← België

ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190329.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 29 maart 2019 EC

Art. 16- 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART.

1 TOT 99) - Artikel 16 Vrije woorden: Onteigening ten algemenen nutte - Aan de federale wetgever voorbehouden aangelegenheid - Gemeenschappen en Gewesten - Machtiging - Wijze Wettelijke bepalingen:

Art. 16

- 30 ELI link Pub nr 1994021048 Fiches 3 - 4 Artikel 79, §1, Bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen machtigt de Gemeenschappen en de Gewesten om, bij decreet, de gevallen te bepalen waarin de Gemeenschaps- en Gewestregeringen tot onteigening ten algemenen nutte kunnen overgaan en de modaliteiten daarvan te bepalen; de regeringen kunnen, bij decreet, ook gemachtigd worden publiekrechtelijke rechtspersonen toe te staan over te gaan tot onteigeningen

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: ONTEIGENING TEN ALGEMENEN NUTTE Vrije woorden: Bijzondere Wet Hervorming Instellingen - Gemeenschappen en Gewesten - Machtiging - Decreet - Gevallen en modaliteiten - Wijze Wettelijke bepalingen: Wet - 08-08-1980 - Art. 79, § 1 - 02 ELI link Pub nr 1980080801 Thesaurus CAS: GEMEENSCHAP EN GEWEST Vrije woorden: Onteigening ten algemenen nutte - Bijzondere Wet Hervorming Instellingen - Machtiging - Decreet - Gevallen en modaliteiten - Wijze Wettelijke bepalingen: Wet - 08-08-1980 - Art. 79, § 1 - 02 ELI link Pub nr 1980080801 Fiches 5 - 6 Artikel 242, §2, Gemeentedecreet kent de autonome gemeentebedrijven de bevoegdheid toe om te onteigenen en bepaalt tevens de gevallen waarin zij tot onteigening kunnen overgaan, namelijk in de gevallen waarin een verkrijging van het onroerend goed noodzakelijk is voor de verwezenlijking van hun doelstellingen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: ONTEIGENING TEN ALGEMENEN NUTTE Vrije woorden: Gemeentedecreet - Het autonoom gemeentebedrijf - Machtiging tot onteigening - Wijze Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Raad - 15-07-2005 - Art. 242, § 2 Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - ALGEMEEN Vrije woorden: Gemeentedecreet - Het autonoom gemeentebedrijf - Machtiging tot onteigening - Wijze Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Raad - 15-07-2005 - Art. 242, § 2 Fiche 7 Hoewel de administratieve overheid over een ruime discretionaire bevoegdheid beschikt wat betreft de hoogdringendheid van de onteigening, mag de rechter in de uitoefening van zijn toezicht op de wettigheid, onderzoeken of die hoogdringendheid wel voorhanden is, wat impliceert dar deze voldoende aannemelijk moet zijn gemaakt; de rechter mag onderzoeken of die overheid geen machtsoverschrijding of machtsafwending heeft begaan door het juridisch begrip hoogdringendheid te miskennen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: ONTEIGENING TEN ALGEMENEN NUTTE Vrije woorden: Hoogdringendheid - Rechter - Uitoefening van zijn toezicht op de wettigheid - Wijze - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet - 25-07-1962 - Art. 1 - 34 Link Justel databank 19620725-34 Fiche 8 De bestuurshandelingen van bepaalde besturen moeten uitdrukkelijk gemotiveerd worden; de opgelegde motivering moet in de akte de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen en deze moet afdoende zijn; deze motivering kan ook blijken uit andere stukken, maar dan moet wel vaststaan dat die motivering door de beslissende overheid is overgenomen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: MACHTEN - UITVOERENDE MACHT Vrije woorden: Bestuurshandelingen - Motivering - Wijze Wettelijke bepalingen: Wet - 29-07-1991 - Artt. 2 en 3 - 36 ELI link Pub nr 1991000416 Fiches 9 - 10 Om billijk te zijn, moet de onteigeningsvergoeding even groot zijn als het bedrag dat moet betaald worden om zich een onroerend goed aan te schaffen van dezelfde waarde als het goed waarvan de onteigende werd ontzet; de verschuldigde belasting op de onteigeningsvergoeding staat in oorzakelijk verband met de onteigening; indien de onteigeningsvergoeding als gedwongen meerwaarde in hoofde van de onteigende wordt belast, moet die vergoeding worden verhoogd met de erop verschuldigde belasting teneinde de onteigende toe te laten een gelijkwaardig goed aan te kopen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: ONTEIGENING TEN ALGEMENEN NUTTE Vrije woorden: Onteigeningsvergoeding - Omvang - Belasting op de onteigeningsvergoeding - Gedwongen meerwaarde - Gevolg Wettelijke bepalingen:

Art. 16

- 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: BELASTING Vrije woorden: Onteigeningsvergoeding - Omvang - Belasting op de onteigeningsvergoeding - Gedwongen meerwaarde - Gevolg Wettelijke bepalingen:

Art. 16

- 30 ELI link Pub nr 1994021048 Annotaties Publicaties: Tijdschrift voor Bouwrecht en Onroerend Goed [TBO] - VERMAERCKE, Gregory; DE RAMMELAERE, Els; Noot "Cassatie bevestigt nogmaals: fiscale latentie kan meespelen in een onteigeningsvergoeding" - 2020, nr. 2, p. 137-

  1. Tekst van de conclusie C.18.0223.N - C.18.0227.N I. SITUERING
  2. De betwisting kadert in de onteigening van een stadsontwikkelingsproject waartoe verweerster werd gemachtigd met toepassing van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte.
  3. De eiseres in de eerste zaak (C.18.0223.N) was eigenaar van een aantal te onteigenen onroerende goederen, waaronder een sportgebouw waarin door de eiseres in de tweede zaak (C.18.0227.N) een sportcentrum werd uitgebaat.
  4. Het bestreden arrest doet het beroepen vonnis (dat de onteigening onwettig verklaarde) teniet en, opnieuw oordelend, verklaart de onteigening wettig, en veroordeelt verweerster tot betaling van een onteigeningsvergoeding aan de respectievelijke eiseressen, met voorbehoud voor de naar aanleiding van de onteigening werkelijk verschuldigde inkomstenbelastingen.
  5. Tegen deze beslissing voeren de respectievelijke eiseressen telkens vier middelen tot cassatie aan. II. BESPREKING VAN DE MIDDELEN Waar de cassatieberoepen in de beide zaken betrekking hebben op hetzelfde arrest en (grotendeels) dezelfde middelen betreffen, komt het mij voor dat zij in het belang van een goede rechtsbedeling proceseconomisch dienen gevoegd te worden.
  6. Het eerste middel (in de beide zaken) vecht de beslissing aan dat er voor de onteigening een habilitatiewet voorhanden is. 1.
  7. De voorwaarde van een dergelijke habilitatiewet vinden we terug in artikel 16 van de Grondwet, op grond waarvan niemand van zijn eigendom kan worden ontzet dan ten algemenen nutte, in de gevallen en op de wijze bij de wet bepaald en tegen een voorafgaande en billijke schadevergoeding. 1.
  8. In zoverre een habilitatiewet één of meerdere gevallen bevat waarin tot onteigening kan worden overgegaan, gaat het om een wettelijke bepaling die in abstracte termen wordt geformuleerd en van toepassing is op een onbepaald aantal gevallen

(1). 1.
  1. Waar het in beginsel de federale wetgever is die de gevallen bepaalt waarin tot onteigening kan worden overgegaan, kunnen de gemeenschappen en de gewesten slechts optreden in zoverre een bijzondere en uitdrukkelijke machtiging is gegeven bij de wetten tot hervorming der instellingen. 1.
  2. Die machtiging vinden we terug in artikel 79, §1, van de Bijzondere Wet tot Hervorming der Instellingen op grond waarvan de Vlaamse Regering en de Franse Gemeenschapsregering kunnen overgaan tot onteigeningen ten algemenen nutte in de gevallen en volgens de modaliteiten bepaald bij decreet, met inachtneming van de bij de wet vastgestelde gerechtelijke procedures en van de billijke en voorafgaande schadeloosstelling bepaald bij artikel 16 van de Grondwet. 1.
  3. Deze bepaling machtigt de gemeenschappen en gewesten om, bij decreet, de gevallen te bepalen waarin de gemeenschaps- en gewestregeringen tot onteigening ten algemenen nutte kunnen overgaan en de modaliteiten daarvan te bepalen. Zij wordt bovendien zo uitgelegd dat de regeringen bij decreet gemachtigd kunnen worden om publiekrechtelijke rechtspersonen toe te staan over te gaan tot onteigeningen voor het uitvoeren van werkzaamheden waar een gemeenschaps- of gewestbelang mee gemoeid is
(2). 1.
  1. In dit verband nam de Vlaamse Raad op 13 april 1988 twee decreten aan, met name een decreet tot bepaling van de gevallen en de modaliteiten waarbij de Vlaamse Regering kan overgaan tot onteigeningen ten algemenen nutte inzake de gewestelijke aangelegenheden, en een decreet tot bepaling van de gevallen en de modaliteiten waarbij de Vlaamse Regering kan overgaan tot onteigeningen ten algemenen nutte inzake de culturele, persoonsgebonden en onderwijsaangelegenheden. 1.
  2. Krachtens artikel 2 van die decreten wordt de Vlaamse Regering gemachtigd over te gaan tot onteigeningen ten algemenen nutte van de onroerende goederen in de gevallen waarin zij oordeelt dat de verkrijging ervan noodzakelijk is voor de uitbouw van de infrastructuur of voor het beleid inzake de gewestelijke aangelegenheden resp. de culturele, persoonsgebonden en onderwijsaangelegenheden, zoals bepaald in de Bijzondere Wet van 8 augustus 1980 tot Hervorming der Instellingen. 1.
  3. Artikel 3 van die decreten bepaalt dat de Vlaamse Regering andere rechtspersonen, die bevoegd zijn om onroerende goederen ten algemenen nutte te onteigenen, kan machtigen tot onteigening in de gevallen waarin zij oordeelt dat de verkrijging ervan noodzakelijk is voor de uitbouw van de infrastructuur of voor het beleid inzake de gewestelijke aangelegenheden resp. de culturele, persoonsgebonden en onderwijsaangelegenheden, zoals bepaald in de Bijzondere Wet van 8 augustus 1980 tot Hervorming der Instellingen. 1.
  4. Uit de memorie van toelichting bij deze beide voormelde decreten blijkt dat in de plaats van geval per geval, bij decreet, de mogelijkheid van onteigening te voorzien, de Vlaamse Regering gemeend heeft dat het nuttig is om, in uitvoering van de artikelen 4, 5, 6, 7, 10 en 79 van de Bijzondere Wet, bij decreet, op een algemene wijze, de onteigening ten algemenen nutte mogelijk te maken in de gevallen waarin de Regering oordeelt dat de verkrijging van onroerende goederen noodzakelijk is voor de uitbouw van de infrastructuur of voor het beleid inzake aangelegenheden waarvoor de Vlaamse Gemeenschap bevoegd is
(3). 1.10. Artikel 2 van het decreet bevat aldus een algehele habilitatie voor de Vlaamse Regering. Het bepaalt de gevallen waarin de Vlaamse Regering tot onteigening kan overgaan
(4). De bevoegdheid om te onteigenen put de Regering reeds uit artikel 79, §1, van de Bijzondere Wet tot Hervorming der Instellingen. 1.11. Artikel 3 bepaalt de gevallen waarin andere rechtspersonen kunnen overgaan tot onteigening, namelijk in de gevallen waarin dat volgens de Vlaamse Regering noodzakelijk is voor de uitbouw van de infrastructuur of voor het beleid inzake de gewestelijke resp. de culturele, persoonsgebonden en onderwijsaangelegenheden. Dit artikel bevat aldus niet alleen de onteigeningsmachtiging maar ook de gevallen waarin andere rechtspersonen kunnen overgaan tot onteigening
(5). 1.12. In deze gaat het om een autonoom gemeentebedrijf waarop artikel 242, §2, van het gemeentedecreet van toepassing is en op grond waarvan het autonoom gemeentebedrijf door de Vlaamse Regering gemachtigd kan worden om in eigen naam en voor eigen rekening over te gaan tot onteigeningen die noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van zijn doelstellingen
(6). 1.13. Deze bepaling verleent aan het autonoom gemeentebedrijf niet alleen de bevoegdheid om te onteigenen
(7), maar bepaalt ook de gevallen waarin het gemeentebedrijf kan overgaan tot onteigening namelijk wanneer dat noodzakelijk is voor de verwezenlijkingen van de doelstellingen van het gemeentebedrijf
(8). 1.
  1. De gevallen waarin een autonoom gemeentebedrijf kan overgaan tot onteigening worden aldus bepaald zowel in artikel 242 van het Gemeentedecreet als in artikel 3 van de decreten van 13 april
  2. Het gemeentebedrijf kan slechts overgaan tot onteigening wanneer dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van zijn doelstellingen, alsook voor de uitbouw van de infrastructuur of voor het beleid inzake de gewestelijke resp. de culturele, persoonsgebonden en onderwijsaangelegenheden. 1.
  3. Nu de appelrechters voor het voorhanden zijn van een habilitatie in de huidige aangelegenheid onder meer verwijzen naar artikel 3 van het decreet van 13 april 1988 (weliswaar naar het decreet inzake gewestelijke aangelegenheden in plaats van het m.i. hier toepasselijke decreet inzake culturele, persoonsgebonden en onderwijsaangelegenheden) en artikel 242, §2, van het Gemeentedecreet, en deze bepalingen zoals hoger gesteld m.i. de habilitatie voor verweerster vormen in de mate dat zij de gevallen bepalen waarin deze tot onteigening kan overgaan - namelijk wanneer dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van haar doelstellingen (te dezen de oprichting van een multimediale site met een nieuwe openbare bibliotheek, een openbaar centrum voor nieuwe media en een openbaar archief voor audiovisueel erfgoed) of voor de uitbouw van de infrastructuur of voor het beleid inzake culturele, persoonsgebonden en onderwijsaangelegenheden (te dezen gaat het om een culturele aangelegenheid) - komt het mij op grond van de hoger vermelde benadering dan ook voor dat zij hun beslissing naar recht verantwoorden, en dat het tweede onderdeel van het eerste middel (van zaak I) en het eerste middel (van zaak II) in zoverre aldus niet kunnen aangenomen worden. (...)
  4. Het tweede middel (in de beide zaken) komt op tegen de beslissing dat aan de vereiste van hoogdringendheid is voldaan. 2.
  5. Voor de toepassing van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte (Onteigeningswet 1962) is conform artikel 1 vereist dat de Koning vaststelt dat de onmiddellijke inbezitneming van een of meer onroerende goederen ten algemenen nutte onontbeerlijk is
(9). 2.2. Het ministerieel besluit dat machtiging tot onteigening via de spoedprocedure verleent, is een discretionaire bestuurshandeling
(10). Hoewel de onteigenende overheid over een ruime discretionaire bevoegdheid beschikt wat de hoogdringendheid van de onteigening betreft, mag de Raad van State als wettigheidsrechter controleren of die hoogdringendheid wel voorhanden is, wat impliceert dat deze voldoende aannemelijk moet zijn gemaakt
(11). Deze redenen, waarvan de Raad van State het bestaan en de juistheid moet kunnen nagaan, dienen door het administratief dossier gestaafd te worden; dat de overheid over een ruime discretionaire bevoegdheid beschikt wat de beoordeling van de hoogdringendheid van de onteigening betreft, doet daaraan geen afbreuk. 2.3. In zoverre het aldus de Raad van State niet toekomt zich in de plaats van de bevoegde administratieve overheid te stellen om te oordelen of het algemeen nut al dan niet de onmiddellijke inbezitneming van de te onteigenen grond vereist, is hij echter wel bevoegd om, in de uitoefening van zijn toezicht op de wettigheid, na te gaan of de ingeroepen hoogdringendheid met de werkelijkheid overeenstemt
(12). 2.4. In datzelfde kader hebben ook de rechters, zo het principieel aan de administratieve overheid staat de hoogdringendheid te beoordelen, op grond van artikel 159 van de Grondwet - krachtens hetwelk de hoven en de rechtbanken geen gevolg geven aan de bestuurshandelingen die niet met de wetten overeenstemmen - de verplichting te onderzoeken of die overheid geen machtsoverschrijding of machtsafwending heeft begaan door het juridisch begrip hoogdringendheid te miskennen
(13). 2.5. In zoverre de scheiding der machten met zich brengt dat de rechter de appreciatie- en beleidsbevoegdheid van het bestuur dient te eerbiedigen, sluit ze aldus de rechterlijke controle op de beoordeling van de redenen van hoogdringendheid niet uit, weze het dat de bestuurshandeling slechts kan worden gesanctioneerd bij kennelijke onredelijkheid
(14). 2.6. Wanneer de aangehaalde motivering beperkt is tot redenen die het algemeen nut van de voorgenomen onteigening zouden kunnen verantwoorden, maar niet de noodzaak om tot de onmiddellijke inbezitneming van de gronden over te gaan, is de beslissing van de feitenrechter dat toepassing kon worden gemaakt van de Onteigeningswet van 1962 volgens uw Hof niet naar recht verantwoord
(15). 2.7. Zowel het algemeen nut als de hoogdringendheid dienen derhalve gemotiveerd te zijn. Ook de Raad van State heeft in die context al meerdere keren een schending van artikel 1 weerhouden omdat de motivering beperkt was tot de redenen die het algemeen nut zouden kunnen verantwoorden
(16). 2.
  1. In casu oordeelt het bestreden arrest, op eigen gronden en met overname van de redengeving van de eerste rechter, dat de hoogdringendheid afdoende is aangetoond, in de mate dat de onteigening gesteund is op de (dringende) nood aan een nieuwe en ruimere stadsbibliotheek en aan sanering van de verloederde site, waarbij de noodzaak tot een onmiddellijke inbezitneming wordt beoordeeld op basis van reële problemen waaraan zo spoedig mogelijk diende verholpen te worden ingevolge nood aan een oplossing om reden van verdere doorzetting van de problematiek in de loop van de jaren met verergering van de aanslepende toestand naar recente datum toe. 2.
  2. Uit de vaststellingen en overwegingen van het bestreden arrest blijkt m.i. dan ook dat de appelrechters de hoogdringendheid niet louter aannemelijk achten op grond van het algemeen nut (belang), waartoe onteigend werd, maar wel degelijk ook op grond van de verdere evolutie en de zich daardoor opdringende noodzaak tot onmiddellijke inbezitneming om verergering van de toestand te voorkomen. 2.
  3. Op die gronden staat het mij dan ook voor dat de appelrechters hun beslissing in deze naar recht verantwoorden, en dat ook het tweede middel derhalve niet kan worden aangenomen.
  4. Het derde middel komt op tegen de beslissing dat het onteigeningsbesluit gemotiveerd is wat de hoogdringendheid en de noodzaak tot onteigening betreft, en tegen de verwerping van het verweer van eiseres waarin het tegendeel werd beweerd. (...) 3.
  5. Het tweede onderdeel voert aan dat het bestreden arrest, door te beslissen dat aan de formele motiveringsplicht werd voldaan omdat eiseres kennis had van de motivatienota en haar rechten van verdediging niet werden miskend, artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen schendt. 3.2.
  6. In zoverre dit artikel bepaalt dat de opgelegde motivering in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moeten vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen en deze afdoende moet zijn, kan een bestuurshandeling evenwel ook formeel worden gemotiveerd door verwijzing in de akte naar andere stukken waarvan de betrokkene voorafgaandelijk in kennis werd gesteld
(17). Nu het bestreden arrest vaststelt dat het machtigingsbesluit (van 25 mei 2010) gemotiveerd is door de verwijzing naar het gemeenteraadsbesluit (van 23 november 2009) en dit laatste verwijst naar de motiveringsnota in bijlage bij het besluit, staat het mij voor dat, zoals vereist, de beslissende overheid zich wel degelijk de motivatienota eigen heeft gemaakt, en dat de appelrechters alzo hun beslissing naar recht verantwoorden waardoor het onderdeel aldus niet kan aangenomen worden. 3.
  1. Het derde onderdeel verwijt het bestreden arrest, door te beslissen dat een betekening aan de onteigende van het onteigeningsbesluit met alle andere stukken waarnaar dit besluit verwijst door geen enkele wet wordt voorgeschreven, artikel 5, tweede lid, 1°, van de Onteigeningswet 1962 te schenden. 3.3.
  2. In zoverre de niet-eerbiediging van de formele motiveringsplicht slechts tot niet-toepassing van de bestuurshandeling leidt wanneer degene in wiens voordeel deze formaliteit is voorgeschreven in zijn rechten werd geschaad omwille van het niet respecteren daarvan
(18), en de onteigende weliswaar in kennis dient gesteld te worden van het onteigeningsbesluit en de onteigeningsmachtiging om hem toe te laten zijn rechten - weze het middels een procedure voor de Raad van State dan wel door het voordragen van zijn verweer in de gerechtelijke fase van de onteigening voor de vrederechter in toepassing (van inzonderheid artikel 7, tweede lid) van de Onteigeningswet 1962 - te laten gelden, blijkt uit de vaststelling van het bestreden arrest dat eiseres, in de omstandigheden daarin toegelicht, tijdig en afdoende kennis had van de motiveringsnota, ook al werd deze haar niet samen met het onteigeningsbesluit en de onteigeningsmachtiging ter kennis gebracht. 3.3.2. Waar als zodanig het doel van de formele motivering werd bereikt (opdat eiseres haar rechten zou kunnen laten gelden) komt het mij dan ook voor dat - anders dan in het onderdeel voorgehouden - de artikelen 5, tweede lid, 1°, en 7, tweede lid, van de Onteigeningswet 1962 aldus evenwel geenszins vereisen dat het onteigeningsbesluit in zijn geheel, met al zijn bijlagen, aan de onteigende moet betekend worden, laat staan dat dit op straffe van nietigheid zou dienen te gebeuren
(19). 3.3.
  1. Vanuit voormelde benadering staat het mij derhalve voor dat het onderdeel op een onjuiste rechtsopvatting berust en als zodanig faalt naar recht.
  2. Het vierde middel van de eerste zaak komt op tegen de beslissing waarbij aan eiseres een onteigeningsvergoeding werd toegekend met voorbehoud voor de naar aanleiding van de onteigening door haar werkelijk verschuldigde inkomstenbelastingen. (...) 4.
  3. Het vierde onderdeel van het vierde middel (in de eerste zaak) en het tweede onderdeel van het vierde middel (in de tweede zaak) betreft de in de onteigeningsvergoeding op te nemen belastingen. 4.4.
  4. Het eerste subonderdeel (in de hierboven vermelde onderdelen) heeft betrekking op de beslissing waarbij aan eiseres voorbehoud wordt verleend voor de naar aanleiding van de onteigening werkelijk verschuldigde inkomstenbelastingen, en verwijt het bestreden arrest, door slechts een voorbehoud toe te kennen omdat de fiscale schade van eiseres slechts voor vergoeding in aanmerking komt indien en nadat zij klaar en duidelijk aantoont dat die belasting concreet en werkelijk verschuldigd is, en daarbij te verwijzen naar de eigen keuzes van de onteigende die een impact kunnen hebben op de daadwerkelijk verschuldigde belasting, artikel 16 van de Grondwet en artikel 79, §2, van de Bijzondere Wet van 8 augustus 1980 tot Hervorming der Instellingen te schenden. 4.4.1.
  5. Ingevolge het arrest van uw Hof van 29 oktober 2009
(20)staat de verschuldigde belasting op de onteigeningsvergoeding in oorzakelijk verband met de onteigening. Indien de onteigeningsvergoeding als gedwongen meerwaarde wordt belast, moet die vergoeding worden verhoogd met de erop verschuldigde belasting. Het Hof beslist verder dat het bestreden arrest dat niet onderzoekt of de onteigende belasting verschuldigd is op de naar aanleiding van de onteigening gerealiseerde gedwongen meerwaarde en oordeelt dat de gebeurlijke belasting niet het rechtstreeks en noodzakelijk gevolg van de onteigening is en derhalve geen vergoedbare schade uitmaakt, artikel 16 van de Grondwet schendt. Het bestreden arrest diende aldus te onderzoeken of de meerwaardebelasting verschuldigd was, en als dat het geval was kon het niet oordelen dat die belasting niet het rechtstreeks en noodzakelijk gevolg is van de onteigening. 4.4.1.2. Met dit arrest lijkt het Hof enerzijds de stelling af te wijzen dat de verschuldigde belasting steeds het gevolg is van de vrije keuze van de onteigende, en anderzijds de stelling (zoals die van eiseres) dat de meerwaardebelasting steeds vergoed moet worden, ongeacht of die daadwerkelijk verschuldigd is. De rechter dient m.a.w. te onderzoeken of de meerwaardebelasting verschuldigd is en als dat het geval is staat die verschuldigde belasting in oorzakelijk verband met de onteigening
(21). 4.4.1.3. Dat enkel een verschuldigde belasting in aanmerking komt voor vergoeding doet geen afbreuk aan de keuzevrijheid van de onteigende om zijn gelden naar eigen goeddunken aan te wenden. De onteigende behoudt die keuzevrijheid. Hij kan kiezen voor de onmiddellijke belastbaarheid, in welk geval hij vergoeding kan vorderen voor die belasting. Als hij kiest voor een herbelegging conform artikel 47 WIB zal hij slechts worden vergoed in de mate hij kan aantonen dat hij fiscale schade lijdt
(22). 4.4.1.4. Deze oplossing stemt ook overeen met de principes inzake het buitencontractuele aansprakelijkheidsrecht
(23)in de mate dat die schadeloosstelling alle schadeposten moet omvatten die de onteigende heeft geleden en die in oorzakelijk verband staan met de onteigening alsook met het uitgangspunt dat om billijk te zijn in de zin van artikel 16 van de Grondwet de schadeloosstelling wegens onteigening gelijk dient te zijn aan, maar niet meer mag bedragen dan het bedrag dat moet worden betaald om zich een onroerend goed van dezelfde waarde aan te schaffen als het goed waarvan de onteigende wordt ontzet
(24). 4.4.1.5. In zoverre het bestreden arrest geenszins uitsluit dat er een oorzakelijk verband is tussen de meerwaardebelasting op de onteigeningsvergoeding en de onteigening, en evenmin betwist dat de onteigende de onteigeningsvergoeding naar eigen goeddunken kan aanwenden, maar enkel te kennen geeft dat eiseres geen bewijs voorlegt van de werkelijke belasting die zij verschuldigd zou zijn en zich in afwachting van het bewijs daarvan beperkt tot het verlenen van een voorbehoud, zodat evenmin blijkt dat het arrest zou nagelaten hebben aan eiseres een vergoeding toe te kennen die haar in staat kan stellen een gelijkaardig goed aan te kopen, komt het mij derhalve voor dat het zijn beslissing naar recht verantwoordt, en dat het eerste subonderdeel niet kan worden aangenomen. (...) III. CONCLUSIE: VERNIETIGING (m.b.t. het eerste onderdeel van het vierde middel in zaak II, evenals m.b.t. het tweede subonderdeel van het vierde onderdeel van het vierde middel in zaak I en het tweede onderdeel van het vierde middel in zaak II, voor zover telkens nagelaten wordt uitspraak te doen over het (meer) gevorderde) en VERWERPING voor het overige. ___________________________
(1)S. VERBIST, Zelfrealisatie en onteigeningsnoodzaak bij de verwezenlijking van ruimtelijke uitvoeringsplannen, TROS 2009,
(5), 7; S. VERBIST, De onteigening ten algemenen nutte als instrument van ruimtelijke ordening, Antwerpen, Intersentia, 2011, 215, nr. 460; S. DE RIDDER, Onteigeningsbevoegdheid en aanverwante begrippen, in E. LONCKE (ed.), Wegwijs in het Belgische onteigeningsrecht, UGA, Heule 2013, 58; M. DENYS en J. TOURY, Habilitatie en onteigening, in R. PALMANS en J. TOURY, Onteigeningen in Vlaanderen na de zesde staatshervorming, Antwerpen, Intersentia, 2015,
(41), 42; Nota van de Vlaamse Regering over inhoudelijke en procesgerelateerde krijtlijnen bij de opmaak van een overkoepeld onteigeningsdecreet, Parl. St. 2014-2015, nr. 209/1, 21.
(2)Cass. 8 juni 2000, AR C.98.0345.N ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000608.14, AC 2000, nr. 349.
(3)Memorie van Toelichting bij het ontwerp van decreet van de gevallen en de modaliteiten waarbij de Vlaamse executieve kan overgaan tot onteigeningen ten algemenen nutte inzake de gewestelijke aangelegenheden (Parl. St. Vlaamse Raad 1986-87, nr. 210/1, 2) en inzake de culturele, persoonsgebonden en onderwijsaangelegenheden (Parl. St. Vlaamse Raad 1986-87, nr. 211/1, 2).
(4)Memorie van Toelichting bij het ontwerp van decreet van 27 februari 2017 betreffende de onteigening voor het algemeen nut (Parl. St. Vl. Parl. 2016-2017, nr. 991/1, 15) dat ervan uitgaat dat de decreten van 13 april 1988 de algemene habilitatie voor de Vlaamse Regering regelen, waarbij ze voor zowel gewestmateries als voor gemeenschapsmateries de mogelijkheid tot onteigenen krijgt. De bevoegdheid tot onteigenen heeft de Vlaamse Regering reeds op basis van artikel 79, §1, van de Bijzondere Wet van 1980 gekregen; zie ook het advies van de Raad van State in de Memorie van Toelichting m.b.t. de beide decreten van 13 april 1988 (nrs. 210/1, 9, en 211/1, 9), evenals S. VERBIST, Het Vlaams onteigeningsdecreet en de ruimtelijke ordening, TROS 2017,
(83), 88. Zie evenwel ook M. DENYS en J. TOURY, Habilitatie en onteigening, in R. PALMANS en J. TOURY, Onteigeningen in Vlaanderen na de zesde staatshervorming, Antwerpen, Intersentia, 2015,
(41), 54, nr. 40, en 61, nr. 55.
(5)Zie advies Raad van State (nrs. 210/1, 9, en 211/1, 9)
(6)Volgens sommige auteurs moeten deze doelstellingen bij decreet of bij wet worden vastgesteld. Habilitaties die gekoppeld zijn aan de doelstellingen van een publiekrechtelijk rechtspersoon zouden echter vrij makkelijk kunnen worden vervangen door een habilitatiebepaling die stelt dat elke overheid of elke publieke rechtspersoon onteigeningsbevoegd is voor de verwerving van onroerende goederen die vereist zijn voor de realisatie van haar maatschappelijk doel: S. VERBIST, De onteigening ten algemenen nutte als instrument van de ruimtelijke ordening, Antwerpen, Intersentia, 2011, 219, nr. 469; S. DE RIDDER, Onteigeningsbevoegdheid en aanverwante begrippen, in E. LONCKE (ed.), Wegwijs in het Belgische onteigeningsrecht, UGA, Heule, 20136, 58-59.
(7)Memorie van Toelichting bij Gemeentedecreet, 148: Dit artikel kent de autonome gemeentebedrijven een aantal bevoegdheden toe waarover overheidspersonen met publiekrechtelijke vorm klassiek beschikken, zoals het recht (...) om te onteigenen.
(8)Contra: M. DENYS en J. TOURY, Habilitatie en onteigening, in R. PALMANS en J. TOURY, Onteigeningen in Vlaanderen na de zesde staatshervorming, Antwerpen, Intersentia, 2015,
(41), 56, die ervan uitgaan dat artikel 242, §2, Gemeentedecreet slechts beschouwd kan worden als een bevoegdheidstoebedeling waarbij het autonoom gemeentebedrijf - zelfs al is de onteigening in overeenstemming met haar statutaire doelstellingen - zich voor de onteigening steeds zal dienen te steunen op een afzonderlijke wettelijke of decretale habilitatiebepaling. Zie evenwel de Memorie van Toelichting bij het ontwerp van decreet betreffende de onteigening voor algemeen nut (Parl. St. Vl. Parl. 2016-2017, nr. 991/1, 40-42) waar artikel 242, §2, Gemeentedecreet wordt opgenomen in de lijst van de bestaande decretale habilitatiebepalingen.
(9)Artikel 1 van deze wet moet aldus worden gelezen dat de aan de koning toegekende bevoegdheid uitsluitend door de executieve wordt uitgeoefend in de aan de gemeenschappen of de gewesten overgedragen aangelegenheden: GwH 15 juni 1988, nr. 65/88, 2.B.3, en GwH 16 mei 1995, nr. 38/95, B.4.1.
(10)RvS 30 juni 1993, nr. 43.560.
(11)RvS 19 april 2016, nr. 234.438.
(12)RvS 13 augustus 1992, nr. 40.094.
(13)Cass. 7 oktober 1977, AC 1978, 173.
(14)Cass. 4 november 2008, AR P.08.0081.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081104.2, AC 2008, nr. 608.
(15)Cass. 12 november 2015, AR C.13.0257.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151112.5, AC 2015, nr. 669.
(16)RvS 13 oktober 2008, nr. 187.007; RvS 11 april 2012, nr. 218.855; RvS 19 april 2016, nr. 234.438; RvS 23 februari 2018, nr. 240.802.
(17)Cass. 29 mei 2008, AR C.07.0193.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080529.2, AC 2008, nr. 330; zie ook Cass. 11 september 2003, AR C.01.0114.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030911.7, AC 2003, nr. 426.
(18)G. DEBERSAQUES, De sanctie verbonden aan het verzuim van een afdoende formele motivering in de zin van de Uitdrukkelijke Motiveringswet, enkele kanttekeningen, TBP 1993, 645.
(19)E. VANDER PEYPEN, De onteigeningsmachtiging, in R. PALMANS en J. GHYSELS (eds.), Onteigeningen. De voorafgaande fase, Antwerpen, Intersentia, 2006, 66, nrs 133 e.v.; vgl. RvS 19 april 2012, nr. 218.950.
(20)Cass. 29 oktober 2009, AR C.08.0436.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091029.9, AC 2009, nr. 626.
(21)Zie ook Cass. 13 oktober 2016, AR C.14.0580.F ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161013.4, AC 2016, nr. 569, evenals J. TOURY en M. DENYS, De vergoeding van fiscale onteigeningsschade bij meerwaarde op onroerende goederen, noot onder het arrest van 29 oktober 2009, in T. Not. 2011, 427.
(22)B. PEETERS en A. VAN DE VIJVER, Fiscale aspecten van de billijke schadeloosstelling bij onteigening ten algemenen nutte, in R. PALMANS en V. SAGAERT, De onteigeningsvergoeding. Positie van derden bij onteigening, Antwerpen, Intersentia, 2009, 31, nr. 70.
(23)Cass. 31 januari 2008, AR C.06.0250.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080131.4, AC 2008, nr. 76.
(24)Cass. 21 september 2006, AR C.05.0448.F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060921.7, AC 2006, nr. 429. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190329.2 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190329.2 citeert: ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000608.14 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030911.7 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060921.7 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080131.4 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080529.2 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081104.2 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091029.9 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151112.5 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161013.4 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240927.1N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.