id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 01 april 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190401.5 Rolnummer: S.17.0043.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Unierecht - Arbeidsrecht Invoerdatum: 2019-05-09 Raadplegingen: 158 - laatst gezien 2026-06-28 06:15 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190401.5 Fiche 1 Uit artikel 12, §2, 3° van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie en de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever aldus toepassing heeft willen maken van de mogelijkheid bepaald in artikel 6, lid 2, Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep; aldus komt aan de begrippen "de vaststelling van verschillende leeftijden [...] voor het verkrijgen van rechten op pensioen- of invaliditeitsuitkeringen" in die bepaling dezelfde draagwijdte toe als aan dezelfde begrippen in artikel 6, lid 2, van Richtlijn 2000/78/EG; het arrest dat, met toepassing van artikel 12 van voormelde wet van 10 mei 2007, oordeelt dat de leeftijd voor de doorbetaling van de bedoelde vergoedingen na het eerste jaar en na de leeftijd van 60 jaar de voorwaarde vormt voor het verkrijgen van het recht op bijkomende invaliditeitsuitkeringen, zodat er geen sprake is van een direct onderscheid op grond van leeftijd, is niet naar recht verantwoord
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - ALGEMEEN Vrije woorden: Richtlijn 2000/78/EEG - Aanvullende regelingen sociale zekerheid - Discriminatie verbod - Rechtsvaardigingsgronden Fiche 2 Artikel 78 Arbeidsovereenkomstenwet sluit niet uit dat de vergoedingen die worden uitbetaald wegens een ziekte die leidt tot een beperking die onder het rechtsbegrip "handicap" valt, worden in mindering gebracht van de vergoeding wegens de beëindiging van de arbeidsovereenkomst na arbeidsongeschiktheid wegens ziekte gedurende meer dan zes maanden
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: ARBEIDSOVEREENKOMST - EINDE - Algemeen Vrije woorden: Arbeidsongeschiktheid - Meer dan zes maanden - Vergoeding - Ziekte - Begrip - Gevolg Annotaties Publicaties: Rechtskundig Weekblad [RW] - VAN DE CALSEYDE, Tony; Noot "Draagwijdte van leeftijdsdiscriminatie inzake voordelen van aanvullende sociale zekerheid" - 2019-20, nr. 41, p. 1616-
- Tekst van de conclusie S.17.0043.N Conclusie van advocaat-generaal Vanderlinden:
- Eisers tot cassatie komen op tegen een arrest van het Arbeidshof Brussel gewezen op 21 februari
- Door eiseres wordt er één middel aangevoerd.
- Wat betreft het eerste onderdeel. A. Probleemstelling. Het eerste onderdeel betreft de vraag of, onder uitzondering die voorzien is in artikel 6.2 van de Richtlijn 2000/78/EG, tevens het aspect "duur en behoud" van de aanvullende regelingen inzake de sociale zekerheid valt. De appelrechters hanteren bij hun beoordeling de bepalingen van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie. Deze wet betreft de omzetting van de voormelde Richtlijn, bijgevolg dienen de bepalingen van deze wet richtlijnconform te worden geïnterpreteerd. Bij de beoordeling zal de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie dan ook de leidraad zijn. B. Beoordeling. Als vertrekpunt moet voor ogen worden gehouden dat artikel 6.2 van de richtlijn een uitzondering regelt inzake het verbod van discriminatie op grond van leeftijd. Zoals, in principe, altijd geldt voor uitzonderingen dat deze van strikte interpretatie zijn. Het Hof van Justitie bevestigde dit in diverse arresten
(1). Het Hof van Justitie oordeelde verder: "dat artikel 6, lid 2, van richtlijn 2000/78 slechts geldt voor ondernemings- en sectorregelingen inzake sociale zekerheid die de risico's van ouderdom en invaliditeit dekken en dat binnen de werkingssfeer van deze bepaling niet alle aspecten vallen die kenmerkend zijn voor een ondernemings- en sectorregeling inzake sociale zekerheid die deze risico's dekt, maar enkel die welke uitdrukkelijk in die bepaling zijn vermeld."
(2)Artikel 6, lid 2 van de richtlijn betreft dus, voor de hierin voorziene gevallen, een gesloten rechtvaardigingssysteem waarbij voor de aldaar vermelde gevallen geen proportionaliteitstoets meer moet worden uitgevoerd. Deze situaties worden van rechtswege geacht een legitiem doel te hebben en aan de evenredigheidsvereiste te voldoen. De aflijning die het Hof van Justitie stelt, is dus dubbel. Enerzijds is er de eerste grens, het uitzonderingsregime geldt enkel voor ondernemings- en sectorregelingen die de aspecten ouderdom en invaliditeit regelen. De tweede grens betreft het gegeven dat in die regelingen betreffende ouderdom en invaliditeit, de afwijkingen op het discriminatieverbod, enkel geldt voor wat betreft de elementen die in artikel 6 lid 2 zijn opgenomen dus "inzake een toetredingsleeft?d of van een leeft?d voor het verkr?gen van het recht op pensioen- of invaliditeitsuitkeringen". Er is geen discussie tussen partijen dat aan de eerste grens voldaan is. Het gaat om een ondernemingsregeling inzake invaliditeit. Het is echter de tweede grens die het voorwerp van huidig geschil vormt. Er zijn drieërlei uitzonderingen die voorzien zijn voor ondernemings- en sectorregelingen en die de aspecten ouderdom en invaliditeit, regelen:
(3)- de leeftijdsgrens als toetredingsvoorwaarde voor de ondernemings- en sectorregelingen; - de leeftijdsgrenzen voor het verkrijgen van een recht op een pensioen of invaliditeitsuitkering; - de toepassing van leeftijdscriteria in de actuariële berekeningen. Voor de beoordeling van het onderhavige geschil zijn enkel de eerste twee uitzonderingen relevant, zijnde leeftijdsgrenzen als toetredingsvoorwaarde en deze voor het verkrijgen van, in casu, invaliditeitsuitkeringen. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie blijkt dat voor de relevante uitzonderingen zowel minimum als maximum leeftijden in aanmerking komen. Zo ging het in de zaak C-443/15 om „vaststelling [...] van een toetredingsleeftijd of van een leeftijd voor het verkrijgen van het recht op [een pensioenuitkering] in de zin van artikel 6, lid 2, van richtlijn 2000/78."
(4)Het Hof oordeelde toen dat in de desbetreffende regelgeving een maximumleeftijd neergelegd werd voor het ontstaan van het recht op dat pensioen. Het oordeelde verder dat het dus ging om de vaststelling van een leeftijd, in casu een maximumleeftijd, voor het verkrijgen van het recht op een ouderdomsuitkering, waardoor het dus onder artikel 6, lid 2, van richtlijn 2000/78 valt
(5). De zaak C-159/15 betrof een regeling op grond waarvan tijdvakken van opleiding en arbeid die vervuld werden vóór de voltooiing van het achttiende levensjaar niet werden meegeteld voor de toekenning van het pensioenrecht. Het Hof van Justitie oordeelde dat artikel 6, lid 2, van de Richtlijn zich hier niet tegen verzette
(6). Uit de bewoordingen van het artikel 6, tweede lid en de rechtspraak van Hof van Justitie blijkt derhalve dat het telkenmale gaat om het vertrekpunt van ofwel de opbouw van de rechten of het genieten van het opgebouwde recht. Voor het startpunt wordt zowel het criterium minimumleeftijd als ook maximumleeftijd in acht genomen. Wat het desbetreffende artikel niet regelt, is evenwel het aspect leeftijd betreffende enerzijds de duurtijd gedurende dewelke een verzekerde zal kunnen genieten van de opgebouwde rechten, en anderzijds deze inzake het behoud van deze rechten. De leeftijdsaspecten die hieraan verbonden zijn, worden dan ook onderworpen aan de toets van artikel 6, lid 1 van de richtlijn. De voorgaande overwegingen inzake de richtlijn zijn tevens de krijtlijnen voor de toepassing van artikel 12 van de voormelde wet van 10 mei 2007 die, zoals reeds gesteld, de omzetting is van de richtlijn. De appelrechters die, bij toepassing van artikel 12 oordelen dat de doorbetaling van de vergoedingen na het eerste jaar en na de leeftijd van 60 de voorwaarde vormt voor het verkrijgen van een recht op bijkomende invaliditeitsuitkeringen zodat er geen sprake is van een direct onderscheid op grond van leeftijd verantwoorden niet naar recht hun beslissing. Het onderdeel is in zoverre gegrond. 3. Wat betreft het tweede onderdeel. Door eiseres wordt er, in navolging van de rechtspraak van het Hof van Justitie, het standpunt ingenomen dat het rechtsbegrip "ziekte" niet eenvoudigweg kan gelijkgesteld worden met het rechtsbegrip "handicap". Inderdaad oordeelde het Hof van Justitie dat deze twee begrippen niet eenvoudig kunnen gelijkgesteld worden
(7). Het Hof van Justitie oordeelde dat „handicap" [moet] worden opgevat als een beperking die met name het gevolg is van lichamelijke, geestelijke of psychische aandoeningen die in wisselwerking met diverse drempels de betrokkene kunnen beletten volledig, daadwerkelijk en op voet van gelijkheid met andere werknemers aan het beroepsleven deel te nemen. ... de fysieke, mentale, intellectuele of zintuiglijke beperkingen [moeten] „langdurig" zijn."
(8)Dit standpunt van eiseres dient dan ook volledig bijgetreden te worden. Waar de visie van eiseres echter niet onderschreven kan worden, is dat artikel 78 Arbeidsovereenkomstenwet niet zou toestaan dat de werkgever, in kader van een handicap, de vergoedingen die werden uitbetaald sedert begin van de arbeidsongeschiktheid in mindering te brengen van het loon. Immers zo de beide rechtsbegrippen niet eenvoudig met elkaar kunnen worden gelijkgesteld, moet worden vastgesteld dat er uit de rechtspraak van het Hof van Justitie tevens blijkt dat de bescherming van de richtlijn zich niet beperkt tot de "handicap" die aangeboren is of het gevolg van een ongeval is maar tevens deze die het gevolg is van een ziekte
(9)Derhalve, zo de handicap het gevolg is van een ziekte dan is er sprake van een arbeidsongeschiktheid ingevolge ziekte in de zin van het voormelde artikel 78. De bepaling van artikel 78 kan derhalve onverkort worden toegepast zodat vergoedingen die werden uitbetaald ingevolge een handicap die het gevolg is van een ziekte in mindering kunnen gebracht worden van de vergoeding die uitbetaald werd wegens beëindiging van de arbeidsovereenkomst. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting faalt het naar recht. In zoverre het onderdeel vooropstelt dat de door verweerster betaalde "vrijwillige aanvullingen aan de ziekte-uitkeringen" aan eiseres werden uitbetaald tijdens de schorsing van de arbeidsovereenkomst ten gevolge van de "handicap" van eiseres en niet ten gevolge van "ziekte of ongeval" en dat de appelrechters het rechtsbegrip "ziekte" eenvoudig hebben gelijkgesteld met het rechtsbegrip "handicap" mist het feitelijke grondslag daar het uitgaat van een onvolledige lezing van de bestreden beslissing. De appelrechters stellen immers vast dat
(10): - de arbeidsovereenkomst van eiseres wegens ziekte geschorst werd sedert 4 juni 2003; - ingevolge een intern vademecum eiseres recht had op een inkomensgarantie waardoor de ziektevergoeding werd aangevuld. Het eerste jaar van de ziekte 100% van het netto-inkomen, verminderd met de forfaitaire directievergoeding en de vertegenwoordigingskosten. Na twaalf maanden tot maximum 60 jarige leeftijd 70% van het netto-inkomen; - met een mail van 30 mei 2013 verweerster eiseres verwittigde dat de laatste aanbetaling van de bijkomende ziektevergoeding zou plaatshebben in juli
- In zoverre de schending wordt aangevoerd van artikel 26, §1, 3° en §2 van de Bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof kan het onderdeel niet worden aangenomen. De feitenrechter oordeelt onaantastbaar of het stellen van een prejudiciële vraag noodzakelijk is voor beslechting van het geschil. Uw Hof kan enkel nagaan of de desbetreffende redenen van de rechter zijn oordeel rechtvaardigen. Met de in de voorziening aangevochten overwegingen geven de appelrechters aan dat het stellen van een prejudiciële vraag niet onontbeerlijk is voor beslechting van het geschil en verantwoorden zij naar recht hun beslissing ter zake. Wat betreft de voorgestelde prejudicieel vraag. Daar ze uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting zijnde dat een ziekte die onder het rechtsbegrip handicap valt niet langer een ziekte is en het onjuiste feitelijke standpunt dat de appelrechters oordeelden dat verweerster aan eiseres aanvullende vergoedingen betaalde voor een handicap en niet een ziekte dient ze niet gesteld te worden.
- Conclusie: cassatie op het eerste onderdeel. __________________________
(1)Hof van Justitie 26 september 2013, HK Danmark, C 476/11 - RO 46; Hof van Justitie 26 september 2013, Dansk Jurist- og Økonomforbund, C-546/11- RO 41; Hof van Justitie16 juni 2016, Franz Lesar, C 159/15 - RO 24.
(2)Hof van Justitie 6 september 2013, HK Danmark, C 476/11 - RO 52; Hof van Justitie 16 juni 2016, Franz Lesar, C 159/15 - RO 25 en Hof van Justitie 24 november 2016, David L. Parris, C 443/15 - RO 71.
(3)Conclusie advocaat-generaal J. Kokott d.d. 30 juni 2016, bij C-443/15, randnummer 123.
(4)Hof van Justitie, 24 november 2016, C-443/15, r.o. 73.
(5)Hof van Justitie, 24 november 2016, C-443/15, r.o. 74 en 75.
(6)Hof van Justitie, 16 juni 2016, C-159/15, r.o. 32.
(7)Hof van Justitie 11 juni 2006, C-13/05, r.o. 44.
(8)Hof van Justitie 11 april 2013, C-335/11, r.o. 38 en 39.
(9)Hof van Justitie 11 april 2013, C-335/11, r.o. 40.
(10)Bestreden beslissing pagina 3 en 4. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190401.5 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190401.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div