id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 08 maart 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190308.3 Rolnummer: C.16.0506.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige - Handelsrecht Invoerdatum: 2019-03-26 Raadplegingen: 496 - laatst gezien 2026-06-28 17:43 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190308.3 Fiches 1 - 3 Waar hoger beroep slechts kan worden ingesteld tegen een partij die in de procedure in eerste aanleg, hetzij in persoon, hetzij vertegenwoordigd, tegen de appellant is opgetreden en niet kan worden gericht tegen iemand die geen partij was in eerste aanleg, verhindert dit, noch artikel 1053 Gerechtelijk Wetboek, dat naast de onsplitsbaarheid, de aard zelf van de procedure of de rol van de gerechtelijke mandataris die in de loop van de procedure wordt aangesteld, in beginsel vereist dat deze mandataris noodzakelijk in de procedure moet worden betrokken om hem te horen en de verdere procesgang aan hem tegenstelbaar te maken, wat met name het geval is wanneer de aanstelling van een voorlopig bewindvoerder wordt betwist en met een rechtsmiddel beoogd wordt het bestuur van een maatschap te herstellen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN (HANDELSZAKEN EN SOCIALE ZAKEN INBEGREPEN) - Beslissingen en partijen Vrije woorden: Gerechtelijk mandataris - Voorlopig bewindvoerder - Betwisting over de aanstelling - Geding in hoger beroep - Noodzakelijk betrokken partij in hoger beroep - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 616 en 1053 Thesaurus CAS: VENNOOTSCHAPPEN - VENNOOTSCHAPPEN ZONDER RECHTSPERSOONLIJKHEID Vrije woorden: Maatschap - Gerechtelijk mandataris - Voorlopig bewindvoerder - Betwisting over de aanstelling - Geding in hoger beroep - Noodzakelijk betrokken partij in hoger beroep - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 616 en 1053 Thesaurus CAS: RECHTERLIJKE ORGANISATIE - BURGERLIJKE ZAKEN Vrije woorden: Maatschap - Gerechtelijk mandataris - Voorlopig bewindvoerder - Betwisting over de aanstelling - Geding in hoger beroep - Noodzakelijk betrokken partij in hoger beroep - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 616 en 1053 Fiche 4 De voorlopige bewindvoerder over een maatschap zonder rechtspersoonlijkheid heeft niet de hoedanigheid van orgaan van die maatschap en geldt evenmin als vertegenwoordiger van de maten en dient afzonderlijk in de procedure die zijn aanstelling betwist te worden betrokken
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VENNOOTSCHAPPEN - VENNOOTSCHAPPEN ZONDER RECHTSPERSOONLIJKHEID Vrije woorden: Maatschap - Voorlopige bewindvoerder - Hoedanigheid - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek van Vennootschappen - 07-05-1999 - Art. 2 - 69 ELI link Pub nr 1999A09646 Tekst van de conclusie C.16.0506.N Conclusie van advocaat-generaal Ria Mortier
- Procedure Bij beschikking van 1 februari 2016 van de voorzitter van de rechtbank van koophandel te Gent, uitvoerbaar bij voorraad, werd een voorlopig bewindvoerder aangesteld over de maatschap familie M. voor een periode van negen maand, eindigend op 31 oktober 2016, met als opdracht onder andere het exclusief bestuur en beheer en de exclusieve vertegenwoordiging van de maatschap te verzekeren. Het hoger beroep tegen deze beschikking werd bij arrest van 17 oktober 2016 van het hof van beroep te Gent niet toelaatbaar verklaard. De appelrechters stelden ambtshalve de ontvankelijkheid van het hoger beroep in vraag nu de door de eerste rechter aangestelde voorlopig bewindvoerder niet in het hoger beroep werd betrokken. Eisers stelden bij verzoekschrift neergelegd op 18 november 2016 tijdig en regelmatig een voorziening in cassatie in tegen dit arrest en voeren hiertegen één middel aan, bestaande uit twee onderdelen.
- Bespreking 2.
- Tweede onderdeel Het wordt niet betwist dat de ter zake betrokken vennootschap een maatschap is. Uit de stukken waarop mag acht worden geslaan blijkt dat, wegens de onenigheid en de strijdige belangen tussen de vennoten van de maatschap, door de rechtbank een (externe) voorlopige bewindvoerder werd aangesteld om het exclusief bestuur en beheer en de exclusieve vertegenwoordiging van de maatschap te verzekeren. Met de thans gevoerde procedure betwist een deel van de maten de aanstelling van de bewindvoerder. Waar de actieve en de passieve procesbekwaamheid, dit is het vermogen om eiser of verweerder te zijn in een proces, in beginsel enkel wordt toegekend aan vennootschappen en verenigingen met rechtspersoonlijkheid, kan een vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid, zoals een maatschap, niet in rechte optreden
(1). Zij bestaat als rechtssubject niet en enkel wie juridisch bestaat kan een beroep doen op de rechter om zijn materieelrechterlijke aanspraken te effectueren
(2). Proceshandelingen voor rekening van dergelijke vennootschappen kunnen uitsluitend verricht worden ten name van de vennoten. Alle leden kunnen gezamenlijk als procespartij optreden, of zij kunnen één van hen daartoe mandateren waarbij de gemandateerde dan optreedt als bewindvoerder. De door de rechter aangestelde voorlopige bewindvoerder heeft echter niet de hoedanigheid van orgaan van de vennootschap, is niet de vertegenwoordiger van de maten en identificeert zich evenmin met de maten. Het tweede onderdeel dat er van uitgaat dat wanneer alle maten betrokken zijn bij het geding, ook de voorlopig bewindvoerder vanaf zijn aanstelling automatisch bij het geding betrokken is, faalt bijgevolg naar recht. 2.
- Eerste onderdeel 2.2.
- Zoals ook eisers aanvoeren hebben de appelrechters geoordeeld dat geen enkele wetsbepaling vereist dat de voorlopig bewindvoerder in de zaak moet worden opgeroepen of op een andere manier moet worden betrokken. De appelrechters oordelen echter dat die betrokkenheid wel vereist is gelet op de aard van de functie en omwille van de aan de procedure inherente noodzaak. Meer bepaald geven zij hiervoor twee redenen op. Ten eerste oordelen zij dat indien dit niet zo is, de voorlopig bewindvoerder aan wie het exclusief beheer van de maatschap werd toevertrouwd, geen enkele rol te vervullen heeft en zelfs niet hoeft betrokken te worden bij een procedure die kan leiden tot vernietiging of hervorming van de beschikking waarbij hij werd aangesteld. Ten tweede zou het gezag van gewijsde van een gebeurlijke vernietiging of hervorming van die beschikking hem niet eens kunnen worden tegengesteld. De appelrechters verwijzen hierbij naar de parallel met de gerechtelijke vereffenaar en de schuldbemiddelaar die ook als "noodzakelijke en onontbeerlijke partijen" moeten worden betrokken in de procedures die gericht zijn tegen de beslissing waarbij zij zijn aangesteld. 2.2.
- Het begrip "noodzakelijke partij" staat dus centraal. Het heeft betrekking op personen die niet in de enge zin van het woord "procespartij" zijn, - wat de grondslag vormt om een rechtsmiddel zoals hoger beroep aan te wenden - noch "derde" - die derdenverzet kan instellen -, maar die wel een nauwe band van betrokkenheid hebben met het geding en waarbij een goede rechtsbedeling vereist dat ze in het geding optreden of dat de procedure hen minstens tegenstelbaar is. Dit concept heeft betrekking op een "tussencategorie" die geen omschrijving kent in het gerechtelijk wetboek. De wetgever heeft deze problematiek ook niet in globo geregeld, en hoewel her en der wettelijke bepalingen deze problematiek opvangen
(3)zijn het vooral de rechtspraak en de rechtsleer die het concept hebben ontwikkeld. Zo oordeelde Uw Hof
(4)inzake collectieve schuldenregeling dat de schuldbemiddelaar die niet alleen toezicht uitoefent op de naleving van de bepalingen inzake de collectieve schuldenregeling, kennis neemt van de aangiften van schuldvordering en inlichtingen inwint, maar ook in belangrijke mate de boedel van de debiteur bestuurt en verbindt, inkomsten bestemd voor de schuldenaar ontvangt en goederen die voor beslag vatbaar zijn te gelde kan maken, aldus de boedel in vergaande mate bestuurt. Uit de aard zelf van de procedure blijkt dat wanneer hoger beroep wordt ingesteld door de schuldenaar die opkomt tegen een beslissing waarbij de herroeping van de beschikking van toelaatbaarheid wordt uitgesproken, de schuldbemiddelaar in de rechtspleging in hoger beroep moet betrokken worden. Ook in de rechtsleer wordt dit standpunt bijgetreden
(5). Eenzelfde redenering wordt in de rechtsleer ontwikkeld ten aanzien van de curator die te rekenen van het vonnis van faillietverklaring de failliete boedel bestuurt, aan wie het beheer van de goederen van de gefailleerde wordt toevertrouwd en die als gerechtelijk lasthebber de bij de wet bepaalde machten uitoefent in het belang van zowel de gezamenlijke schuldeisers als van de gefailleerde. Ook de vereffenaar en de voorlopig bewindvoerder hebben met de curator gemeen dat zij een bewind voeren vermits zij het vermogen van een derde besturen. De bewindvoerder oefent geen eigen, maar een aan de onder bewind gestelde toebehorende bevoegdheid uit met betrekking tot de onder bewind gestelde goederen. Het optreden van de voorlopig bewindvoerder kenmerkt zich als een "naamloos of neutraal" handelen, wat ook het geval is telkens wanneer een bepaalde boedel aan het onpartijdig bewind van een daartoe aangeduide beheerder wordt toevertrouwd en dit omwille van het bestaan van tegenstrijdige rechten en belangen ten aanzien van de boedel
(6). Het is in dit geval de aard van de opdracht waarmee de gerechtelijk mandataris wordt belast die maakt dat de noodzaak wordt aangevoeld hem in bepaalde procedures te betrekken. 2.2.3. Hoewel dus vaak geen aparte en precieze wettelijke grondslag voorhanden is om de noodzakelijke persoon bij het geding te betrekken wordt in ruime zin verwezen naar materieelrechtelijke motieven zoals "de aard van de procedure" of " de aard van de functie". De appelrechters die vaststellen dat de voorlopig bewindvoerder een derde is maar oordelen dat er, gelet op de aard van deze functie, een aan de procedure inherente noodzaak bestond hem op één of andere manier in het hoger beroep te betrekken omdat hij daarbij, zonder voor zijn eigen belangen of deze van bepaalde gedingpartijen op te komen, objectief en onpartijdig verslag kan uitbrengen over de uitvoering van de hem toevertrouwde opdracht en standpunt kan innemen over de in hoger beroep gevorderde vernietiging van zijn aanstelling, verantwoorden in lijn met de voormelde rechtspraak en rechtsleer hun beslissing naar recht. Deze tussenkomst die er op gericht is de voorlopig bewindvoerder de kans te geven zijn standpunt aan de rechter duidelijk te maken, heeft een bewarend karakter. Zij strekt er niet toe een nieuwe procesverhouding te creëren maar heeft wel tot gevolg dat de te wijzen beslissing ook hem tegenwerpbaar zal zijn en derdenverzet wordt uitgesloten
(7). De beslissing om de voorlopig bewindvoerder te betrekken in een procedure die gericht is tegen zijn aanstelling en waarmee met het rechtsmiddel van hoger beroep wordt beoogd het bestuur van de maatschap te herstellen in handen van de statutaire zaakvoerder, steunt, zoals terecht in de memorie van antwoord wordt aangevoerd, niet op de regels van het procesrecht waarvan eisers de schending aanvoeren maar wel op de aard van de functie van voorlopig bewindvoerder die noodzakelijk en onontbeerlijk hierover zijn standpunt moet kunnen geven. Het eerste onderdeel kan om voormelde redenen in zoverre niet aangenomen worden. 2.2.4. De appelrechters wijzen om de reden dat de voorlopig bewindvoerder niet in de procedure werd betrokken het hoger beroep af als ontoelaatbaar. De sanctie van niet-toelaatbaarheid stuit in de rechtsleer op weerstand
(8)nu zij als excessief voorkomt. De partijautonomie en het recht van partijen in burgerlijke zaken om de grenzen van het geschil zelf te bepalen
(9), staat er immers aan in de weg dat de rechter ambtshalve een derde betrekt in het civiele geding of partijen zou dwingen dit voor hem te doen. Dit verbod ligt vervat in artikel 811 Ger.W. Het standpunt van de wetgever bij de totstandkoming van dit artikel was dat partijen vrij zijn de tegenstrevers aan te duiden die zij in de rechtspleging willen betrekken en dit zowel bij de aanvang van het geding als in de loop daarvan
(10). Ook uw Hof oordeelt dat naast appellant en geïntimeerde, ook de partijen die door de reeds in zake zijnde partijen tot tussenkomst worden gedwongen en de partijen die vrijwillig in het geding in hoger beroep tussenkomen partijen zijn in het geding in hoger beroep, maar dat de hoven en rechtbanken niet kunnen bevelen dat een derde in het geding wordt betrokken. Dienvolgens mag een appelrechter niet oordelen dat iemand die geen appellant is, niet vrijwillig in het geding in hoger beroep is tussengekomen en niet door een reeds in zake zijnde partij tot tussenkomst is gedwongen, toch partij is in het geding in hoger beroep en niet mag bevelen hem in het geding te betrekken
(11). Het is de rechter ook verboden partijen onder druk te zetten of de rechtspleging te schorsen met het doel een gedwongen tussenkomst uit te lokken. Maar zonder te vervallen in het verbod van artikel 297 Ger.W. om de verdediging van partijen te voeren en hen consult te geven, behoudt de rechter evenwel het recht partijen te wijzen op de mogelijke betrokkenheid van derden en de heropening van de debatten te bevelen om aan partijen de mogelijkheid te bieden deze derden in het geding te betrekken
(12). Dit sluit aan bij de rol die van de actieve rechter wordt verwacht. In zoverre dit zou aanzien worden als een schijn van vooringenomenheid van de rechter geldt dit eigenlijk voor elk initiatief dat de rechter kan nemen, waarbij het enkele feit van het ambtshalve handelen niet noodzakelijk de onpartijdigheid van de rechter in het gedrang brengt, zolang de rechter zijn handelen redelijk verantwoordt en zich er bij de formulering van die verantwoording voor hoedt de indruk te wekken dat hij ten gronde al zijn beslissing heeft genomen en niet meer zou openstaan voor andersluidende argumenten
(13). 2.2.
- Uit de stukken waarop mag acht geslaan worden blijkt dat de appelrechters vooreerst ambtshalve de exceptie hebben opgeworpen of de voorlopige bewindvoerder aangesteld voor de maatschap al dan niet in het geding moet worden gebracht waarna partijen ter kennis brachten dat zij hierover wensten te concluderen en de zaak voor verdere behandeling gesteld werd om partijen die gelegenheid te geven. De appelrechters stellen vast dat eisers ook na die terechtzitting de voorlopig bewindvoerder niet hebben betrokken en na te hebben vastgesteld dat zij dat niet ambtshalve mogen doen, wijzen zij het hoger beroep af als ontoelaatbaar. De appelrechters gaan dus in de zaak die voorligt enerzijds niet verder dan suggereren, nu zij zelf niet het bevel geven om de voorlopig bewindvoerder in de procedure te betrekken en zij ook erkennen dat dit krachtens artikel 811 Ger.W. verboden is. In zoverre eisers er in het eerste onderdeel van uitgaan dat de appelrechters hen hebben verplicht om de voorlopig bewindvoerder in de procedure te betrekken kan het niet aangenomen worden. 2.2.
- Anderzijds koppelen de appelrechters evenwel aan de vaststelling dat eisers "ook na de ambtshalve opgeworpen exceptie de voorlopig bewindvoerder niet hebben betrokken in de beroepsprocedure" de ontoelaatbaarheid van het hoger beroep. Dit oordeel van de appelrechters lijkt een toepassing van artikel 1053 Ger.W. krachtens hetwelk, wanneer het geschil onsplitsbaar is, de eiser in hoger beroep de andere niet in beroep komende, niet in beroep gedagvaarde of niet opgeroepen partijen ten laatste voor de sluiting van de debatten in de zaak moet betrekken, op straffe van niet toelaatbaarheid van het hoger beroep. Nochtans oordelen de appelrechters zelf dat dit artikel te dezen geen rechtsgrond oplevert om de voorlopig bewindvoerder te betrekken. Dan stelt zich de vraag wat het gevolg is als de rechter wel suggereert om een persoon in het geding te betrekken, maar de partijen hieraan geen gevolg geven. Indien de volharding van partijen in de weigering een derde in het geding te betrekken zou leiden tot de niet-toelaatbaarheid, minstens tot de niet-gegrondheid van de vordering
(14), wordt dit aanzien als een aantasting van de partijautonomie als postulaat van het gerechtelijk recht, dat inhoudt dat het initiatief tot, de voortgang en de beëindiging van het civiele geding volkomen berust bij de procespartijen en zij beter dan wie ook kunnen uitmaken of zij het nuttig dan wel onoverkomelijk achten een derde in het geding te betrekken
(15). Het zou ook een terugkeer inhouden naar de rechtspraak van uw Hof van vóór het tot stand komen van het gerechtelijk wetboek, waarin aan de rechter wel de macht werd opgedragen een derde ambtshalve in het geding te betrekken mits deze maatregel nodig bleek voor de oplossing van het geschil en de derde aan de voorwaarden voldeed om tussen te komen. De wetgever heeft met dit standpunt juist willen breken omdat die leidde tot controverse en geen navolging kende bij de feitenrechters die dit als een aantasting van de procesautonomie van de partijen beschouwden
(16). Inzichten evolueren evenwel. Zo blijken in de ons omringende landen redenen van proceseconomie en de bekommernis dat het beschikken over alle relevante informatie de rechter in staat zal stellen een correct en rechtvaardig oordeel te vellen, te primeren op de partijautonomie. Dit kan door de rechter de macht te geven een tussenkomst van een derde te bevelen, waarbij hetzij hijzelf instaat voor de oproeping dan wel de partijen beveelt dit te doen. De wetgeving kan, in plaats van een bevel tot tussenkomst, ook voorzien in een indirect drukkingsmiddel van de onontvankelijkheid via de "exceptio pluralis litisconsortium" zoals in Nederland bestaat, waarbij partijen vrij blijven om te volharden in hun weigering, maar dit zal gepaard gaan met de afwijzing van de vordering. 2.2.7. Hoewel punctuele wetsbepalingen hierop toch uitzonderingen of nuances voorzien, wordt in ons land via het verbod van artikel 811 Ger.W. nog steeds de strengste interpretatie van de procesautonomie gehanteerd
(17)zodat de rechter in de regel, bij afwezigheid van een relevante wetsbepaling, beperkt blijft tot het suggereren aan partijen om een door hem noodzakelijk geachte derde in het geding te betrekken en hij, indien partijen niet op de suggestie ingaan, bij gebrek aan in de wet ingeschreven sanctie niet enkel om die reden de vordering onontvankelijk of ongegrond kan verklaren. Indien Uw Hof ook te dezen deze strenge visie deelt leidt dit mijns inziens tot de vernietiging van het bestreden arrest op grond van het eerste onderdeel. Gelet op de tijdelijke maatregel die uitvoerbaar was bij voorraad en betrekking had op een periode die sedert lang verstreken is, lijkt mij dat na cassatie niets meer te beslissen valt zodat een cassatie zonder verwijzing zich opdringt. Van deze mogelijkheid wordt gelet op het bepaalde in artikel 1097, laatste lid Ger.W. bij deze schriftelijke conclusie kennis gegeven. Maar zoals vermeld stuit deze sanctie in de rechtsleer op weerstand
(18)omdat zij als excessief voorkomt, en wordt integendeel eerder geopteerd voor het opschorten van de procedure. Het opschorten van de procedure komt echter te dezen, waar de aanstelling van de bewindvoerder slechts voor een beperkte periode gold eindigend op 31 oktober 2016, niet als realistische optie voor. De afwezigheid van een noodzakelijke partij stelde de appelrechters bijgevolg niet in staat onmiddellijk of op korte termijn te oordelen, zodat hun beslissing om het hoger beroep niet toelaatbaar te verklaren in die omstandigheden en ondanks de bewoordingen
(19)verantwoord blijft. Het tweede onderdeel kan in zoverre niet aangenomen worden. Conclusie: Verwerping. _______________________
(1)B. Tilleman, "Proceshandelingen van en tegen vennootschappen", Maklu, 1997, 25.
(2)J. Laenens e.a., "Handboek gerechtelijk recht", Intersentia 2016, nr. 137.
(3)Zie vb. artikel 840 Ger.W. ten aanzien van de rechter die indien de wraking wordt verworpen schadevergoeding kan vragen; de "betrokkenen" bij onbekwaamverklaring die gehoord worden en waar de wet hen soms machtigt om een rechtsmiddel aan te wenden, wetsbepalingen ivm de revindicatie (zie in dat verband C. Van Severen, "De noodzakelijke partijen in het geding betreffende de revindicatie van in beslag genomen roerende goederen", RW 2016-2017, 1508 en volgende) of ivm sociale verkiezingen (zie in dit verband C. Van Severen, "De sociale verkiezingen 2016: U bent toch ook van de partij?", JTT, 2015, 65 en volgende)
(4)Cass. 4 september 2003, AR C.01.0194.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030904.14, AC 2003, nr. 414.
(5)K. Broeckx en B. De Groote, "Hoger beroep tegen een herroepingsbeslissing inzake collectieve schulden regeling: vergeet de schuldbemiddelaar niet!", RW 2004-2005, 103; H. Boularbah en F. Laune, "Les parties à la procédure de règlement collectif de dettes" in J. Clesse en M. Dumont, Actualités de droit social, Vol. 116, Luik, Anthemis, 2010, 192.
(6)A. Bossuyt, "Over de noodzakelijke partij in het geding", TBH, 2007, 941 en volgende, inz. 954 en de aldaar vermelde verwijzingen.
(7)S. Mosselmans, Tussenvorderingen, APR, 2007, nr. 64.
(8)J. Van Compernolle en G. De Leval, L'appel du jugement en matière d'indivisibilité, JT 2011, 85-88
(87)met verwijzingen aldaar.
(9)S. Mosselmans, Tussenvorderingen, APR, 2007, nr.59.
(10)B. Allemeersch, Taakverdeling in het burgerlijk proces, Intersentia, 2007, 165.
(11)Cass.18 mei 1998, AR S.97.0159.N ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980518.12, AC 1998, nr. 262.
(12)Zie Cass.3 april 2006, AR C.04.0079.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060403.1-C.04.0080.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060403.1, AC 2006, nr. 189.
(13)B. Allemeersch, Taakverdeling in het burgerlijk proces, Intersentia, 2007, 174.
(14)E. Krings, Het optreden van de rechter bij het in staat stellen van het rechtsgeding, TPR 2004, p. 378.
(15)S. Mosselmans, Tussenvorderingen, APR, 2007, nr. 431 en de aldaar vermelde verwijzingen.
(16)Zie B. Allemeersch, Taakverdeling in het burgerlijk proces, Intersentia, 2007, 166-167.
(17)Voor een overzicht zie S. Mosselmans, Tussenvorderingen, APR, 2007, nr. 434 en volgende en B. Allemeersch, Taakverdeling in het burgerlijk proces, Intersentia, 2007, 169-172.
(18)J. Van Compernolle en G. De Leval, "L'appel du jugement en matière d'indivisibilité, JT 2011, 85-88
(87)met verwijzingen aldaar.
(19)Zie Cass. 4 september 2003, AR C.01.0194.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030904.14, AC 2003, nr. 414. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190308.3 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190308.3 citeert: ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980518.12 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030904.14 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060403.1 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250110.1N.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div