← België

ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190412.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 12 april 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190412.2 Rolnummer: F.17.0098.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Overige Invoerdatum: 2019-05-03 Raadplegingen: 661 - laatst gezien 2026-06-18 20:51 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190412.2 Fiche 1 Uit de samenhang van artikel 211, 314, § 1, en 314, § 3, AWDA volgt dat een administratief beroep openstaat tegen beslissingen die betrekking hebben op de vaststelling van de belastingschuld, maar niet tegen het dwangbevel

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Vrije woorden: Dwangbevel - Vordering in rechte - Ontvankelijkheid - Voorafgaand administratief beroep - Mogelijkheid Wettelijke bepalingen: Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Artt. 211, 314, § 1, en 314, § 3 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Fiches 2 - 3 Uit de bepalingen van de artikelen 5.2 en 5.4 van het Communautair Douanewetboek en de artikelen 70-3, § 2 en 127, Algemene Wet Douane en Accijnzen, vóór de wijziging door respectievelijk de artikelen 71 en 126 van de wet van 12 mei 2014, volgt dat een douane-expediteur, die zulks wenste, wel degelijk de mogelijkheid had om douaneaangiften te doen in de hoedanigheid van directe vertegenwoordiger van zijn opdrachtgever; het voorbehouden van de indirecte vertegenwoordiging aan ingeschreven douane-expediteurs hield geen verbod in om als directe vertegenwoordiger aangifte te doen en noch uit de wijzigingen van de artikelen 70-3 en 127 AWDA met de wet van 12 mei 2014 noch uit de parlementaire voorbereiding van die wijzigende wet blijkt het tegendeel
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Vrije woorden: Communautair Douanewetboek - Artikelen 5.2 en 5.4 CDW - Vertegenwoordiging - Douaneaangiften - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: EEG-Verordening nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek - 12-10-1992 - Artt. 5.2 en 5.4 - 32 Link Justel databank 19921012-32 Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Artt. 70-3, § 2, en 127 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Vrije woorden: Algemene Wet Douane en Accijnzen - Artikelen 70-3, § 2, en 127 AWDA - Vertegenwoordiging - Douaneaangiften - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: EEG-Verordening nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek - 12-10-1992 - Artt. 5.2 en 5.4 - 32 Link Justel databank 19921012-32 Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Artt. 70-3, § 2, en 127 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Fiche 4 Een dagvaarding stuit de verjaring voor de vordering die ze inleidt en voor de vorderingen die virtueel erin begrepen zijn; een vordering is virtueel begrepen in de oorspronkelijke vordering als beide vorderingen hetzelfde voorwerp hebben
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VERJARING - BELASTINGZAKEN - Stuiting Vrije woorden: Dagvaarding voor het gerecht - Stuiting van de verjaring - Draagwijdte - Ingeleide vordering en vorderingen die virtueel zijn begrepen in de vordering - Begrippen Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 2244, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Fiche 5 Een vordering kan met toepassing van artikel 1385 undecies Ger. W. enkel onontvankelijk worden verklaard indien de wetgever daadwerkelijk een administratief beroep heeft georganiseerd, ook al heeft de vordering betrekking op de toepassing van de belastingwet
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VORDERING IN RECHTE Vrije woorden: Geschil m.b.t. de toepassing van een belastingwet - Vordering voor de rechtbank van eerste aanleg - Ontvankelijkheid - Voorwaarde - Voorafgaande uitputting van het administratief beroep - Daadwerkelijk door de wetgever georganiseerd administratief beroep Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1385undecies - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de conclusie F.17.0098.N Conclusie van advocaat-generaal met opdracht J. Van der Fraenen:
  1. Situering Uit de vaststellingen van het bestreden arrest blijkt dat verweerster een douane-expediteur is die op respectievelijk 17 augustus 2006 en 11 september 2006 in opdracht en voor rekening van een firma Ellix, de aangiften IM4 nr. s0382792 en s0423084 verrichtte voor het in het vrije verkeer brengen en ten verbruik aangeven van textiel afkomstig uit Bangladesh. Daarbij werden certificaten van oorsprong (formulier A) voorgelegd, zodat Ellix een beroep kon doen op een preferentieel tarief van invoerrechten, meer bepaald een nulrecht. Uit een onderzoek dat van 16 tot 24 april 2008 werd gevoerd in Bangladesh door het EU-fraudebestrijdingsbureau OLAF samen met de Bengaalse autoriteiten, zou zijn gebleken dat die certificaten van oorsprong formulier A vals zijn, zodat geen toepassing kon worden gemaakt van het Algemeen Preferentiesysteem en aanvullende invoerrechten verschuldigd zijn. Bij beschikking van 30 maart 2009 werd verweerster door eiser in kennis gesteld van het ontstaan van de douaneschuld met betrekking tot de voornoemde aangiften IM4, ten bedrage van 27.422,29 EUR, en van haar solidaire gehoudenheid tot betaling van deze douaneschuld. Tegen deze beschikking stelde verweerster geen administratief beroep in. Aangezien verweerster niet overging tot betaling van de verschuldigde invoerrechten werd op 10 maart 2010 voor deze douaneschuld een dwangbevel opgesteld dat op 28 april 2010 aan verweerster werd betekend. Verweerster vorderde de nietigverklaring van voormeld dwangbevel voor de rechtbank van eerste aanleg te Brussel. De rechtbank van eerste aanleg te Brussel verklaarde bij vonnis van 13 april 2011 de vordering van verweerster niet ontvankelijk op grond dat het bij artikel 211 AWDA ingestelde administratief beroep niet was uitgeput. Bij verzoekschrift, neergelegd op 29 augustus 2011 ter griffie van het hof van beroep te Brussel, tekende verweerster hoger beroep aan tegen voormelde beslissing. In haar syntheseberoepsconclusie werd de vernietiging van het dwangbevel voor het eerst ook gegrond op de artikelen 1382 en 1383 B.W. Het hof van beroep te Brussel deed bij arrest van 25 januari 2017 het eerste vonnis teniet, vernietigde het dwangbevel van 10 maart 2010 en zegde voor recht dat de erin gevorderde bedragen niet kunnen worden ingevorderd lastens verweerster op grond dat de Belgische wetgever een fout heeft begaan door, in strijd met artikel 5 CDW, te voorzien in een regelgeving die enkel het doen van aangiften als douane-expediteur als indirect vertegenwoordiger mogelijk maakt, ten gevolge waarvan verweerster schade heeft geleden, te weten haar solidaire gehoudenheid tot betaling van de douanerechten. Het cassatieberoep van eiser tegen dit arrest maakt het voorwerp uit van de huidige cassatieprocedure. Eiser voert in zijn verzoekschrift drie middelen tot cassatie aan.
  2. Bespreking van het eerste middel EERSTE EN TWEEDE ONDERDEEL 2.
  3. Eiser voert in het eerste onderdeel, eerste subonderdeel, aan dat de appelrechters, door te oordelen dat voorliggend geschil niet de toepassing van de belastingwet betreft in de zin van artikel 569, eerste lid, 32°, Ger.W., maar een geschil betreffende de invordering en tenuitvoerlegging van de belastingschuld, inzake een douanerecht, zijnde een verzet tegen een dwangbevel, hun beslissing niet naar recht hebben verantwoord in zoverre voorliggend geschil, zoals blijkt uit het voorwerp van de eis in het gedinginleidend fiscaal verzoekschrift van verweerster, initieel een betwisting betreffende de boeking van de douaneschuld tot voorwerp had, welke betwisting wel degelijk een geschil betreft over de toepassing van een belastingwet, te weten de toepassing van de artikelen 217 en 221 CDW, en bijgevolg geen invorderingsgeschil uitmaakt. Het bestreden arrest heeft volgens eiser derhalve niet wettig, bij gebrek aan uitputting van het voorafgaande administratief beroep bedoeld in de artikelen 211 tot en met 219 AWDA, de vordering van verweerster ontvankelijk verklaard (schending van de artikelen 8, 9, 569, eerste lid, 32°, 632 en 1385undecies, eerste lid, Ger.W., 211 tot en met 219 AWDA, 217 en 221 CDW). In het tweede subonderdeel voert eiser aan dat de appelrechters door aldus te oordelen de bewijskracht hebben miskend van het inleidend "verzoekschrift op tegenspraak strekkende tot een fiscale voorziening voor de rechtbank van eerste aanleg" dd. 4 mei 2010, in zoverre verweerster hierin het voorwerp van haar vordering uitdrukkelijk als een geschil over de toepassing van de belastingwet had omschreven (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 BW). 2.
  4. In het tweede onderdeel voert eiser aan dat het voorliggend geschil, waarbij de hoedanigheid van verweerster als indirect vertegenwoordiger/douaneschuldenaar ter betwisting voorlag, ook op dat vlak een geschil betreft over de toepassing van een belastingwet, en geen invorderingsgeschil tot voorwerp had, zodat, bij gebrek aan uitputting van het voorafgaande administratief beroep, bedoeld in de artikelen 211 tot en met 219 AWDA, het bestreden arrest niet wettig de vordering van verweerster ontvankelijk heeft verklaard (schending van de artikelen 8, 9, 569, eerste lid, 32°, 632 en 1385undecies, eerste lid, Ger.W., 127, 211 tot en met 219 AWDA, 5, 200, in het bijzonder 201.3, 213 CDW, 199.1 CTW). 2.
  5. Artikel 211, §1, 1° AWDA bepaalt dat ieder persoon het recht heeft administratief beroep in te stellen tegen beschikkingen die hem rechtstreeks en individueel raken. Onder beschikking wordt verstaan elke beslissing van de Administratie der douane en accijnzen die voor een of meer personen rechtsgevolgen heeft (artikel 211, §2 AWDA). De beschikkingen in de zin van deze bepaling waarbij beslissingen genomen worden die voor een of meer personen rechtsgevolgen hebben, moeten m.i. onderscheiden worden van loutere uitvoeringshandelingen, waarin geen beslissingen genomen worden over de verschuldigdheid van de belasting, maar waarin enkel overgegaan wordt tot uitwinning. De dadelijke uitwinning wordt in het AWDA geregeld door de artikelen 313 en volgende. De dadelijke uitwinning geschiedt door middel van een dwangbevel, uitgevaardigd door de met de invordering belaste ontvanger. Overeenkomstig artikel 314, §3, AWDA kan, als van het dwangbevel eenmaal kennis is gegeven, de dadelijke uitwinning alleen worden opgeschort door een vordering in rechte. Uit de samenlezing van de artikelen 211 en volgende enerzijds en de artikelen 313 en volgende anderzijds lijkt mij te volgen dat het administratief beroep openstaat tegen beslissingen die betrekking hebben op de vaststelling van de belastingschuld, maar dat een dergelijk administratief beroep niet openstaat tegen het dwangbevel. Verweerster wijst er terecht op dat dit standpunt wordt gedeeld door de doctrine. Zo stelt BAERT: "Een dwangbevel kan niet als een beschikking worden gekwalificeerd waartegen er vooraf administratief beroep moet worden aangetekend. Een dwangbevel is een uitvoerbare titel waartegen verzet kan worden aangetekend bij de rechtbank. De administratie der douane en accijnzen kan steeds een dwangbevel opstellen zolang de invordering van de belastingen niet verjaard is. De administratie der douane en accijnzen kan na een beoordeling van een rechter over een beschikking een dwangbevel betekenen. Aangezien artikel 314, §3 AWDA voorschrijft dat tegen een dwangbevel steeds een vordering in rechte openstaat, staat er m.i. geenszins een (nieuwe) beoordeling ten gronde in de weg voor de rechtbank van het dwangbevel, zolang het oordeel van de rechter omtrent de beschikking geen kracht van gewijsde heeft"
(1). Uit het inleidend verzoekschrift dat verweerster op 6 mei 2010 indiende ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg blijkt dat zij de vernietiging vorderde van het dwangbevel dat op 10 maart 2010 werd uitgevaardigd. Zij kwam met andere woorden niet op tegen de beschikking van 30 maart 2009 waarin de douaneschuld werd vastgesteld, maar enkel tegen het dwangbevel dat op 6 mei 2010 werd uitgevaardigd. Gelet op het feit dat er geen administratief beroep openstaat tegen de dadelijke uitwinning middels een dwangbevel en hiertegen enkel door middel van een vordering in rechte kan worden opgekomen, beslissen de appelrechters naar mijn mening terecht dat de vordering van verweerster niet onontvankelijk verklaard dient te worden met toepassing van artikel 1385undecies Ger.W. Een vordering kan slechts met toepassing van deze bepaling niet ontvankelijk verklaard worden indien de wet ook een administratief beroep heeft georganiseerd, hetgeen in deze niet het geval is. Het lijkt mij daarbij van geen belang of de betwisting al dan niet betrekking heeft op de toepassing van de belastingwet. De vordering kan immers enkel onontvankelijk verklaard worden indien de wetgever daadwerkelijk een administratief beroep heeft georganiseerd, ook al heeft de vordering betrekking heeft op de toepassing van de belastingwet. De eerste twee onderdelen van het middel waarin aangevoerd wordt dat het huidige geschil om verscheidene redenen betrekking heeft op de toepassing van een belastingwet, kunnen m.i. derhalve niet tot cassatie leiden en zijn om die reden niet ontvankelijk bij gebrek aan belang. (…)
  1. Bespreking van het tweede middel (…) TWEEDE EN DERDE ONDERDEEL 3.
  2. In het tweede onderdeel wordt aangevoerd dat het bestreden arrest niet wettig heeft beslist dat het voorwerp van de vordering tot schadevergoeding van verweerster, zoals ingesteld bij syntheseberoepsconclusie op 3 juni 2016, reeds was begrepen in haar initiële vordering ingesteld bij verzoekschrift dd. 6 mei 2010, mitsdien, in zoverre het inleidend verzoekschrift geen stuitende werking kon hebben voor de latere vordering die een schadevergoeding tot voorwerp had, niet wettig heeft beslist dat deze vordering tot schadevergoeding van verweerster niet was verjaard (schending van de artikelen 2244, §1, 2262bis, §1, tweede lid, BW, 807 en 1042 Ger.W.). Het derde onderdeel voert aan dat door te oordelen dat de vordering tot schadevergoeding in natura “een reeds door het verzet in het initieel verzoekschrift van 6 mei 2010 zelf reeds aanhangig gemaakte vordering tot vernietiging van het dwangbevel van 10 maart 2010" betreft en door "de vordering tot vernietiging van het dwangbevel in het initieel verzoekschrift, begrepen (is) in de al op 6 mei 2010 ingestelde vordering", terwijl in dat verzoekschrift geen dergelijke vordering tot schadevergoeding (virtueel) lag besloten, het bestreden arrest ook de bewijskracht heeft miskend van dit inleidend verzoekschrift dd. 6 mei 2010 (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 BW) 3.
  3. Overeenkomstig de vaste rechtspraak van Uw Hof stuit een dagvaarding de verjaring voor de vordering die ze inleidt en voor de vorderingen die virtueel erin begrepen zijn. Een vordering is virtueel begrepen in de oorspronkelijke vordering als beide vorderingen hetzelfde voorwerp hebben
(2). De appelrechters stellen vast dat de oorspronkelijke vordering van verweerster strekte tot vernietiging van het dwangbevel van 10 maart 2010 en dat verweerster later in conclusie slechts een nieuwe rechtsgrond aanvoerde tot staving van hetgeen oorspronkelijk al gevorderd werd, met name de vernietiging van het dwangbevel. De appelrechters stellen aldus ondubbelzinnig vast dat zowel de oorspronkelijke vordering als de gewijzigde vordering hetzelfde voorwerp hebben. In die omstandigheden beslissen de appelrechters m.i. naar recht dat de verjaring door de gedinginleidende akte werd gestuit, ook in zoverre verweerster haar vordering naderhand tevens steunde op de fout van eiser. Ten slotte blijkt dat verweerster zowel in haar oorspronkelijke gedinginleidende akte, als in haar latere conclusie in hoger beroep inderdaad eiste dat het dwangbevel vernietigd zou worden. De appelrechters konden dan ook zonder miskenning van de bewijskracht van de gedinginleidende akte van verweerster vaststellen dat verweerster het voorwerp van haar vordering niet heeft gewijzigd en dat zij zich er in haar latere conclusie in hoger beroep toe beperkt heeft om een nieuw middel aan te voeren tot staving van haar oorspronkelijke vordering. Het tweede en derde onderdeel kunnen m.i. niet worden aangenomen. (…)
  1. Bespreking van het derde middel EERSTE ONDERDEEL 4.
  2. In het eerste onderdeel voert eiser aan dat in zoverre het krachtens de interne wetgeving, ten tijde van de litigieuze aangiften in 2006, ook voor douane-expediteurs mogelijk was om op te treden als "direct vertegenwoordiger" van klanten-invoerders, zoals bedoeld in de zin van artikel 5 CDW, met name met toepassing van de gemeenrechtelijke bepalingen inzake vertegenwoordiging (rechtsfiguur van het mandaat of lastgeving), hetzij rechtstreeks op grond van artikel 70-3 AWDA, zonder dat artikel 127 AWDA, of enige andere internrechtelijke bepaling, het indienen van aangiftes in de hoedanigheid van direct vertegenwoordiger verbood, het bestreden arrest bijgevolg niet wettig, zonder schending van de artikelen 127 AWDA, 1984 tot en met 2010 B.W., heeft beslist dat er een lacune bestond in de interne wetgeving terzake van de mogelijkheid tot het doen van aangiften als direct vertegenwoordiger (schending van de artikelen 5 CDW, 70-3, 127 AWDA, 1984 tot en met 2010 BW). 4.
  3. Artikel 5.1 CDW bepaalt dat iedere persoon zich voor het vervullen van de in de douanewetgeving voorgeschreven handelingen en formaliteiten bij de douaneautoriteiten kan doen vertegenwoordigen. Artikel 5.2 CDW bepaalt dat vertegenwoordiging: * direct kan zijn, wanneer de vertegenwoordiger in naam en voor rekening van een andere persoon handelt, dan wel, * indirect kan zijn, wanneer de vertegenwoordiger in eigen naam maar voor rekening van een andere persoon handelt. Volgens die bepaling kunnen de Lidstaten het recht om op hun grondgebied douaneaangiften te doen volgens de methode van de directe of de indirecte vertegenwoordiging zodanig voorbehouden dat de vertegenwoordiger een douanecommissionair moet zijn die daar zijn beroep uitoefent. Artikel 5.4 CDW bepaalt dat: * de vertegenwoordiger dient te verklaren voor de vertegenwoordigde persoon te handelen en aan te geven of het een directe of een indirecte vertegenwoordiging betreft en hij moet vertegenwoordigingsbevoegdheid bezitten; * de persoon die niet verklaart in naam of voor rekening van een andere persoon te handelen of die verklaart in naam of voor rekening van een andere persoon te handelen, zonder dat hij vertegenwoordigingsbevoegdheid bezit, wordt geacht in eigen naam en voor eigen rekening te handelen. Artikel 70-3, §2, AWDA, vóór de wijziging door artikel 71 van de wet van 12 mei 2014
(3), bepaalt dat de aangever kan handelen:
  1. a)ofwel in eigen naam en voor eigen rekening;
  2. b)ofwel in eigen naam maar voor rekening van een derde volgens de voorwaarden bepaald in hoofdstuk XIV;
  3. c)ofwel in eigen naam en voor rekening van een derde. Artikel 127 AWDA, vóór de wijziging door artikel 126 van de wet van 12 mei 2014, bepaalt dat: * niemand als douane-expediteur mag optreden als hij niet is ingeschreven in een speciaal onder de door de Minister van Financiën bepaalde voorwaarden bij te houden register; * onder douane-expediteur wordt verstaan elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die beroepsmatig, uit zijn naam, voor rekening van derden, de douaneformaliteiten bij in-, uit- of doorvoer vervult. 4.3. Uw Hof oordeelde in een arrest van 20 maart 2018
(4)dat uit voormelde communautaire en internrechtelijke bepalingen volgt dat een douane-expediteur, die zulks wenste, wel degelijk de mogelijkheid had om douaneaangiften te doen in de hoedanigheid van directe vertegenwoordiger van zijn opdrachtgever. Het voorbehouden van de indirecte vertegenwoordiging aan ingeschreven douane-expediteurs hield geen verbod in om als directe vertegenwoordiger aangifte te doen. Noch uit wijzigingen van de artikelen 70-3 en 127 AWDA met de wet van 12 mei 2014 noch uit de parlementaire voorbereiding van die wijzigende wet blijkt volgens Uw Hof het tegendeel. Het onderdeel komt mij gegrond voor. De grieven in de overige onderdelen kunnen m.i. niet tot een ruimere cassatie leiden. 5. Besluit: Vernietiging. ______________________________________
(1)BAERT, A., "De invordering van een accijnsschuld. Geen evidentie!", TFR, 2014, p. 358.
(2)Cass. 24 april 2017, AR S.16.0078.F, AC 2017, nr. 281, ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170424.3; Cass. 11 april 2014, AR C.12.0242.F, AC 2014, nr. 285, ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140411.1.
(3)B.S., 20 juni 2014
(4)Cass. 20 maart 2018, AR P.17.1017.N, AC 2018, nr. 193, ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180320.3. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190412.2 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190412.2 citeert: ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140411.1 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170424.3 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180320.3 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250124.1N.33 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250328.1N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.