer ten nadelen van zijn werkgever verduisterde sommen en ziet hij twee mogelijkheden. Wanneer het gaat om een toevallige verduistering komt alleen de kwalificatie als diverse inkomsten in de zin van artikel 90, 1° WIB92 in aanmerking. Wanneer de verduisteringen systematisch of op georganiseerde wijze plaatsvonden, heeft met te maken met een winstgevende bezigheid in de zin van artikel 27 WIB92
(3). 2.4. Krachtens artikel 27, eerste lid WIB92 zijn baten alle inkomsten uit een vrij beroep, een ambt of post en alle niet als winst of als bezoldigingen aan te merken inkomsten uit een winstgevende bezigheid. De wetgever heeft derhalve een restcategorie van "andere inkomsten uit een winstgevende bezigheid" als baten gedefinieerd, met de bedoeling elke werkzaamheid met een bedrijfskarakter belastbaar te stellen. Een winstgevende bezigheid impliceert een geheel van verrichtingen die zich vaak genoeg voordoen en met elkaar verbonden zijn om een voortdurende en gewone bedrijvigheid op te leveren en die niet bestaan in het normaal beheer van het privé-vermogen
(4). De gelden die een werknemer zich op onrechtmatige wijze heeft toegeëigend ten nadele van zijn werkgever zullen derhalve belastbaar zijn als baten op grond van artikel 27 WIB92 wanneer aan die verduistering een geheel van verrichtingen ten grondslag ligt die voldoende talrijk en onderling verbonden zijn. De vraag of er al dan niet sprake is van een geheel van verrichtingen die voldoende talrijk en onderling verbonden zijn om een gewone en voortgezette bezigheid met beroepskarakter uit te maken, betreft grotendeels een feitelijke beoordeling waartoe Uw Hof niet bevoegd is. 2.
- Het loutere feit dat de verduistering van gelden door een werknemer ten nadele van zijn werkgever enkel mogelijk was door het uitoefenen van de dienstbetrekking als werknemer, sluit m.i. op zich niet het bestaan van een winstgevende bezigheid in de zin van artikel 27 WIB92 uit. Het verduisteren zelf van de gelden maakt immers op zichzelf geen deel uit van de beroepswerkzaamheid van de werknemer als zodanig; het is veeleer een nevenactiviteit die in het verlengde ervan ligt en die als een zelfstandige activiteit kan worden beschouwd. Het middel dat van het tegendeel uitgaat faalt m.i. naar recht.
- Bespreking van het tweede middel 3.
- Eisers voeren in het tweede middel aan dat de appelrechters door de betwiste aanslagen, die werden gevestigd in strijd met de wet, omdat de door eiseres verduisterde gelden niet onder hun juiste kwalificatie werden belast, welke onwettigheid valt onder het toepassingsgebied van artikel 356 WIB92 nu dit een andere regel dan verjaring is -, niet te vernietigen, het door de grondwet in de artikelen 10, 11, 170, 171 en 172 voorziene gelijkheidsbeginsel en het discriminatieverbod schenden waar ze in hun toepassing van de wet zonder redelijke verantwoording een onderscheid maken bij de belastingplichtigen die het voorwerp uitmaken van een betwiste aanslag waarin een belastingverhoging van 50 % of meer werd opgelegd, - zoals eerste eiseres -, tussen enerzijds zij die, krachtens artikel 415, §1, 2° WIB92 geen nalatigheidsintresten meer verschuldigd zijn op de in uitvoering van artikel 356 WIB92 vernietigde aanslagen, enkel nog vanaf het invorderbaar verklaren door het gerecht van de op te leggen subsidiaire aanslag en anderzijds zij die, wiens even onwettige betwiste aanslag niet vernietigd, maar enkel herberekend wordt en waardoor de nalatigheidsintresten onveranderd verschuldigd blijven conform 414, §1, lid 1 WIB92 sedert de wanbetaling binnen de artikelen 412 en 413 WIB92 (schending van de artikelen 11, 11, 170, 171 en 172 van de Gecoördineerde Grondwet en de artikelen 23, 27, 30, 31, 355, 356, 412, 413, 414, §1, lid 1, en 415, §1, lid 1, en 415, §1, lid 1, 2° en 3° WIB92 en artikel 569, 32° Ger.W.). 3.
- Uit de stukken waarop Uw Hof vermag acht te slaan, blijkt naar mijn mening niet of, en in voorkomend geval vanaf wanneer, van eerste eiseres bij toepassing van artikel 414, §1, eerste lid, WIB92 nalatigheidsintresten worden gevorderd met betrekking tot de litigieuze aanslagen. Het middel lijkt mij te nopen tot een onderzoek van feiten waartoe Uw Hof niet bevoegd is en komt mij bijgevolg in zoverre niet ontvankelijk voor. De prejudiciële vraag die steunt op een niet ontvankelijke grief, lijkt mij niet te moeten gesteld.
- Besluit: VERWERPING __________________________
(1)Concl. van procureur-generaal THIJS, D. bij Cass. 28 april 2016, AR F.15.0078.N-F.16.0003.N, AC 2016, nr. 290, ECLI:BE:CASS:2016:CONC.20160428.3.
(2)Cass. 28 april 2016, AR F.15.0078.N-F.16.0003.N, AC 2016, nr. 290, ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160428.3.
(3)VAN CROMBRUGGE, S., "Verduisterde sommen zijn geen bezoldigingen", Fiscoloog, 2013, nr. 1326, 4.
(4)Cass. 6 mei 1969, AC, 1969, 866, ECLI:BE:CASS:1969:ARR.19690506.3, Cass. 7 december 2000, AR F.99.0126.F, AC 2000, nr. 676, ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001207.9, Cass. 14 december 2007, AR F.06.0055.F, AC 2007, nr. 636, ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071214.2 PDF document ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190222.3 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190222.3 citeert: ECLI:BE:CASS:1969:ARR.19690506.3 ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001207.9 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071214.2 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160428.3 ECLI:BE:CASS:2016:CONC.20160428.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div