id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 22 maart 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190322.1 Rolnummer: F.17.0111.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2019-04-23 Raadplegingen: 305 - laatst gezien 2026-06-29 07:01 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190322.1 Fiche 1 In het raam van een taxatie op grond van tekenen en indiciën kan de gehele aangroei van het tegoed op een rekening-courant van de belastingplichtige in een vennootschap gedurende het belastbaar tijdperk als een indicie van hogere gegoedheid in de zin van artikel 341 WIB92 in aanmerking genomen worden
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Bewijsvoering - Tekenen of indiciën van gegoedheid Vrije woorden: Begrip - Tegoed op rekening-courant - Aangroei Wettelijke bepalingen: Wetboek van Inkomstenbelastingen - 12-06-1992 - Art. 341 - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Fiche 2 De omstandigheid dat de belastingplichtige op het einde van het jaar voorafgaand aan het belastbaar tijdperk beschikt over een bedrag aan spaartegoeden dat vervolgens onveranderd blijft tijdens het daaropvolgende belastbaar tijdperk, waarvoor de administratie overgaat tot een taxatie op grond van tekenen en indiciën, houdt niet het tegenbewijs in van de vastgestelde indicie, bestaande in de aangroei van een tegoed op de rekening-courant van de belastingplichtige in een vennootschap tijdens dat belastbaar tijdperk
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Bewijsvoering - Tekenen of indiciën van gegoedheid Vrije woorden: Tegenbewijs - Aangroei van tegoed op rekening-courant Wettelijke bepalingen: Wetboek van Inkomstenbelastingen - 12-06-1992 - Art. 341 - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Tekst van de conclusie F.17.0111.N Conclusie van Procureur-generaal D. Thijs:
- Onderhavige fiscale betwisting betreft de lastens verweerders voor het aanslagjaar 1996 gevestigde aanslag op grond van tekenen en indiciën gesteund op de toename van hun rekening-courant in een N.V. ingevolge door verweerders contant betaalde schulden van deze vennootschap. Het bestreden arrest vernietigt de betwiste aanslag om reden dat de spaartegoeden die verweerders aantonen te hebben belegd bij het begin van het belastbaar tijdperk op 31 december 1994 bij de Record Bank, ook aanwezig geacht kunnen worden op 31 december 1995, zodat verweerders het tegenbewijs bedoeld in artikel 341 WIB92 voldoende hebben geleverd.
- In het eerste onderdeel van het enig middel voert eiser aan dat de appelrechters door in die zin te oordelen onder meer artikel 341 WIB92 hebben geschonden. Verweerders werpen in hun memorie van antwoord de onontvankelijkheid op van het eerste onderdeel nu eiser niet verduidelijkt hoe en waardoor het bestreden arrest de door hem als geschonden aangewezen bepalingen zou hebben miskend. Wat de aangevoerde schending van artikel 341 WIB92 betreft, is de grief evenwel voldoende nauwkeurig.
- Krachtens artikel 341, eerste lid, WIB92 mag de raming van de belastbare grondslag, behoudens tegenbewijs, zowel voor rechtspersonen als voor natuurlijke personen, worden gedaan volgens tekenen en indiciën waaruit een hogere graad van gegoedheid blijkt dan uit de aangegeven inkomsten. Wanneer de administratie de belastbare grondslag overeenkomstig artikel 341 WIB92 heeft vastgesteld volgens tekenen en indiciën waaruit een hogere graad van gegoedheid blijkt dan uit de aangegeven inkomsten, moet de belastingplichtige, aan de hand van positieve en controleerbare gegevens, aantonen dat die gegoedheid voortkomt uit andere inkomsten dan die welke belastbaar waren in de inkomstenbelastingen of uit inkomsten die tijdens een vroegere periode dan de belastbare periode zijn verkregen. Uit de rechtspraak van Uw Hof blijkt dat in het raam van een taxatie op grond van tekenen en indiciën de gehele aangroei van het tegoed op een rekening-courant van de belastingplichtige in een vennootschap gedurende het belastbaar tijdperk als een indicie van hogere gegoedheid in de zin van artikel 341 WIB92 in aanmerking kan genomen worden. (Cass. 20 maart 2014, AR F.13.0052.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140320.15, AC 2014, nr. 228)
- De appelrechter stelt in casu vast: - dat de verweerder bij bericht van wijziging van 13 oktober 1998 de tijdige aangifte van de eisers wijzigde, voorhoudend dat in hun hoofde een indiciair tekort bestaat voor aanslagjaar 1996 ten bedrage van 1.569.585 BEF; - dat dit tekort werd toegevoegd aan de belastbare bestuurdersbezoldiging van de eiser en dienovereenkomstig in de bestreden aanslag werd belast; - dat het te verantwoorden bedrag weerhouden in dit bericht van wijziging onder meer gebaseerd is op de vaststelling van een aangroei van het creditsaldo van de rekening-courant van eisers in een vennootschap NV VM Contractors; - dat het volgens de uitleg van de eisers zou gaan om contant betaalde schulden van deze vennootschap, door henzelf geboekt op de creditzijde van hun rekening-courant in de al genoemde vennootschap, waardoor uit de vergelijking van de begintoestand met de eindtoestand van het saldo van die rekening-courant, een aangroei van het creditsaldo blijkt van (zoals door de verweerder weerhouden) 65.327,93 EUR; - dat de eisers in de loop van de procedure tot betwisting van de thans bestreden aanslag stukken en gegevens voorleggen waaruit blijkt dat zij op 31 december 1994 beschikten over spaargelden voor een bedrag van 2.807.139 BEF. De appelrechter oordeelt vervolgens dat: - een dergelijke aangroei van een rekening-courant die gebaseerd blijkt te zijn op contante betalingen voorgeschoten aan een vennootschap door de houder van de rekening-courant, een geldige indicie inhoudt in hoofde van de eerste eiser; - het voldoende is dat de eisers als tegenbewijs het bestaan van een verantwoording voor hun vastgestelde hogere graad van gegoedheid en dus hun vermogensbalans aantonen, doch niet verder moeten bewijzen hoe iedere uitgave waarmee rekening gehouden wordt in die initiële vermogensbalans opgesteld door de Belgische Staat middels toepassing van het bewijsmiddel van artikel 341 WIB92 gefinancierd werd; - dit van de eisers wel wordt gevraagd door nog verder te eisen dat de eindsaldi van hun spaarrekeningen op 31 december 1995 worden voorgelegd, vooraleer de bestaande spaarsaldi op 31 december 1994 als verantwoording voor een groter vermogen dan aangegeven te aanvaarden; - aldus van de eisers wordt geëist dat niet alleen de theoretisch overeenkomstig artikel 341 WIB 1992 opgestelde vermogensbalans door hen wordt weerlegd, maar tevens, in strijd met de grenzen van de hen opgelegde bewijslast wordt geëist, dat zij zouden aantonen hoe iedere theoretisch in aanmerking genomen uitgave door hen in concreto wordt gefinancierd; - nu spaartegoeden op 31 december 1994, ook aanwezig geacht kunnen worden op 31 december 1995, het tegenbewijs bedoeld in artikel 341 WIB92 voldoende is geleverd; - het geschil zich in casu niet uitstrekt over meerdere (latere) aanslagjaren en de eisers aldus het tegenbewijs leveren dat hun hogere staat van gegoedheid in het belastbaar tijdperk, niet uit belastbare inkomsten in dat tijdperk voortvloeit.
- Het is inderdaad zo dat de belastingplichtige in het raam van het tegenbewijs bij een aanslag op grond van tekenen en indiciën enkel moet aantonen dat de gegoedheid voortspruit uit andere inkomsten dan te belasten inkomsten, zonder dat hij moet bewijzen dat deze andere inkomsten werkelijk zijn aangewend om de bedoelde uitgaven te financieren. (cf. Cass. 5 september 1986, AC 1986, nr. 11). De omstandigheid dat de verweerders in cassatie in de periode van 31 december 1994 tot 31 december 1995 beschikten over spaartegoeden, waarvan niet wordt bewezen dat zij in de loop van het jaar 1995, zijnde het belastbare tijdperk, zijn afgenomen, kan echter m.i. op zich geen verantwoording bieden voor de door de fiscus vastgestelde indicie, bestaande in de aangroei van een tegoed op de rekening-courant van de belastingplichtige in een vennootschap. Door anders te oordelen en er van uit te gaan dat het tegenbewijs wordt geleverd doordat spaartegoeden op 31 december 1994, ook aanwezig geacht kunnen worden op 31 december 1995, schendt het bestreden arrest artikel 341 WIB
- Financiële middelen die tijdens het belastbaar tijdperk onaangeroerd zijn gebleven, kunnen immers geen verantwoording bieden voor de uitgaven die tijdens dat tijdperk werden gedaan. Het onderdeel komt mij dan ook gegrond voor. Besluit: VERNIETIGING. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190322.1 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190322.1 citeert: ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140320.15 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div