id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 15 maart 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190315.2 Rolnummer: C.18.0275.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2019-04-02 Raadplegingen: 266 - laatst gezien 2026-06-29 05:55 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190315.2 Fiches 1 - 3 Een algemene formule waarbij de rechter "al het op hoofdeis meer en andersgevorderde als zijnde ongegrond" afwijst, kan niet als een beoordeling van een punt van de vordering worden beschouwd wanneer uit de redenen van de beslissing niet blijkt dat de rechter dit punt van de vordering heeft onderzocht
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VORDERING IN RECHTE Vrije woorden: Punt van de vordering - Beoordeling door de rechter - Algemene formule van afwijzing ("vangnetformule") Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 794/1 en 1138, 3° - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Algemeen Vrije woorden: Punt van de vordering - Beoordeling door de rechter - Algemene formule van afwijzing ("vangnetformule") Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 794/1 en 1138, 3° - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - ALLERLEI Vrije woorden: Burgerlijke zaken - Punt van de vordering - Beoordeling door de rechter - Algemene formule van afwijzing ("vangnetformule") Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 794/1 en 1138, 3° - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Annotaties Publicaties: Rechtskundig Weekblad [RW] - 2019-20, nr. 19, p. 744-
- - ONGENAE, Kevin; Noot'Een bezemformule is geen beslissing' Tekst van de conclusie C.18.0275.N Conclusie van de heer advocaat-generaal C. Vandewal: Feiten en procedurevoorgaanden
- Volgens de stukken waarop het Hof acht vermag te slaan en inzonderheid het feitenrelaas in het bestreden arrest sloot eiser met derde verweerster, waarvan eerste verweerder en de rechtsvoorganger van tweede verweerders bestuurder/afgevaardigd bestuurder waren, een samenwerkingsovereenkomst in verband met de exploitatie van een diamantslijperij in Botswana. Eiser verweet verweerders wanuitvoering van hun contractuele verplichtingen, meer bepaald door eiser via een misbruik van meerderheid te hebben uitgesloten uit de financiële transacties en het bestuur van de slijperij, het waardevolle zichthouderschap van de slijperij te hebben onttrokken en verliezen te hebben geënsceneerd.
- Op 6 oktober 2009 werd een scheidsrechtelijke overeenkomst ondertekend door partijen. Bij arbitrale beslissing van 13 oktober 2010 verklaarden de arbiters, bij toepassing van het recht van Botswana, alle hoofd- en tegenvorderingen ongegrond.
- Bij arbitrale beslissing van 12 december 2014, verleend in hoger beroep, vernietigden de arbiters de beroepen arbitrale beslissing in eerste aanleg. De hoofdvordering van eiser werd gedeeltelijk gegrond verklaard en verweerders werden hoofdelijk veroordeeld tot betaling aan eiser van bedragen van 6.529.021,14 USD en 1,00 USD ten titel van materiële respectievelijk morele schadevergoeding wegens onrechtmatige transfert van het zicht, meer de interesten. De tegenvorderingen van verweerders werden ontvankelijk doch ongegrond verklaard. Bij verbeterende arbitrale beslissing van 7 januari 2015 werd de oorspronkelijk toegekende materiële schadevergoeding verminderd tot 3.825.974,94 USD. Op 20 januari 2015 legden verweerders een verzoek tot uitlegging en verbetering voor, dat in een uitspraak van 26 maart 2015 werd afgewezen. Ook het verzoek van eiser om de arbitrale beslissing aan te vullen omdat geen uitspraak werd gedaan over zijn vordering tot beloop van 2.454.058 USD voor de periode 2011-2013 werd afgewezen.
- Op 13 maart 2015 dagvaardden verweerders eiser voor de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, afdeling Antwerpen, teneinde de opschorting te bekomen van de uitvoerbaarheid van de arbitrale sententies in hoger beroep van 12 december 2014 en 7 januari 2015, evenals de vernietiging ervan. Lopende de procedure vorderden zij bijkomend de vernietiging van de arbitrale sententie van 26 maart
- Eiser, die de ontvankelijkheid en gegrondheid van die hoofdvorderingen betwistte, vorderde bij tegenvordering dat voor recht zou worden gezegd dat de arbiters geen uitspraak hebben gedaan over zijn vordering tot schadevergoeding voor de periode 2011-2013 en dat de zaak bijgevolg zou worden teruggewezen naar de arbiters ter aanvulling van hun uitspraak. Hij maakte tevens aanspraak op kapitalisatie van de interest. Bij het beroepen vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 15 januari 2016 werd de hoofdvordering van verweerders deels onontvankelijk en deels ongegrond verklaard en werden de tegenvorderingen van eiser ontvankelijk doch ongegrond verklaard. Verweerders werden veroordeeld tot de gedingkosten.
- Op het hoger beroep van verweerders en het incidenteel hoger beroep van eiser werden bij het bestreden arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 15 januari 2018 dit principaal hoger beroep van verweerders en dit incidenteel hoger beroep van eiser ontvankelijk doch ongegrond verklaard en werd het beroepen vonnis bevestigd, zij het deels om een andere reden.
- Het cassatieberoep van eiser tegen dit arrest maakt het voorwerp uit van huidige procedure. Het enig cassatiemiddel
- In zijn enig cassatiemiddel voert eiser schending aan van artikel 1708 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals van toepassing vóór de wijziging ervan door de Wet van 24 juni 2013 tot wijziging van het zesde deel van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de arbitrage, van de artikelen 1319, eerste lid, 1320 en 1322, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek en van artikel 149 van de Grondwet. Eiser voert vooreerst aan dat de appelrechters die besluiten dat de arbiters in hun beslissing met de algemene formule "Wijst al het op hoofdeis meer en anders gevorderde af als ongegrond" hoe dan ook uitspraak hebben gedaan over het geheel van de vorderingen van eiser, zonder na te gaan of uit de motieven van de arbitrale sententie blijkt dat de appelarbiters de door eiser gevorderde vergoeding voor de periode 2011-2013 daadwerkelijk hebben onderzocht, artikel 1708 (oud) van het Gerechtelijk Wetboek hebben miskend. Tevens hebben zij volgens eiser daarmee het Hof belet zijn wettigheidscontrole uit te oefenen. Tenslotte voert hij aan dat, in zoverre de appelrechters impliciet oordelen dat uit de motieven van de arbitrale beslissingen van 12 december 2014 en 7 januari 2015 blijkt dat de appelarbiters de door eiser gevorderde vergoeding voor gederfde winst voor de periode 2011-2013 daadwerkelijk hebben onderzocht, zij daarmee de bewijskracht van deze arbitrale beslissingen hebben miskend door er iets in te lezen dat er niet in staat. Bespreking van het eerste middel
- Het middel nodigt het Hof uit uitspraak te doen over de vraag of algemene "vangnetclausules" zoals in onderhavige casus, daadwerkelijk kunnen beschouwd worden als een uitspraak over de volledige vordering. Deze clausules, in de Franse rechtsleer "formules-balai" ("bezemformules") genaamd, worden door A. FRY als volgt omschreven: "Il arrive que le dispositif de décisions judiciaires contiennent ce qui a été qualifié de ‘formule-balai' soit une clause générale précisant par exemple que les parties sont déboutées ‘du surplus de leurs demandes' ou ‘de toutes autres demandes plus amples et contraires'"
(1).
- Zoals eiser stelt heeft het antwoord op deze vraag een ruimer toepassingsgebied dan alleen maar de huidige casus; het probleem stelt zich immers niet alleen met betrekking tot arbitrale beslissingen, zoals in onderhavig geschil, maar ook met betrekking tot rechterlijke vonnissen en arresten, in casu in toepassing van de artikelen 794/1 en 1138, 3° van het Gerechtelijk Wetboek.
- Het Franse Hof van Cassatie heeft in dit verband reeds verschillende arresten geveld waarin werd beslist dat dergelijke "vangnetformules" niet kunnen volstaan om te stellen dat uitspraak werd gedaan over alle vorderingen, indien uit de redenen van de rechterlijke uitspraak niet blijkt dat die vorderingen ook effectief werden onderzocht. In een arrest van 2 november 1999 besliste dit Hof in voltallige zitting immers "que l'arrêt, en dépit de la formule générale du dispositif qui ‘déboute les parties de leurs demandes plus amples ou contraires', n'a pas statué sur le chef de demande relatif aux intérêts, dès lors qu'il ne résulte pas des motifs de la décision que la cour d'appel l'ait examiné"
(2). Deze regel werd in diverse latere arresten van dit Hof herhaald en vormt aldus constante rechtspraak
(3). 11. Ik meen de leer die in die rechtspraak van het Franse Hof van Cassatie werd ontwikkeld te kunnen bijtreden en dat die per analogie ook dient toegepast te worden op arbitrale beslissingen. Een "vangnetclausule" in een beslissing, zij weze rechterlijk of arbitraal, kan aldus geen ondersteuning bieden voor niet-genomen beslissingen. Een dergelijke clausule, zonder dat blijkt dat de rechter (c.q. arbiter) aandacht heeft besteed aan bepaalde vorderingen, kan dan ook niet beschouwd worden als een effectieve uitspraak over die vorderingen en heeft dan ook geen gezag van gewijsde met betrekking tot die niet-onderzochte vorderingen
(4).
- Er kan dan ook niet worden aangenomen dat de rechter (c.q. arbiter) geoordeeld heeft over een punt van de vordering wanneer hij met een in het dictum van zijn beslissing opgenomen algemene formule het anders- of meergevorderde heeft afgewezen, indien uit de redenen van zijn beslissing niet blijkt dat hij dit punt van de vordering daadwerkelijk heeft onderzocht.
- De verplichting van de rechter (c.q. arbiter) om uitspraak te doen over elk punt van de vordering dreigt anders te worden uitgehold; er moet aldus uit de motieven van de beslissing duidelijk blijken dat de rechter de vordering daadwerkelijk heeft onderzocht.
- Deze oplossing is overigens proceseconomisch verantwoord, gezien naar thans geldend gemeenrecht, ingevolge artikel 794/1 van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij Wet van 24 oktober 2013, het gerecht dat verzuimd heeft zich over een punt van de vordering uit te spreken, dit verzuim kan herstellen.
- Uw Hof heeft zich overigens reeds in dezelfde zin uitgesproken over de "vangnetclausule" in de conclusies van partijen. Het oordeelde immers in een arrest van 23 december 1977 dat de clausule in een conclusie "dat eiseres de conclusie van verweerster in haar geheel als in elk harer onderdelen betwist" te algemeen en te vaag is om als een werkelijke betwisting te kunnen gelden
(5).
- De appelrechters hebben op grond van hun vaststelling dat de arbiters "al het op hoofdeis meer en anders gevorderde af?wijzen? als zijnde ongegrond" geoordeeld dat de arbiters uitspraak hebben gedaan over het geheel van de vorderingen, met inbegrip van de door eiser voor de periode 2011-2013 gevorderde schadevergoeding en die op artikel 1708 (oud) van het Gerechtelijk Wetboek gesteunde tegenvordering afgewezen, zonder na te gaan of de arbiters dit punt van de vordering daadwerkelijk hebben onderzocht. Zij hebben naar mijn mening hun beslissing aldus niet naar recht verantwoord zodat het middel mij gegrond voorkomt. Conclusie:
- Vernietiging in zoverre het bestreden arrest oordeelt over het incidenteel hoger beroep van de eiser en de kosten. ______________________
(1)A. FRY, "Interprétation, rectification et réparation des décisions judiciaires", JT 2015,
(161)164, nr. 12. Vrije vertaling: "Het gebeurt dat het dictum van rechterlijke beslissingen hetgeen bevat wat als ‘bezemformule' werd omschreven, weze een algemene clausule waarbij bijvoorbeeld wordt gepreciseerd dat ‘het meer gevorderde' of ‘alle andere meerdere en strijdige vorderingen' van partijen wordt afgewezen".
(2)Cass. (FR) (volt. zitt.) 2 november 1999, nr. 97-17107, www.legifrance.gouv.fr. Vrije vertaling: "dat het arrest, ondanks de algemene formule in het dictum die ‘het door de partijen meer of anders gevorderde afwijst', geen uitspraak heeft gedaan over de vordering inzake de interesten, nu uit de motieven van de beslissing niet blijkt dat het hof van beroep deze heeft onderzocht."
(3)3 Cass. (FR) 1 februari 2011, nrs. 08-45223, 08-45295 en 09-65999, www.legifrance.gouv.fr; Cass. (FR) 8 september 2011, nr. 10-15859, www.legifrance.gouv.fr; Cass. (FR) 7 juli 2015, nr. 13-17195, www.legifrance.gouv.fr; Cass. (FR) 13 april 2016, nr. 15-21454, www.legifrance.gouv.fr; Cass. (FR) 9 juni 2017, nr. 16-17634, www.legifrance.gouv.fr; Cass. (FR) 12 september 2018, nr. 16-24776, www.legifrance.gouv.fr.
(4)H. BOULARBAH (ed.), Droit judiciaire, T. 2, Manuel de procédure civile, Brussel, Larcier, 2015, 675-676.
(5)Cass. 23 december 1977, RW 1978-79, 362. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190315.2 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190315.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div