← België

ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190308.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 08 maart 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190308.2 Rolnummer: C.16.0481.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige - Constitutioneel recht - Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-03-26 Raadplegingen: 456 - laatst gezien 2026-06-29 08:50 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190308.2 Fiches 1 - 2 Aan de rechter die kennisneemt van een geschil op verwijzing komt slechts rechtsmacht toe binnen de grenzen van de cassatie, waarbij de omvang van de cassatie in de regel beperkt is tot de draagwijdte van het middel dat ten grondslag ligt aan de vernietiging, zij het met inbegrip van de nauw verband houdende beslissingen en van beslissingen die van de vernietigde beslissing en het gevolg zijn, en het in die stand van de rechtspleging aan de verwijzingsrechter staat over die omvang te beslissen ongeacht de door het Hof gebruikte bewoordingen

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: CASSATIE - VERNIETIGING. OMVANG - Burgerlijke zaken Vrije woorden: Verwijzingsrechter - Kennisname van het geschil - Omvang van de cassatie - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1110 Thesaurus CAS: VERWIJZING NA CASSATIE - BURGERLIJKE ZAKEN Vrije woorden: Verwijzingsrechter - Kennisname van het geschil - Omvang van de cassatie - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1110 Fiches 3 - 4 Het begrip "milieubelastende industrie" wordt gedefinieerd in artikel 8, 2.1.2. van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen, waaruit volgt dat het de uitvoerende macht in het kader van een voorgenomen onteigening niet is toegelaten om een onderneming die niet beantwoordt aan de criteria van voormeld artikel niettemin te kwalificeren als een milieubelastende industrie in een ontwerp-gewestplan of gewestplan door middel van een aanduiding op een kaart
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: MACHTEN - UITVOERENDE MACHT Vrije woorden: Koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen - Kwalificatie van een inrichting - Bevoegdheid van de uitvoerende macht - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 28-12-1972 - Art. 8, 2.1.2 - 30 ELI link Pub nr 1972122803 Thesaurus CAS: STEDENBOUW - ONTEIGENING Vrije woorden: Koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen - Kwalificatie van een inrichting - Onteigening - Bevoegdheid van de uitvoerende macht - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 28-12-1972 - Art. 8, 2.1.2 - 30 ELI link Pub nr 1972122803 Fiche 5 Het cassatieberoep dat opkomt tegen een beslissing van de appelrechter die in overeenstemming met het eerste cassatiearrest oordeelt dat een tuinbouwveiling geen industrie of industrieel bedrijf is in de zin van de artikelen, 7 en 8 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen, is ingevolge artikel 1119, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek niet toelaatbaar
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN - Beslissingen vatbaar voor cassatieberoep - Beslissingen waartegen reeds cassatieberoep is ingesteld Vrije woorden: Cassatie met verwijzing - Verwijzingsrechter - Beslissing die in overeenstemming is met het cassatiearrest - Nieuwe voorziening in cassatie - Gevolg Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1119, tweede lid Tekst van de conclusie C.16.0481.N Conclusie van advocaat-generaal Ria Mortier
  1. Feiten en procedure Bij Ministerieel besluit van 10 juni 1997 werd door de Vlaams Minister van Openbare werken, vervoer en ruimtelijke ordening aan eiseres machtiging tot onteigenen verleend. Er werd ook aangenomen dat het een onteigening tot openbaar nut betrof. De te onteigenen percelen, eigendom van verweerders, zijn volgens het gewestplan Mechelen gelegen in een gebied voor milieubelastende industrie. Ze liggen vlak naast de gronden van de coöperatieve vennootschap VMW (Vennootschap Mechelse Veilingen). Eiseres liet verweerders dagvaarden tot onteigening bij hoogdringendheid waarop de vrederechter bij vonnis van 29 oktober 1999 een provisionele onteigeningsvergoeding bepaalde, de gronden in bezit werden genomen door de Vereniging van Mechelse veilingen, en de vrederechter bij vonnis van 19 november 2003 de voorlopige onteigeningsvergoeding bepaalde. Een procedure tot herziening die in 2004 door verweerders werd opgestart werd bij vonnis van 7 februari 2007 ongegrond verklaard. Verweerders voerden in dit verband aan dat de onteigening onwettig is. In ondergeschikte orde werd voorgesteld aan het Hof van Justitie een prejudiciële vraag te stellen of artikel 30 van de wet op de economische expansie het EG-verdrag niet schendt in zoverre het onteigening mogelijk maakt tegen een vergoeding die lager ligt dan de marktwaarde wanneer de onteigening er op gericht is die gronden na onteigening onmiddellijk over te dragen aan een private handelsvennootschap. Verweerders tekenden tegen deze beslissing hoger beroep aan en voerden hierbij opnieuw de onwettigheid van de onteigening aan, dienvolgens de toekenning van een schadevergoeding en ondergeschikt het stellen van een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie met name of het Ministerieel besluit geen verboden steunmaatregel betreft. Het hof van beroep te Antwerpen verklaarde het hoger beroep bij arrest van 9 december 2008 ongegrond. Tegen dit arrest tekenden verweerders cassatieberoep aan. Verweerders voerden hierbij twee middelen aan. Bij arrest van 29 maart 2013 vernietigde uw Hof het bestreden arrest op grond van het tweede middel, deed het geen uitspraak over het eerste middel en verwees de zaak naar het hof van beroep te Brussel. Bij het thans bestreden arrest van 5 januari 2016 oordeelde het hof van beroep te Brussel dat de onteigening onwettig is. Tegen dit arrest voert eiseres drie middelen aan.
  2. Bespreking 2.
  3. In het eerste middel voert eiseres aan dat hoewel de vernietiging in het dictum van het arrest van uw Hof niet werd beperkt, deze vernietiging enkel werd uitgesproken op het tweede middel en dus enkel de in dit middel aangevoerde grond werd vernietigd, namelijk de beslissing omtrent de waardebepaling. Uit het feit dat geen uitspraak werd gedaan over het eerste middel kan aldus eiseres niet afgeleid worden dat de beslissing omtrent de onwettigheid van de onteigening mee vernietigd werd zodat de appelrechters ten onrechte beslisten tot de onwettigheid van de onteigening nu zij hierover geen rechtsmacht hadden. 2.
  4. Indien cassatie met verwijzing wordt uitgesproken heeft deze verwijzing overeenkomstig het bepaalde in artikel 1110, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek plaats naar het gerecht in hoogste feitelijke aanleg van dezelfde rang als datgene dat de bestreden beslissing gewezen heeft. Indien Uw Hof zonder enige beperking de vernietiging uitspreekt, geeft het hiermee in de regel aan dat de vernietiging volledig is
(1). Hoewel uit de bewoordingen van het dictum van het arrest van 29 maart 2013 volgt dat de beslissing van de appelrechters zonder enige beperking werd vernietigd, betwist eiseres dit. Zij steunt zich hierbij op de regels die uw Hof in zijn rechtspraak heeft ontwikkeld en waarbij werd aangenomen dat hoewel Uw Hof in de regel zelf de omvang van de cassatie aangeeft, het de verwijzingsrechter is die, onder toezicht van het Hof
(2), de omvang van de cassatie zal moeten bepalen
(3), en dit ongeacht de door Uw Hof gebruikte bewoordingen. De rechter die kennisneemt van een geschil op verwijzing na gedeeltelijke cassatie, moet dus zelf vaststellen in welke mate de zaak bij hem aanhangig is
(4). Er komt hem dan slechts rechtsmacht toe binnen de grenzen van de verwijzing en deze verwijzing is in beginsel beperkt tot de omvang van de vernietiging. Er van uitgaand dat partijen zelf bepalen tegen welke beslissingen zij in cassatie wensen op te komen
(5), geldt in de regel dat de vernietiging, ongeacht de door het Hof gebruikte bewoordingen, beperkt is tot de punten van de beslissing waartegen het cassatieberoep is gericht
(6)en dus tot de draagwijdte van het middel dat er aan ten grondslag ligt. Nochtans kent deze regel een aantal belangrijke temperingen. Zo zal, hoewel uw Hof slechts kennisneemt van de punten van de beslissing die in het inleidende verzoekschrift zijn vermeld en de omvang van de vernietiging in de regel beperkt is tot de draagwijdte van het middel waarop deze gegrond is, de vernietiging van een punt van het dictum evenwel het hele dictum raken, ongeacht de reden voor die vernietiging
(7). Zo zal de rechter op verwijzing bevoegd zijn om uitspraak te doen over een hem voorgelegd geschil, dat beslecht is door een ander dictum van de vernietigde beslissing dan hetwelk door het cassatieberoep is bestreden, wanneer het, uit het oogpunt van de omvang van de vernietiging, niet onderscheiden was van het bestreden dictum
(8). Zo zal de vernietiging van een dictum zich uitstrekken tot een ander dictum van de bestreden beslissing, wanneer de rechter tussen beide dicta een nauw verband heeft gelegd
(9). Zo zal wanneer twee middelen tot staving van het cassatieberoep worden voorgedragen, beide middelen gericht waren tegen hetzelfde dictum van het bestreden arrest, het Hof het eerste middel gegrond verklaart maar niets zegt over het tweede middel, -het dus niet verwerpt en evenmin zegt of het al dan niet gegrond is-, de gegrondbevinding van dat ene middel leiden tot de volledige vernietiging van het dictum van het bestreden arrest
(10). Zo worden dus samen met de vernietigde beslissing ook de beslissingen die er het gevolg van zijn, de vanuit het oogpunt van de cassatie onafscheidbare beslissingen, alsook de beslissingen die hiermee volgens de vaststellingen van de bestreden beslissing, in nauw verband staan
(11)mee vernietigd. 2.
  1. Uit de stukken waarop mag worden acht geslaan blijkt dat in de cassatievoorziening die aanleiding gaf tot het arrest van 29 maart 2013 twee middelen werden aangevoerd. Het eerste middel had betrekking op het oordeel van de appelrechters dat niet kon besloten worden tot de onwettigheid van het onteigeningsbesluit op de grond dat verboden staatssteun werd toegekend. Het tweede middel kwam onder meer op tegen het oordeel van de appelrechters dat een tuinbouwveiling vanuit planologisch oogpunt kon aangemerkt worden als een milieubelastende industrie in de zin van artikel 8.2.1.
  2. van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen zodat de onteigening strekte tot realisatie van het gewestplan en in het kader van de waardebepaling niet de waardering van de terreinen als industriegrond maar als landbouwgrond moest in acht genomen worden. Het hof van beroep te Antwerpen oordeelde in dit verband onder andere dat de overheden en openbare rechtspersonen die op grond van artikel 30 van de wet van 30 december 1970 tot onteigening van onroerende goederen overgaan voor de aanleg van industrie-, ambacht- of dienstenterreinen, zulks slechts vermogen wettig te doen indien de onteigening strookt met de bestemming door het vigerende plan van aanleg gegeven en zij in dat geval voor de bepaling van de waarde van het onteigende goed gerechtigd zijn zich te beroepen op de bij artikel 29 van het decreet van 22 oktober 1996 bepaalde regel. De appelrechters oordeelden dienvolgens dat de onteigening wel degelijk gerealiseerd werd tot verwezenlijking van het gewestplan waarna zij voor wat de waardebepaling betreft het advies van de deskundige bijtraden, het bestreden vonnis bevestigden en het hoger beroep afwezen als ongegrond. Uw Hof achtte dit middel gegrond nu de appelrechters die op de door hen aangenomen gronden ten onrechte oordelen dat een tuinbouwveiling een milieu belastende industrie is, het voormeld koninklijk besluit van 28 december 1972 schenden, zij hun beslissing dat de onteigening strekte tot realisatie van het gewestplan niet naar recht verantwoorden en dienvolgens artikel 29 van het stedenbouwdecreet 1996 schenden. Uit wat voorafgaat volgt dat destijds door de appelrechters het bestaan van een nauwe band werd aangenomen tussen de (on)wettigheid van het onteigeningsbesluit en de waardebepaling, wat uw Hof er toe bracht een integrale vernietiging van het arrest uit te spreken. Het eerste middel dat er ten onrechte van uit gaat dat slechts een gedeeltelijke vernietiging voorlag en de appelrechters hun rechtsmacht hebben overschreden door uitspraak te doen over de onwettigheid van het onteigeningsbesluit nu enkel de waardebepaling nog in het geding was, kan niet aangenomen worden. 2.
  3. Het derde middel voert in essentie aan dat de tuinbouwveiling wel kan aangemerkt worden als milieubelastende industrie in de zin van het voormeld koninklijk besluit van 28 december
  4. Nu uit het antwoord op het eerste middel volgt dat de vernietiging niet enkel betrekking had op de waardebepaling maar ook op de (on)wettigheid van het onteigeningsbesluit, uw Hof in dit verband bij arrest van 29 maart 2013 reeds aannam dat een tuinbouwveiling niet beantwoordt aan de definitie van het wettelijk begrip "milieubelastende industrie" en de appelrechters in lijn hiermee beslisten, is het middel gelet op het bepaalde in artikel 1119, tweede lid, Ger.W. niet toelaatbaar. Uw Hof oordeelde bij arrest van 29 maart 2013 dat het begrip "industrie of industriële bedrijven" in de zin van de artikelen 7 en 8 van voormeld koninklijk besluit verwijst naar bedrijven die grondstoffen verwerken of naar productief-technische bedrijven, terwijl louter commerciële of dienstverlenende bedrijven zoals winkels, warenhuizen of veilingen geen industrie of industriële bedrijven zijn in de zin van die bepalingen en een tuinbouwveiling niet beantwoordt aan de definitie van het wettelijk begrip milieubelastende industrie. Het wettelijk begrip "milieubelastende industrie" wordt dus gedefinieerd door voormeld koninklijk besluit van 28 december 1972 en kan niet in een gewestplan of een ontwerp gewestplan toegepast worden op een onderneming die niet aan deze definitie beantwoordt. In zoverre het derde middel uitgaat van het tegendeel faalt het naar recht. 2.
  5. De in het derde middel vergeefs aangevochten zelfstandige reden schraagt de beslissing van de appelrechters dat het onteigeningsbesluit onwettig is, zodat het tweede middel zelfs al was het gegrond niet tot cassatie kan leiden, mitsdien niet ontvankelijk is. Conclusie: verwerping. ___________________________
(1)Cass. 5 juni 2003, AR C.03.0164.F ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030605.12, AC 2003, nr. 339; Zie Cass. 26 januari 1990, AR 6880, Arr.Cass. 1989-90, nr. 328; Cass. 18 maart 1983 AR 3766, AC 1982-83, nr. 403.
(2)Cass. 11 oktober 2012, AR C.10.0711.F ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121011.2, AC 2012, nr. 524.
(3)Cass. 10 december 2007, AR C.07.0313.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071210.5, AC 2007, nr. 622.
(4)Cass. 11 oktober 2012, AR C.10.0711.F ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121011.2, AC 2012, nr. 524.
(5)B. Vanlerberghe en J. Verbist, Het beschikkingsbeginsel, het recht van verdediging, de onsplitsbaarheid en de omvang van de cassatie in burgerlijke zaken: de cassatiekwadratuur van de procedurecirkel, in Liber amicorum Ludovic De Gryse, Larcier, 435.
(6)Cass. 6 maart 2014, AR C.13.0141.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140306.9, AC 2014, nr. 180.
(7)Cass. 30 september 2013 AR C.12.0345.F ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130930.3, AC 2013, nr. 490.
(8)Cass. 13 januari 2005, AR C.04.0280.F ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050113.7, AC 2005, nr. 22.
(9)Cass. 3 mei 1999, AR S.98.0090.F, Arr.Cass. 1999, nr. 257.
(10)Cass. 5 juni 2003, AR C.03.0164.F ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030605.12, AC 2003, nr. 339.
(11)Cass. 13 maart 2006, AR C.05.0268.F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060313.4, AC 2006, nr. 146. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190308.2 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190308.2 citeert: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030605.12 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050113.7 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060313.4 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071210.5 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121011.2 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130930.3 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140306.9 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260219.1N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.