← België

ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190315.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 15 maart 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190315.1 Rolnummer: C.17.0283.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2019-04-02 Raadplegingen: 548 - laatst gezien 2026-06-16 22:26 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190315.1 Fiches 1 - 2 Een vernietigingsarrest van het Grondwettelijk Hof heeft retroactieve werking, zodat de vernietigde norm wordt geacht in rechte nooit te hebben bestaan

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: Vernietigingsarrest - Werking in de tijd - Gevolg Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE Vrije woorden: Grondwettelijk Hof - Vernietigingsarrest - Werking in de tijd - Gevolg Tekst van de conclusie C.17.0283.N Conclusie van de heer advocaat-generaal C. Vandewal
(1): Feiten en procedurevoorgaanden
  1. Volgens de stukken waarop het Hof acht vermag te slaan betreft deze zaak een aansprakelijkheidsvordering van eiseres opzichtens verweerder wegens beweerde onwettigheid van een bouwverbod opgenomen in het MB van 29 mei 1997 tot bescherming van de dorpskern van Reningelst als dorpsgezicht en van de “site van het verdwenen kasteel” als monument. Eiseres is eigenaar van een aantal gronden te Reningelst, die volgens het gewestplan Ieper-Poperinge deels gelegen zijn in woongebied met culturele, historische en/of esthetische waarde. Op 6 december 1994 leverde het stadsbestuur een gunstig stedenbouwkundig attest af voor een door eiseres voorgelegd verkavelingsontwerp. Eiseres diende op 3 mei 1995 een verkavelingsaanvraag in waarbij het verkavelingsplan de realisatie van negen bouwkavels en de aanleg van wegenis voorzag. Na ongunstig advies van het bestuur Monumenten en Landschappen en van het bestuur Ruimtelijke Ordening werd deze verkavelingsaanvraag geweigerd door het College van Burgemeester en Schepenen op 8 november
  2. Het beroep bij de Bestendige Deputatie van de provincie West-Vlaanderen tegen die beslissing werd verworpen bij beslissing van 25 januari
  3. Het beroep van eiseres daartegen bij de Vlaamse Regering werd verworpen bij MB van 13 november 1996, waarin onder meer werd overwogen dat het verkavelingsproject rechtstreeks in strijd kwam met de voorlopige bescherming van de dorpskern van Reningelst als dorpsgezicht en van de voormalige kasteelsite als monument bij MB van 10 november
  4. De klasseringsprocedure mondde inderdaad uit in een voorlopige bescherming bij MB van 10 november 1995 en een definitieve bescherming bij MB van 29 mei
  5. Artikel 2.2 van dat laatste besluit bepaalt dat een erfdienstbaarheid non aedificandi dient opgelegd te worden voor onder meer percelen die het voorwerp uitmaakten van de verkavelingsaanvraag. De vernietigingsberoepen van eiseres tegen de voorlopige bescherming bij MB van 10 november 1995, tegen de vergunningsweigering bij MB van 13 november 1996 en tegen de definitieve bescherming bij MB van 29 mei 1997 werden door de Raad van State verworpen bij arresten van respectievelijk 17 juni 2008, 15 mei 2007 en 17 juni
  6. Eiseres ging op 22 juli 2003 over tot dagvaarding van het Vlaams Gewest. Zij vorderde de veroordeling van verweerster tot een schadevergoeding van 526.500,00 euro wegens de schade die zij heeft geleden doordat haar gronden onbruikbaar zijn geworden. Bij tussenvonnis van 14 mei 2010 besloot de rechtbank van eerste aanleg te Brussel dat het beschermingsbesluit van 29 mei 1997, niettegenstaande het verwerpingsarrest van de Raad van State, onwettig was “in zoverre het in zijn artikel 2.
  7. een algemene en onvoorwaardelijke erfdienstbaarheid van ‘non aedificandi’ invoert op de gronden die volgens het gewestplan zijn bestemd tot woongebied”, en heropende zij de debatten om partijen te horen over de gevolgen van een wijziging van het beschermingsbesluit voor de gronden van eiseres. Bij tussenvonnis van 17 maart 2011 stelde de rechtbank vast dat die wijziging geen betrekking had op de gronden van eiseres, verklaarde zij de eis toelaatbaar en reeds principieel gegrond en ging zij vervolgens over tot de aanstelling van een deskundige met als opdracht advies te geven over de waardevermindering van de gronden van eiseres ten gevolge van het bouwverbod. De door verweerder opgeworpen exceptie van verjaring werd door de eerste rechter verworpen.
  8. Op het hoger beroep van verweerder tegen deze beide tussenvonnissen hervormde het hof van beroep te Brussel bij het bestreden arrest van 5 oktober 2016 de beroepen beslissingen, verklaarde het de vordering van eiseres niet ontvankelijk wegens verjaring en oordeelde het dat er geen aanleiding was tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof.
  9. Het cassatieberoep van eiseres tegen dit arrest maakt het voorwerp uit van huidige procedure. Bespreking van het derde onderdeel van het tweede cassatiemiddel
  10. Het tweede cassatiemiddel, ontwikkeld in drie onderdelen, komt op tegen de onontvankelijkverklaring van de vordering van eiseres en de verwerping van de door eiseres voorgestelde prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof. De drie onderdelen komen inzonderheid op tegen de beslissing aangaande de eventuele stuiting van de verjaring.
  11. Het derde onderdeel voert de ongrondwettigheid aan van de artikelen 2244, §1, derde lid, en 2247 van het Burgerlijk Wetboek. Naar het onderdeel stellen die artikelen een verschil in behandeling in “tussen de categorie van personen die een verzoek tot nietigverklaring hebben ingesteld bij de Raad van State en waarbij het verzoek of de vordering werd afgewezen (om welke reden dan ook) en de categorie van personen die een verzoek tot nietigverklaring hebben ingesteld bij de Raad van State en waarbij het verzoek gegrond wordt verklaard”, welk verschil van behandeling erin gelegen is “dat enkel de tweede categorie van personen van het voordeel van de stuiting kunnen genieten”. Het onderdeel houdt voor dat dit verschil in behandeling niet redelijk verantwoord is of minstens niet evenredig ten aanzien van het nagestreefde doel zodat het bestreden arrest de grondwettelijke regels inzake de gelijkheid van de Belgen en de niet-discriminatie schendt.
  12. Artikel 2244, §1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat een dagvaarding voor het gerecht, een bevel tot betaling als bedoeld in artikel 1394/21 van het Gerechtelijk Wetboek of een beslag, betekend aan hem die men wil beletten de verjaring te verkrijgen, burgerlijke stuiting vormen. Krachtens artikel 2244, §1, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek, ingevoegd bij wet van 25 juli 2008 “tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek en de gecoördineerde wetten van 17 juli 1991 op de Rijkscomptabiliteit met het oog op het stuiten van de verjaring van de vordering tot schadevergoeding ten gevolge van een beroep tot vernietiging bij de Raad van State”, heeft een beroep tot vernietiging van een administratieve handeling bij de Raad van State, wat de stuiting van de verjaring betreft, dezelfde gevolgen ten opzichte van de vordering tot herstel van de schade veroorzaakt door de vernietigde administratieve handeling als een dagvaarding voor het gerecht.
  13. Bij prejudiciële arresten van 8 november 2018
(2)en 6 december 2018
(3)heeft het Grondwettelijk Hof beslist dat artikel 2244, §1, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt in zoverre het geen verjaringstuitende werking toekent aan de bij de Raad van State ingestelde beroepen die niet tot een vernietigingsarrest leiden. Het oordeelde immers dat deze wetsbepaling, in zoverre zij enkel aan de bij de Raad van State ingestelde beroepen die tot een vernietigingsarrest leiden, verjaringstuitende werking verleent, niet relevant is ten opzichte van de doelstellingen vermeld in de parlementaire voorbereiding en de wetsgeschiedenis, aangezien zij de rechtszoekende die ervoor kiest om een bestuurshandeling aan te vechten voor de Raad van State nog steeds ertoe verplicht om tevens ten bewarende titel een vordering tot schadevergoeding in te stellen voor de burgerlijke rechter, ten einde de verjaring van zijn vordering te voorkomen. 9. De in deze arresten van het Grondwettelijk Hof vastgestelde ongrondwettigheid ingevolge de ontstentenis van verjaringstuitende werking van bij de Raad van State ingestelde beroepen tot nietigverklaring die niet tot een vernietigingsarrest leiden, impliceren naar mijn mening de vaststelling van een “ongrondwettige leemte in de wet”. 10. Het Hof heeft in zijn arrest van 3 november 2008
(4)duidelijk de gevolgen van dergelijke leemte toegelicht en inzonderheid de contouren en de grenzen van de opdracht van de rechter afgebakend. Het stelde immers: “Wanneer het Grondwettelijk Hof vaststelt dat een wetsbepaling een leemte bevat waardoor de artikelen 10 en 11 van de Grondwet worden geschonden, moet de rechter zo mogelijk deze leemte opvullen. Of de rechter een dergelijke leemte kan opvullen, hangt af van de leemte zelf. Indien aan de ongrondwettigheid zonder meer een einde kan worden gesteld door die wetsbepaling, binnen het kader van de bestaande wettelijke regeling, aan te vullen dermate dat ze niet meer strijdig is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, kan en moet de rechter dit doen. Indien evenwel de leemte van die aard is dat zij noodzakelijk vereist dat een andere regeling wordt ingevoerd, die een hernieuwde maatschappelijke afweging van belangen door de wetgever of een aanpassing van een of meer andere wettelijke bepalingen vereist, kan de rechter zich daarvoor niet in de plaats van de wetgever stellen.” In zijn arresten van 5 februari 2016 en 27 mei 2016
(5)stelde het Hof opnieuw duidelijk die opdracht van de rechter in het licht: “De rechter moet elke leemte in de wet waarvan het Grondwettelijk Hof de ongrondwettigheid heeft vastgesteld invullen, evenals elke leemte die hieruit voortvloeit dat een wetsbepaling als ongrondwettig wordt aangemerkt, wanneer hij die leemte in het kader van de bestaande wetsbepalingen kan verhelpen teneinde de wet in overeenstemming met de artikelen 10 en 11 Grondwet te brengen”. 11. Anders dan verweerder voorhoudt meen ik dat de rechter in de huidige zaak wel de leemte in de wet kon en moest invullen. Ik ben immers van oordeel dat aan de door het Grondwettelijk Hof vastgestelde ongrondwettigheid van artikel 2244, §1, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek een einde kan worden gesteld door ten aanzien van de vordering tot herstel van de schade veroorzaakt door een administratieve handeling, verjaringstuitende werking toe te kennen aan elk bij de Raad van State ingesteld beroep tot vernietiging ervan, ongeacht of dit beroep wordt ingewilligd dan wel wordt verworpen. Daartoe lijkt mij geen hernieuwde maatschappelijke afweging van belangen door de wetgever noch een aanpassing van een of meer andere wettelijke bepalingen vereist. Wanneer het Grondwettelijk Hof een wettelijke bepaling, die uitdrukkelijk een welbepaalde categorie van personen uitsluit uit zijn toepassingsgebied, kan de rechterlijke macht het toepassingsgebied ervan uitbreiden tot de uitgesloten categorie
(6).
  1. De beide vernietigingsarresten van het Grondwettelijk Hof geven naar mijn mening immers duidelijk aan dat de ongrondwettigheid maar kan worden hersteld door stuitende werking toe te kennen aan elk vernietigingsberoep bij de Raad van State, ongeacht of dit beroep leidt tot een vernietigingsarrest dan wel tot een verwerping, om welke reden dan ook.
  2. De rechtszoekende kan immers de afloop van zijn procedure bij de Raad van State niet voorspellen. Het Grondwettelijk Hof preciseerde in beide voormelde arresten dat deze wetsbepaling, in zoverre zij enkel aan de bij de Raad van State ingestelde beroepen die tot een vernietigingsarrest leiden, een verjaringstuitende werking verleent, niet relevant is ten opzichte van de doelstellingen vermeld in de parlementaire voorbereiding en de wetsgeschiedenis, aangezien zij de rechtszoekende die ervoor kiest om een bestuurshandeling aan te vechten voor de Raad van State nog steeds ertoe verplicht om tevens ten bewarende titel een vordering tot schadevergoeding in te stellen voor de burgerlijke rechter, ten einde de verjaring van zijn vordering te voorkomen.
  3. Ik meen dan ook dat de appelrechters, die oordelen dat artikel 2244, §1, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek te dezen niet kan worden toegepast omdat het door de eiseres ingestelde vernietigingsberoep door de Raad van State werd verworpen, aldus geen grondwetsconforme invulling geven aan die wetsbepaling en de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schenden.
  4. Het onderdeel lijkt mij gegrond te zijn.
  5. Zeer ondergeschikt meen ik het Hof te kunnen uitnodigen tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof nopens de bestaanbaarheid van artikel 2244, §1, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet
(7). Conclusie: 17. in hoofdorde vernietiging van het bestreden arrest, in zeer ondergeschikte orde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof. _______________________________________
(1)Het OM heeft ter zitting deze schriftelijke conclusie mondeling aangevuld, aangezien sedert het neerleggen ervan ter griffie zich een nieuw element voordeed. Naast de in de conclusie vermelde prejudiciële arresten van het Grondwettelijk Hof van 8 november 2018 en 6 december 2018 kwam immers op 28 februari 2019 een vernietigingsarrest van het Grondwettelijk Hof tussen (nr. 2019/40, BS 25 maart 2019), waarbij het woord “vernietigde” in artikel 2244, §1, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek werd vernietigd. Het OM stelde dan ook dat, gezien een vernietigingsarrest van het Grondwettelijk Hof een retroactieve werking heeft en de vernietigde norm wordt geacht nooit te hebben bestaan, de appelrechters de artikelen 10 en 11 van de Grondwet hebben geschonden door te oordelen dat artikel 2244, §1, derde lid, te dezen niet kan worden toegepast.
(2)GwH 8 november 2018, nr. 2018/148.
(3)GwH 6 december 2018, nr. 2018/175.
(4)Cass. 3 november 2008, AR S.07.0013.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081103.4, AC 2008, nr. 604, met concl. van advocaat-generaal R. MORTIER; zie Cass. 14 oktober 2008, AR P.08.1329.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081014.1, AC 2008, nr. 547, met concl. van advocaat-generaal M. TIMPERMAN.
(5)Cass. 5 februari 2016, AR C.15.0011.F ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160205.1, AC 2016, nr. 82, met concl. van advocaat-generaal T. WERQUIN in Pas. 2016, nr. 82; Cass. 27 mei 2016, AR C.13.0042.F ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160527.2, AC 2016, nr. 354, met concl. van advocaat-generaal T. WERQUIN in Pas. 2016, nr. 354.
(6)Concl. van concl. advocaat-generaal T. WERQUIN vóór Cass. 5 februari 2016, AR C.15.0011.F ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160205.1, Pas. 2016, nr. 82, r.o. 2; J. KIRKPATRICK, “Les suites à donner à un arrêt préjudiciel de la Cour constitutionnelle qui déclare une lacune législative contraire au principe d’égalité”, JT 2009, 258.
(7)Zie Cass. 12 mei 2014, AR S.13.0020.F ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140512.6, AC 2014, nr. 335, met concl. van advocaat-generaal J.-M. GENICOT in Pas. 2014, nr. 335; Cass. 14 augustus 2012, AR P.1293.N, AC 2012, nr. 435. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190315.1 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190315.1 citeert: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081014.1 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081103.4 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140512.6 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160205.1 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160527.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.