← België

ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190401.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 01 april 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190401.3 Rolnummer: C.16.0265.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Overige - Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2019-05-09 Raadplegingen: 228 - laatst gezien 2026-06-28 17:31 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190401.3 Fiche 1 Uit de samenhang tussen artikel 15, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidsberoepen, artikel 35, eerste lid, van de wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidsberoepen, de artikelen 17novies, 91, 130, 132, §1, 133, 135, 140, 141 van de wet van 7 augustus 1987 op de ziekenhuizen en de artikelen 30, 98, 144, 146, § 1, 147, 149 en 155 van de gecoördineerde wet van 10 juli 2008 op de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen, volgt dat het ziekenhuis dat de honoraria krachtens de hem wettelijk toegewezen exclusieve bevoegdheid centraal int, daarbij in eigen naam en voor eigen rekening optreedt

(1)
(2).
(1)Zie concl. OM.
(2)Koninklijk Besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidsberoepen, vóór het werd gecoördineerd bij KB van 10 mei 2015. Thesaurus CAS: GENEESKUNDE - ALGEMEEN Vrije woorden: Ziekenhuisfactuur - Centrale inning - Ziekenhuis - Hoedanigheid - Gevolg Fiche 2 Uit de wijziging van artikel 17ter, A, 5°, Nomenclatuur van de Geneeskundige Verstrekkingen bij artikel 2 van het koninklijk besluit van 26 oktober 2011 tot wijziging van de artikelen 17, § 1, 17ter, A en B, 20, § 1, e), 24, § 2, 25, § 1 en § 3, 26, § 9 en § 12, en 34, § 1, a), van de bijlage bij het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen volgt niet dat de manipulatie met het oog op selectieve coronarografie voordien niet werd geacht deel uit te maken van de prestatie van een coronarografie
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING - ALGEMEEN Vrije woorden: Geneeskundige verstrekkingen - Nomenclatuur - Regelgeving - Wijziging - Selectieve coronarografie - Schrapping - Gevolg Annotaties Publicaties: Rev.dr.santé-Revue de droit de la santé - 2021-2022, n° 5, p. 387-
  1. - BACHEZ, Céline; CALLENS, Stefaan; Note'Perception centrale des honoraires des médecins hospitaliers: rejet de la théorie du mandat légal' Tekst van de conclusie C.16.0265.N Conclusie van advocaat-generaal Vanderlinden:
  2. Eiseres tot cassatie komt op tegen een arrest van het hof van beroep Gent gewezen op 28 januari
  3. Door eiseres worden er twee middelen aangevoerd.
  4. Wat betreft het eerste middel. Eerste onderdeel. A. Probleemstelling. Het eerste onderdeel betreft de vraag of een ziekenhuis, dat ingevolge de wettelijke bepalingen de honoraria van de ziekenhuisgeneesheren centraal int, dit doet in het kader van een wettelijke lastgeving, in naam en voor rekening van deze artsen, dan wel dat dit plaatsheeft in eigen naam en voor eigen rekening. B. Beoordeling. Door eiseres wordt het standpunt ingenomen dat het bij de centrale inning gaat om een wettelijke lastgeving tot het innen van de honoraria, als lasthebber van de geneesheren. a. Relevante regelgeving In het kort worden hier de relevante bepalingen van de wet van 7 augustus 1987 op de ziekenhuizen, hierna Ziekenhuiswet 1987 en de wet van 10 juli 2008 op de ziekenhuizen en andere verzorgingsinstellingen, hierna Ziekenhuiswet 2008, overlopen. Ingevolge de artikelen 133 Ziekhuiswet 1987 en 147 Ziekhuiswet 2008 moeten alle betalingen door patiënten en derden
(1), ter vergoeding van de prestaties van ziekenhuisartsen voor prestaties met betrekking tot gehospitaliseerde patiënten centraal worden geïnd. Het is een ziekenhuisarts dus wettelijk niet toegestaan om zelf het verschuldigde ereloon te innen
(2). Een gehospitaliseerde patiënt is, luidens de artikelen 141 Ziekenhuiswet 1987 en 156 Ziekenhuiswet 2008, iemand die opgenomen wordt in het ziekenhuis, er al dan niet verblijft, en waarvoor de wettelijke verplichting van derde-betaler geldt. De rechtsverhouding tussen de ziekenhuisarts en het ziekenhuis maakt, op grond van artikel 130 Ziekenhuiswet 1987 en artikel 144 Ziekenhuiswet 2008, het voorwerp uit van een algemene regeling. Hierin zitten tevens de financiële werkvoorwaarden vervat. Luidens artikel 130, paragraaf 3, 4° Ziekhuiswet 1987 en artikel 144, paragraaf 3, 4° Ziekhuiswet 2008 zijn hierin begrepen de financiële schikkingen met betrekking tot de medische activiteit, de wijze van inning van de honoraria, de kostenregeling, alsmede de standaardbepalingen die hierop betrekking hebben. Inzake de centrale inning dient de aandacht gevestigd te worden op artikel 135 Ziekenhuiswet 1987 en artikel 149 Ziekenhuiswet
  1. Deze bepalingen regelen de centrale inning. Zo wordt er hierin, onder meer, bepaald dat in het reglement met betrekking tot de werking van de inningsdienst voorzien moet worden binnen welke termijn de attesten inzake de verstrekte verzorging door de ziekenhuisarts moet worden toegestuurd. Ook wordt voorzien in een regeling binnen welke termijn, enerzijds, de facturen aan de debiteuren moeten worden aangeboden en, anderzijds, de aan de ziekenhuisarts verschuldigde bedragen worden uitbetaald. Voor wat betreft dit laatste is er tevens voorzien in een verwijlsintrest bij niet tijdige betaling, zonder dat de arts het ziekenhuis in gebreke dient te stellen. Artikel 139bis Ziekenhuiswet 1987 en artikel 154 Ziekenhuiswet 2008 stellen dat de honoraria, centraal geïnd of niet, alle kosten dekken die verbonden zijn aan de uitvoering van de medische prestaties. De centraal geïnde bedragen hebben dus een ruimere aanwending dan enkel de vergoeding van de ziekenhuisarts. Dit blijkt uit artikel 140, §1, eerste lid, Ziekenhuiswet 1987 en artikel 155, §1, eerste lid, Ziekenhuiswet 2008 waarin een overzicht aan te treffen is van waarvoor deze sommen, benevens wat verschuldigd is aan de geneesheer, kunnen worden aangewend. Zo is er het dekken van de kosten veroorzaakt door de medische prestatie die niet door het budget vergoed worden, de verwezenlijking van maatregelen om de medische activiteit te bevorderen of in stand te houden, ... Eén en ander wordt bepaald in een overeenkomst tussen de medische raad en de beheerder. Tot slot, wordt de wijze waarop de ziekenhuisarts vergoed wordt op limitatieve wijze bepaald door de ziekenhuiswet. Dit kan inzonderheid aangetroffen worden in artikel 132, §1 Ziekenhuiswet 1987 en artikel 146, §1 Ziekenhuiswet
  2. Er zijn diverse mogelijke vergoedingswijzen. Het betreft een stelsel van vergoeding per prestatie, een stelsel van vergoeding gegrond op de verdeling van een pool van vergoedingen per prestatie, een stelsel van forfaitaire vergoeding bestaande in een wedde of een combinatie van die stelsels
(3). Er is dus niet noodzakelijk een eenheid van vergoeding. Diverse artsen kunnen op een verschillende wijze vergoed worden zelfs indien ze dezelfde specialiteit hebben en dus dezelfde activiteit uitoefenen
(4). De wijze van vergoeding wordt vastgelegd in de algemene regeling van de rechtsverhoudingen waarvan hoger sprake. Zo er meerdere stelsels mogelijk zijn, dan wordt per arts, in een individuele overeenkomst, gekozen voor één van deze stelsels
(5). b. Bespreking. Bij het overlopen van de hoger aangehaalde wetsbepalingen dient men tot het besluit te komen dat de ziekenhuizen weldegelijk in eigen naam en voor eigen rekening optreden. Het centraal innen is een wettelijke opdracht doch het is geen wettelijke lastgeving. Daar het om een wettelijke opdracht gaat dienen, in die rechtsfiguur, al de voorkomende mogelijkheden gevat kunnen worden. Aan de opdracht van het ziekenhuis een juridische kwalificatie geven die niet alomvattend is, en dus bepaalde wettelijk vastgelegde omstandigheden uitsluit, kan niet weerhouden worden. Het probleem om de wettelijk opdracht van het ziekenhuis inzake de centrale inning te zien als een wettelijk lastgeving komt duidelijk naar voor door het gegeven dat, ingevolge de verschillende stelsels van vergoedingen, er tevens verschillende categorieën van ziekenhuisartsen zijn. Zo alles centraal geïnd wordt
(6)op grond van de prestaties die door de arts verricht worden en waarvoor hij de nodige attesten overmaakt aan de inningsdienst, is wat de ziekenhuisarts verkrijgt afhankelijk van de overeenkomst tussen de arts en het ziekenhuis dat aangeeft volgens welk stelsel hij vergoed zal worden. Indien men de visie van eiseres tot cassatie zou volgen en de centrale inning als een wettelijke lastgeving aan het ziekenhuis zou beschouwen dan zit men met een probleem dat dit niet alle mogelijke situaties omvat. Zo is de figuur van de lastgeving onverenigbaar met het stelsel van een ziekenhuisarts die forfaitair vergoed wordt. In dat geval is er immers geen sprake van een recht op een ereloon. De arts heeft het honorarium afgestaan aan het ziekenhuis in ruil voor een forfaitaire vergoeding, zijnde een wedde
(7). Bij de centrale inning kan er op dat ogenblik geen sprake zijn van een lastgeving. Het gaat dan om een eigen recht van het ziekenhuis
(8). Het, door eiseres, ingenomen standpunt om de centrale inning juridisch te kwalificeren als een wettelijke lastgeving stuit dus op de hindernis dat deze stelling niet voor alle vergoedingsstelsels kan opgaan terwijl de centrale inning, zoals reeds gesteld, wel wettelijk verplicht is voor alle vergoedingsstelsels
(9). In het standpunt van eiseres is er geen overeenstemming tussen de voorgestelde kwalificatie en de inhoud van de norm. Ook de rechtszekerheid lijdt onder de visie van eiseres. Immers, per hypothese, zou de figuur van de lastgeving in dat geval gelden voor bepaalde artsen en niet voor anderen. Eén en ander wordt bepaald door de onderliggende overeenkomst die de relatie ziekenhuis - ziekenhuisarts regelt. Zo er een geschil rijst dan zou de eiser, al naar gelang het geldende vergoedingsstelsel, in het ene geval het ziekenhuis en in het andere geval de arts in rechte moeten oproepen. Dit op grond van een achterliggende overeenkomst die tussen ziekenhuis en ziekenhuisarts is tot stand gekomen en waarvan de eiser geen kennis heeft. Het probleem stelt zich nog acuter in het geval dat de ziekenhuisarts vergoed zou worden op grond van een combinatie van de hierboven aangehaalde vergoedingsstelsels. Om elke stelsel, van vergoeding van de ziekenhuisarts, dat door de wet voorzien is, te vatten in de figuur van de centrale inning, dan moet men de verhouding patiënt/debiteur - ziekenhuis los zien van de verhouding ziekenhuis - ziekenhuisarts. In de relatie ten aanzien van de patiënt/debiteur int het ziekenhuis de bedragen, in eigen naam en voor eigen rekening, ingevolge de wettelijke opdracht die haar is toevertrouwd. De vergoeding van de artsen in de relatie ziekenhuis - ziekenhuisarts wordt geregeld volgens één van de vergoedingsstelsel die voor de betrokken arts van toepassing is. Aan deze verhouding is de patiënt/debiteur vreemd. De opdracht van het ziekenhuis, om tot centrale inning over te gaan, geldt ongeacht de onderliggende contractuele verhoudingen tussen de artsen en het ziekenhuis. Deze contractuele verhoudingen hebben derhalve geen invloed op de wettelijke opdracht van het ziekenhuis. De geschillen nopens de diverse aspecten van de ziekenhuisfactuur worden gevoerd met het ziekenhuis als eiser of verweerder, die voor eigen rekening optreedt. Ik meen dan ook dat visie van eiseres tot cassatie uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting en faalt naar recht. In zoverre het onderdeel de schending aanvoert van artikel 15 van het KB nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidsberoepen, van artikel 35 van de wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidsberoepen, de artikelen 133 en 135 Ziekenhuiswet 1987 en de artikelen 147 en 149 Ziekenhuiswet 2008 faalt het naar recht. De overig aangevoerde schendingen zijn afgeleid en dienvolgens is het onderdeel in zoverre niet ontvankelijk. De overige onderdelen. De in het eerste onderdeel vergeefs aangevochten redenen dragen de beslissing van de appelrechter betreffende het geven dat eiseres rechtstreeks door verweerster kan worden aangesproken. De overige onderdelen richten zich dan ook tegen overwegingen ten overvloede en kunnen niet tot cassatie leiden. Zij zijn dan ook bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.
  1. Wat betreft het tweede middel. Eerste onderdeel. Uit de artikelen 17, §1, 5°, in de hier toepasselijke versie, en artikel 17, §5, a, van de bijlage van het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen volgt dat een speciale manipulatie die nodig is voor een radiologisch onderzoek slechts recht geeft op een bijkomend honorarium indien de nomenclatuur voor die manipulatie in een bijkomend honorarium voorziet. Door het koninklijk besluit van 30 mei 2001 tot wijziging van het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, worden in artikel 17, §1, 10°, van de bijlage van de nomenclatuur de verstrekkingen en de toepassingsregels geschrapt. Ingevolge hiervan wordt, onder meer, de verstrekking "manipulaties met het oog op een selectieve coronarografie" en de erop betrekking hebbende toepassingsregel geschrapt. Deze schrapping, door het voornoemde koninklijk besluit van 30 mei 2001, uit de nomenclatuur heeft tot gevolg dat die manipulatie geen afzonderlijke verstrekking meer is, maar als onderzoek wordt geacht te zijn inbegrepen in de algemene radiologische verstrekking "coronarografie". In tegenstelling tot het standpunt ingenomen door eiseres, heeft, de door het koninklijk besluit 26 oktober 2011 tot wijziging van de artikelen 17, §1, 17ter, A en B, 20, §1, e), 24, §2, 25, §1 en §3, 26, §9 en §12, en 34, §1, a), van de bijlage bij het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen doorgevoerde wijziging, hier geen invloed op. Inderdaad het gegeven dat door de wijziging van de regelgeving in 2011 manipulaties met het oog op een selectieve coronarografie geacht worden begrepen te zijn in de prestatie van de coronarografie en dat de waarde van de prestatie werd verhoogd waardoor, vanaf 1 januari 2012, manipulatie met het oog op selectieve coronarografie opnieuw is opgenomen in de nomenclatuur, als onderdeel van de prestatie coronarografie, en dat de nomenclatuur hiervoor opnieuw voorziet in een bijkomend honorarium, heeft niet tot gevolg dat dit voordien niet werd geacht deel uit te maken van de prestatie van een coronarografie. Het onderdeel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt dan ook naar recht. Tweede onderdeel. Artikel 8, §1, eerste lid van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt stelt dat de patiënt het recht heeft om geïnformeerd, voorafgaandelijk en vrij toe te stemmen in iedere tussenkomst van een beroepsbeoefenaar. In onderhavige casus betreft dit de ziekenhuisgeneesheer. Het tweede lid stelt dat de toestemming van de patiënt uitdrukkelijk wordt gegeven, behalve wanneer de beroepsbeoefenaar, na de patiënt voldoende te hebben geïnformeerd, uit de gedragingen van de patiënt redelijkerwijze diens toestemming kan afleiden. Ingevolge §2 van hetzelfde artikel betreft de informatie die aan de patiënt verstrekt dient te worden, onder andere, de financiële gevolgen van de tussenkomst van deze beroepsbeoefenaar. Luidens artikel 2 van het koninklijk besluit van 17 juni 2004 betreffende de verklaring bij opname in het ziekenhuis wordt de patiënt uiterlijk bij de aanvang van een opname een opnameverklaring volgens een model als bijlage bij het koninklijk besluit gevoegd, ter ondertekening aangeboden. De appelrechters stellen vast dat eiseres aan de patiënten een document voorlegde waarin vermeld stond dat de manipulatie tot selectieve coronarografie, ten bedrage van 118,44 Euro niet meer vergoed werd door het RIZIV en dat deze ten laste van de patiënt is. Dit zou op de ziekenhuisfactuur aangerekend worden onder de rubriek "invasieve cardiologie". Zij oordelen verder dat de manipulatie met het oog op selectieve coronarografie in de nomenclatuur in de prestatie coronarografie begrepen is. Op deze gronden oordelen de appelrechters dan ook naar recht dat het geen opnameverklaring betreft in de zin van het koninklijk besluit van 17 juni 2004 en niet voldaan is aan de bepalingen van artikel 8 van de wet van 22 augustus 2002 daar de informatie die aan de patiënten werd verstrekt dermate gebrekkig is dat het geen aanleiding kan geven tot een rechtsgeldige aanvaarding door de patiënt. In zoverre het onderdeel de schending aanvoert van artikel 2 van het koninklijk besluit van 17 juni 2004 en artikel 8 van de wet van 22 augustus 2002 kan het niet worden aangenomen. De aangevoerde schending van artikel 50, §6, ZIV-wet, de artikelen 130, 131 en 138, §2, Ziekenhuiswet 1987, de artikelen 144, 145 en 152, §2, Ziekenhuiswet 2008 en de artikelen 1156, 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek betreft een overweging ten overvloede. Ze kan niet tot cassatie leiden, het onderdeel is in zoverre niet ontvankelijk bij gebrek aan belang. De appelrechters oordelen niet, dat de door eiseres voorgelegde documenten, niet ondertekend zijn door de patiënten. In zoverre rust het onderdeel op een onjuiste lezing van de besteden beslissing en mist het feitelijke grondslag.
  2. Conclusie: verwerping. ______________________________
(1)Ziekenfondsen, NMBS, OCMW en verzekeringsinstellingen (F. Dewallens, Het statuut van de ziekenhuisarts, Antwerpen, Intersentia, 2015, p. 254, noot 1249)
(2)F. Dewallens, o.c., p. 324.
(3)F. Dewallens, Het statuut van de ziekenhuisarts, Antwerpen, Intersentia, 2015, p. 321 en Arbitragehof, 9 juni 1999, 62/99, B.3.2.
(4)Arbitragehof, 9 juni 1999, 62/99, B.3.2.
(5)F. Dewallens o.c., p. 322.
(6)De centrale inning geldt ongeacht het vergoedingsstelsel (F. Dewallens o.c., p. 324).
(7)F. Dewallens, o.c., p. 322.
(8)F. Dewallens, o.c., p. 326.
(9)De doctrine, die stelt dat er sprake zou zijn van een lastgeving bij die centrale inning, stelt tevens dat er ziekenhuizen zijn waar het ziekenhuis in eigen naam en voor eigen rekening overgaat tot inning voor de ziekenhuisarts-natuurlijke persoon en dat er op dat ogenblik geen sprake is van een lastgeving. Ook, indien de ziekenhuisarts zijn beroep uitoefent in het kader van een professionele vennootschap, zou er geen sprake zijn van een lastgevingsmandaat (F. Dewallens, o.c., p. 326 en 327). PDF document ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190401.3 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190401.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.