id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 08 maart 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190308.1 Rolnummer: C.16.0130.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2019-03-26 Raadplegingen: 617 - laatst gezien 2026-06-29 08:45 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190308.1 Fiches 1 - 2 Uit de artikelen 19, eerste en tweede lid, 23, 616 en 1050 Gerechtelijk Wetboek volgt dat de exceptie van het gewijsde verhindert dat partijen opnieuw een hoger beroep met hetzelfde voorwerp instellen wanneer in hoger beroep reeds een einduitspraak werd gedaan over de vorderingen van partijen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN (HANDELSZAKEN EN SOCIALE ZAKEN INBEGREPEN) - Beslissingen en partijen Vrije woorden: Einduitspraak - Nieuw hoger beroep met hetzelfde voorwerp - Gevolg Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 19, eerste en tweede lid, 23, 616 en 1050 Thesaurus CAS: RECHTERLIJK GEWIJSDE - GEZAG VAN GEWIJSDE - Burgerlijke zaken Vrije woorden: Exceptie van het gewijsde - Einduitspraak - Nieuw hoger beroep met hetzelfde voorwerp - Gevolg Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 19, eerste en tweede lid, 23, 616 en 1050 Fiches 3 - 4 Uit de artikelen 19, eerste en tweede lid, 23, 616 en 1050 Gerechtelijk Wetboek volgt dat de exceptie van rechtsmacht verhindert dat de rechter in hoger beroep terugkomt op een definitieve beslissing waaromtrent zijn rechtsmacht is uitgeput
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN (HANDELSZAKEN EN SOCIALE ZAKEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Vrije woorden: Eerder definitieve beslissing - Nieuw hoger beroep met hetzelfde voorwerp - Gevolg Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 19, eerste en tweede lid, 23, 616 en 1050 Thesaurus CAS: BEVOEGDHEID EN AANLEG - BURGERLIJKE ZAKEN - Bevoegdheid - Algemeen Vrije woorden: Rechtsmacht - Exceptie van rechtsmacht - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 19, eerste en tweede lid, 23, 616 en 1050 Fiche 5 De artikelen 19, eerste en tweede lid, 23, 616 en 1050 Gerechtelijk Wetboek verhinderen niet dat een partij opnieuw hoger beroep instelt zolang er geen definitieve uitspraak is gedaan over het eerste hoger beroep en zonder dat de partij ertoe verplicht is de uitspraak over dit hoger beroep af te wachten
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN (HANDELSZAKEN EN SOCIALE ZAKEN INBEGREPEN) - Beslissingen en partijen Vrije woorden: Hoger beroep - Nieuw hoger beroep met hetzelfde voorwerp - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 19, eerste en tweede lid, 23, 616 en 1050 Fiches 6 - 7 Wanneer na een cassatieberoep de bestreden beslissing wordt vernietigd, dan worden de partijen binnen de perken ervan, voor de rechter naar wie de zaak overeenkomstig artikel 1110 Gerechtelijk Wetboek is verwezen, teruggeplaatst in dezelfde positie als waarin zij zich bevonden voor de rechter wiens beslissing werd vernietigd, waarbij de verwijzing geen nieuw geding doet ontstaan, maar de voortzetting is van het geding voorafgaand aan het cassatieberoep zodat hieruit volgt dat, wanneer een cassatiearrest een beslissing in hoger beroep vernietigt met verwijzing, er ingevolge die vernietiging geen definitieve beslissing voorhanden is over het hoger beroep en dat dit appelgeding verder zijn verloop kent voor de verwijzingsrechter
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: CASSATIE - VERNIETIGING. OMVANG - Burgerlijke zaken Vrije woorden: Vernietiging met verwijzing - Geding voor de verwijzingsrechter in hoger beroep - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1110 Thesaurus CAS: VERWIJZING NA CASSATIE - BURGERLIJKE ZAKEN Vrije woorden: Geding voor de verwijzingsrechter in hoger beroep - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1110 Fiche 8 Uit de artikelen 820 en 826, eerste lid Gerechtelijk wetboek volgt dat wanneer de eiser in hoger beroep afstand van het geding in hoger beroep doet, hij het recht zelf om opnieuw hoger beroep in te stellen niet prijsgeeft
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: AFSTAND (RECHTSPLEGING) - AFSTAND VAN GEDING Vrije woorden: Afstand van het geding in hoger beroep - Gevolg Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 820 en 826, eerste lid Fiches 9 - 11 Uit de artikelen 19, eerste en tweede lid, 23, 616, 820, 826, eerste lid, 1050 en 1110 Gerechtelijk Wetboek volgt dat zolang er in hoger beroep geen definitieve uitspraak is gedaan over de vorderingen van partijen, weze dit ten gevolge van het casseren van een eerste appelbeslissing, een partij, nadat deze een eerste hoger beroep heeft ingesteld dat door een vormgebrek is aangetast, opnieuw hoger beroep kan instellen en afstand kan doen van het aanvankelijke hoger beroep
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN (HANDELSZAKEN EN SOCIALE ZAKEN INBEGREPEN) - Beslissingen en partijen Vrije woorden: Hoger beroep - Nieuw hoger beroep met hetzelfde voorwerp - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 19, eerste en tweede lid, 23, 616, 820, 826, eerste lid, 1050 en 1110 Thesaurus CAS: VERWIJZING NA CASSATIE - BURGERLIJKE ZAKEN Vrije woorden: Cassatie van een eerste appelbeslissing - Geding voor de verwijzingsrechter - Nieuw hoger beroep met hetzelfde voorwerp - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 19, eerste en tweede lid, 23, 616, 820, 826, eerste lid, 1050 en 1110 Thesaurus CAS: AFSTAND (RECHTSPLEGING) - AFSTAND VAN GEDING Vrije woorden: Cassatie van een eerste appelbeslissing - Geding voor de verwijzingsrechter - Nieuw hoger beroep met hetzelfde voorwerp - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 19, eerste en tweede lid, 23, 616, 820, 826, eerste lid, 1050 en 1110 Tekst van de conclusie C.16.0130.N Conclusie van advocaat-generaal Ria Mortier
- Feiten en procedure Uit de stukken waarop mag worden acht geslaan blijken volgende gegevens. Verweerster vorderde voor de rechtbank van koophandel te Dendermonde de veroordeling van eiseres tot terugbetaling van geleende gelden. Bij vonnis van 26 september 2006 werd deze vordering gegrond verklaard. Het hoger beroep van eiseres werd bij arrest van 6 oktober 2008 door het hof van beroep te Gent ontvankelijk en gegrond verklaard. Uw Hof vernietigde dit arrest op 16 november 2009 op de grond dat de appelrechters de Taalwet in gerechtszaken hadden geschonden door vast te stellen dat een in een vreemde taal gesteld citaat uit een notariële akte waarvan geen vertaling in het Nederlands is gevoegd een onderdeel vormt van de argumentatie in de beroepsakte, maar die beroepsakte niet nietig is omdat het citaat dient ter ondersteuning van een argumentatie die wel in het Nederlands is gesteld. De zaak werd verwezen naar het hof van beroep te Antwerpen. Verweerster liet eiseres dagvaarden voor het hof van beroep te Antwerpen en vorderde in hoofdorde de nietigheid van de beroepsakte uit te spreken en het hoger beroep onontvankelijk te verklaren. Eiseres vroeg eerst bij conclusie van 28 juni 2010 en nadien bij syntheseconclusie van 24 mei 2013 akte van afstand van geding zonder afstand van rechten. Deze afstand werd ondanks verzet van verweerster ingewilligd door het hof van beroep bij arrest van 21 november
- Bij verzoekschrift van 5 juli 2010 had eiseres voor het hof van beroep te Gent reeds opnieuw hoger beroep ingesteld tegen het oorspronkelijk vonnis van de rechtbank van koophandel. Bij arrest van 29 juni 2015 verklaart het hof van beroep te Gent dit hoger beroep niet ontvankelijk. De appelrechters doen dit op twee gronden: - Ingevolge het verwijzingsarrest beschikt enkel het hof van beroep te Antwerpen over de rechtsmacht om over het hoger beroep te oordelen; de rechtsmacht van het hof van beroep te Gent is uitgeput door het arrest van 6 oktober
- - De nog hangende beroepsprocedure voor het hof van beroep te Antwerpen belet dat een vordering tussen dezelfde partijen, met dezelfde oorzaak en hetzelfde voorwerp nogmaals voor een andere instantie wordt gebracht. Tegen dit arrest voert eiseres één middel aan.
- Bespreking 2.
- Verweerster voert in de memorie van antwoord aan dat het middel niet ontvankelijk is, nu eiseres geen schending aanvoert van artikel 29 Ger.W. inzake de regel van aanhangigheid. Krachtens dit artikel bestaat aanhangigheid telkens wanneer vorderingen met hetzelfde voorwerp en wegens dezelfde oorzaak worden ingesteld tussen dezelfde partijen die in dezelfde hoedanigheid optreden voor verschillende rechtbanken, bevoegd om daarvan kennis te nemen en geroepen om in eerste aanleg uitspraak te doen. Aanhangigheid betreft met andere woorden "vorderingen" die aanleiding geven tot verwijzingsprioriteit in eerste aanleg maar betreffen niet zoals te dezen achtereenvolgende procedures in hoger beroep. Het oordeel van de appelrechters steunt niet op de regel van aanhangigheid maar op (een onjuiste uitbreiding van) de regel van het gezag van gewijsde die verhindert dat een vordering opnieuw wordt ingesteld. De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen. 2.
- De zaak die voorligt raakt enerzijds aan de grenzen van de bevoegdheid van de rechter op verwijzing en anderzijds aan de mogelijkheid voor een partij om een tweede, herstellende beroepsakte in te dienen, en de interactie tussenbeide. Het raakt ook aan het onderscheid tussen de begrippen "gezag van het rechterlijk gewijsde" en "uitputting van rechtsmacht" en de gevolgen daarvan, dit alles zoals van toepassing gelet op de periode waarin de betwiste procedurehandelingen werden gesteld. 2.
- De exceptie van uitputting van rechtsmacht zoals bepaald in artikel 19 Ger.W. verzet er zich tegen dat de rechter, op straffe van machtsoverschrijding, terugkomt op eerder door hem definitief beslechte geschilpunten zelfs indien dit zou gebeuren met het akkoord van partijen. Deze regel raakt de openbare orde en de rechter moet bijgevolg ambtshalve weigeren andermaal uitspraak te doen over wat hij reeds heeft beslist
(1). Iedere eindbeslissing is bekleed met het gezag van gewijsde vanaf de uitspraak. Het gezag van gewijsde raakt de openbare orde niet
(2)zodat de rechter niet ambtshalve de exceptie van gewijde kan opwerpen
(3). Enkel een partij kan dit, krachtens artikel 27, eerste lid Ger.W. in elke stand van het geding. Het gezag van gewijsde van de einduitspraak verhindert dat de vordering opnieuw wordt ingesteld. Het gezag van gewijsde blijft bestaan zolang de beslissing niet ongedaan is gemaakt. Deze beginselen neergelegd in de artikelen 24 tot 26 Ger.W. verzetten er zich dus tegen dat partijen na een einduitspraak over hun vorderingen in hoger beroep een tweede maal hoger beroep instellen met hetzelfde voorwerp. Wat de rechter definitief heeft beslist, mag immers niet meer ter discussie komen om zowel de stabiliteit van het recht en van de rechtsbetrekkingen als een goede rechtspleging te garanderen
(4). Het gezag van gewijsde strekt zich echter niet verder uit dan tot wat het voorwerp van de beslissing heeft uitgemaakt. De beoordeling van de eis door de eerste rechter is namelijk een wezenlijk onderdeel van het gezag van gewijsde. Onderzocht moet dus worden of de nieuwe aanspraak kan worden ingewilligd zonder het voordeel van de vorige beslissing ongedaan te maken
(5). Voormelde beginselen staan er op zich echter niet aan in de weg dat indien geen definitieve uitspraak in hoger beroep over de gestelde vorderingen voorligt een partij opnieuw hoger beroep instelt. 2.4. Krachtens artikel 1110, eerste en tweede lid Ger.W. heeft, ingeval cassatie met verwijzing wordt uitgesproken, deze verwijzing plaats naar het gerecht in hoogste feitelijke aanleg van dezelfde rang als datgene dat de bestreden beslissing gewezen heeft en wordt deze voor het aangewezen gerecht aanhangig gemaakt zoals een gewone zaak. Cassatie met verwijzing plaatst de partijen, binnen de grenzen van de cassatie, terug in de staat waarin zij zich bevonden voor de rechter wiens beslissing is vernietigd. De verwijzing doet geen nieuw geding ontstaan, maar is de voortzetting van het geding vóór het cassatieberoep
(6). Dit heeft voor gevolg dat ingevolge de vernietiging er nog geen definitieve beslissing bestaat over dit hoger beroep en het geding zijn verder verloop kent voor de verwijzingsrechter. Het staat aan de rechter op verwijzing om te bepalen in hoeverre hij van de zaak kennisneemt, zulks onder toezicht van Uw Hof in geval van cassatieberoep
(7). De aangewezen rechter mag het geschil slechts opnieuw beoordelen rekening houdend met de draagwijdte van de door het Hof uitgesproken vernietiging. Slechts binnen die grenzen komt hem rechtsmacht toe
(8). De rechter op verwijzing mag zijn taak evenwel niet te beperkend opvatten en niet louter de fout herstellen van de rechter wiens beslissing vernietigd werd, maar hij moet in diens plaats een volledige beslissing nemen in de mate waarin de zaak bij hem aanhangig is
(9). Immers volgens de geest en de algemeenheid van de bewoordingen van artikel 1110, eerste lid Ger.W. mag het wettelijk gevolg van de verwijzing na cassatie niet worden beperkt tot het onderzoek van het vernietigde dictum, maar dient het gehele proces, in zoverre het nog moet worden beslecht, voor de rechter op verwijzing te komen
(10). De partijen zijn vrij om, binnen de grenzen van de verwijzing, het geschil opnieuw te pleiten voor de rechter op verwijzing, hem nieuwe feiten voor te leggen en nieuwe argumenten aan te voeren, of zelfs indien zij dat nog op een ontvankelijke wijze kunnen doen, hoger beroep in te stellen tegen beschikkingen van het beroepen vonnis die zij vooralsnog niet hadden bekritiseerd
(11). De partij die zoals te dezen geconfronteerd wordt met een arrest van uw Hof waarbij wordt geoordeeld dat de appelrechters ten onrechte de akte hoger beroep niet nietig verklaard hebben, heeft bij een dergelijke verderzetting van het geding voor de verwijzingsrechter weinig baat. De nietige akte hoger beroep betreft immers een vormgebrek dat de uitkomst van het geding zal blijven bepalen. Niets belet evenwel dat deze partij voor de verwijzingsrechter overeenkomstig artikel 820 Ger.W. afstand doet van het voortgezet geding. Afstand van geding is immers krachtens artikel 823, tweede lid Ger.W. geoorloofd in alle zaken. De gevolgen van die afstand zijn tweeledig. 1.Enerzijds wordt hiermee louter afstand gedaan van de rechtspleging die die partij was begonnen en geeft zij niet het recht zelf prijs om nogmaals hoger beroep aan te tekenen. De zaken tussen de betrokken partijen worden krachtens artikel 826, eerste lid Ger.W. van rechtswege over en weer in dezelfde staat teruggebracht alsof er geen geding was geweest. De afstand belet met andere woorden niet dat de vordering later opnieuw wordt ingesteld, tenzij zij om een andere reden is uitgedoofd. Zo zal wanneer op het ogenblik waarop afstand van geding in hoger beroep wordt gedaan, het hoger beroep niet meer opnieuw kan worden ingesteld omdat de termijn daarvoor is verstreken, dit neerkomen op een berusting in het beroepen vonnis
(12). Indien het vonnis waartegen een eerste maal hoger beroep werd aangetekend niet betekend werd aan de eiser, beschikt deze dus nog steeds over de vereiste termijn om rechtsgeldig opnieuw hoger beroep aan te tekenen. In het specifieke geval dat een akte nietig verklaard wordt wegens overtreding van de Taalwet, stuit die akte de verjaring en de termijnen van rechtspleging toegekend op straffe van verval. Deze akten kunnen dan ook in de regel worden overgedaan buiten de termijn die daarvoor desgevallend was opgelegd, voor zover de nieuwe akten zijn opgemaakt zonder de vastgestelde schending van de Taalwet in gerechtszaken
(13). 2.Anderzijds doet de verwijzingsrechter die deze afstand aanvaardt, over het geding dat voor hem hangend is uitspraak en put hij hiermee zijn rechtsmacht uit. Wanneer de rechter akte neemt van de afstand van geding, mag hij over geen enkel onderdeel van de eis uitspraak doen ten gronde
(14). Nieuwe initiatieven, zoals het opnieuw instellen van hoger beroep of eventuele moeilijkheden die nadien tussen partijen zouden kunnen rijzen dienen dan niet meer voorgelegd te worden aan de verwijzingsrechter maar wel aan de oorspronkelijk bevoegde rechter
(15). De beslissing van uw Hof tot vernietiging met verwijzing betreft immers het geding in hoger beroep dat werd ingeleid door de eerste akte hoger beroep. In dit appelgeding is de verwijzing bindend, hebben partijen geen forumkeuze en dienen zij het geding verder te zetten voor de verwijzingsrechter. Indien dit geding wordt gestopt door een aanvaarde afstand van geding leidt een nieuwe, tweede akte hoger beroep een nieuw geding in hoger beroep in. Dit nieuw geding is te onderscheiden van de rechtspleging die hangend was bij de rechter op verwijzing en waarover hij zijn rechtsmacht heeft uitgeput. 2.5. Eiseres voert dus terecht aan dat geen enkele wettelijke bepaling haar enerzijds verbiedt om indien een ingesteld hoger beroep door een vormgebrek is aangetast, afstand te doen van dit geding en opnieuw een hoger beroep in te stellen. Ook waar zij aanvoert dat geen enkele wettelijke bepaling haar anderzijds verplicht met dit tweede hoger beroep te wachten tot wanneer over het eerste hoger beroep uitspraak werd gedaan komt het middel gegrond voor. Die mogelijkheid is om redenen van proceseconomie ook te verantwoorden, zeker in het geval van het remediëren van een eerste onregelmatige akte, gezien het herstel en de voortgang van de procedure veel vlotter zal verlopen dan wanneer moet gewacht worden op een formele uitspraak omtrent de eerste akte. Ook wat een tweede voorziening in cassatie betreft oordeelt uw Hof
(16)in recentere rechtspraak
(17)dat de voorziening in cassatie die gericht is tegen een arrest van het hof van beroep waartegen reeds eerder een cassatieberoep werd ingesteld, ontvankelijk is wanneer eiser in cassatie na de neerlegging van het tweede cassatieberoep afstand gedaan heeft van zijn eerste cassatieberoep. 2.6. Het middel komt bijgevolg gegrond voor. Conclusie: vernietiging met verwijzing. ___________________
(1)J. Laenens e.a., Handboek gerechtelijk recht, Intersentia, 2016, nr. 274.
(2)Cass. 21 juni 1990, AR 8680, Arr.Cass. 1990, nr. 615.
(3)Artikel 27, tweede lid Ger.W.
(4)HvJ, 3 september 2009, Fallimento Olimpiclub, C-2/08, r.o. 22.
(5)J. Laenens e.a., Handboek gerechtelijk recht, Intersentia, 2016, nr. 277.
(6)Cass. 7 november 2014, AR C.14.0122.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141107.7, AC 2014, nr. 683.
(7)Cass. 15 maart 2007, AR C.05.0571.F ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070315.6, AC 2007, nr. 139; Cass.11 oktober 2012, AR C.10.0711.F ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121011.2, AC 2012, nr. 524.
(8)P. Taelman, Het gezag van het rechterlijk gewijsde, een begrippenstudie, Kluwer, 2001, nr. 176.
(9)Cass. 30 september 2013, AR C.12.0345.F ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130930.3, AC 2013, nr. 490.
(10)Cass. 12 juni 2015, AR F.13.0108.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150612.1, AC 2015, nr. 391.
(11)Cass. 5 maart 2015, AR C.13.0358.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150305.6, AC 2015, nr. 161.
(12)Cass. 23 juni 2016, AR C.13.0573.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160623.1, AC 2016, nr. 417.
(13)D. Lindemans, Eentalige burgerlijke procesvoering : wat met de anderstalige of meertalige proceshandelingen en anderstalige of meertalige stukken, in De taal van het proces, Vlaams Pleitgenootschap bij de Balie te Brussel, 2011, 28, nr. 2.
(14)Cass. 26 maart 2010, AR C.09.0534.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100326.3, AC 2010, nr. 224.
(15)Vgl. J. Boré, La cassation en matière civile, nr. 3615.
(16)Wat het cassatieberoep betreft zie artikel 1082, tweede lid en derde lid Ger.W.; Zie ook de evolutie in de rechtspraak van Uw Hof waarbij aanvankelijk volgens constante rechtspraak werd geoordeeld dat na een eerste voorziening geen andere wordt toegelaten, ook wanneer het tweede cassatieberoep wordt ingesteld voordat over het eerste uitspraak is gedaan, nadien impliciet werd aanvaard dat wanneer twee cassatieberoepen worden ingesteld waarvan één onregelmatig en één regelmatig en daarna afstand wordt gedaan van de onregelmatige voorziening, het Hof akte verleent van de afstand van de eerste, onregelmatige, voorziening en uitspraak doet over de tweede (Zie o.a. concl. van procureur-generaal H. Lenaerts vóór Cass. 25 april 1983, AR 3772 en 3773, Arr.Cass. 1983, nr. 465.
(17)Cass. 13 februari 2015, AR F.14.0049.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150213.8, AC 2015, nr. 114. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190308.1 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190308.1 citeert: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070315.6 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100326.3 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121011.2 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130930.3 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141107.7 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150213.8 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150305.6 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150612.1 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160623.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div