← België

ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190412.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 12 april 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190412.4 Rolnummer: F.18.0062.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2019-05-03 Raadplegingen: 246 - laatst gezien 2026-06-18 11:46 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190412.4 Fiche Het beginsel van behoorlijk bestuur dat inhoudt het recht om gehoord te worden vooraleer een bestuurlijke beslissing wordt genomen die de rechtspositie van de betrokkene wijzigt, is niet absoluut; het kan terzijde gelaten worden indien, zelfs met het horen van de betrokkene, geen andere beslissing mogelijk is dan de beslissing genomen zonder dat de betrokkene gehoord is

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INTERESTEN - ALLERLEI Vrije woorden: Inkomstenbelasting - Vraag tot vrijstelling nalatigheidsintresten bij toepassing artikel 417 WIB92 - Recht om vooraf gehoord te worden - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 417 - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Annotaties Publicaties: Revue générale du contentieux fiscal [RGCF] - 2019, n° 5, p. 363-
  1. - VAN BRUSTEM, Eric; Note'La Cour de cassation précise la portée du droit d'être entendu dans le cadre d'une demande d'exonération des intérêts de retard' Tekst van de conclusie F.18.0062.N Conclusie van advocaat-generaal met opdracht J. Van der Fraenen: (...)
  2. Bespreking van het eerste middel 2.
  3. Eiser komt in het eerste middel op tegen de beslissing van de appelrechter dat het hoorrecht geen absoluut recht is en niet op straffe van nietigheid is voorgeschreven. Volgens eiser veronderstelt het recht gehoord te worden dat de administratie bij het nemen van een beslissing rekening houdt met de naar voren gebrachte elementen en dat opneemt in de motivering, alsook dat het niet-eerbiedigen van het hoorrecht de nietigheid van de beslissing meebrengt waarna de rechter moet oordelen alsof de beslissing niet bestond (Schending van artikel 6 EVRM, het algemeen rechtsbeginsel houdende eerbiediging van het recht van verdediging, het algemeen rechtsbeginsel van behoorlijk bestuur, het recht op wapengelijkheid, artikel 41 van het Handvest van de grondrechten, de artikelen 374 en 375 WIB92, de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen). 2.
  4. De aangevoerde schending van de artikelen 374 en 375 WIB92 lijkt mij in de voorliggende zaak niet aan de orde te zijn, gezien geen bezwaarschrift werd ingediend, maar, op grond van artikel 417 WIB92, een verzoek tot kwijtschelding van nalatigheidsinterest. In zoverre de schending wordt aangevoerd van de artikelen 374 en 375 WIB92 is het middel m.i. niet-ontvankelijk. 2.
  5. Het recht om gehoord te worden vooraleer een bestuurlijke beslissing wordt genomen die de rechtspositie van de betrokkene wijzigt, is geen absoluut recht. Het hoorrecht dient m.i. niet georganiseerd te worden indien het horen van de betrokkene in geen geval tot een andere beslissing zou kunnen leiden
(1). De appelrechter stelt vast en oordeelt dat: • het hoorrecht geen absoluut recht is en hier evenmin op straffe van nietigheid is voorgeschreven; • in de gegeven omstandigheden dat de administratie vaststelt dat eiser geenszins onvermogend was en bij realisatie van het onroerend goed de belastingschuld van eiser (gedeeltelijk) zou aangezuiverd worden, de administratie terecht kon oordelen dat het verzoek van eiser ongegrond was en om die reden de uitoefening van het hoorrecht in geen geval tot een andere beslissing zou kunnen leiden, wat in de visie van de verweerder een gegrond reden was om eiser niet te horen; • doorslaggevend is dat eiser over een voldoende groot vermogen beschikte. Aldus verantwoordt de appelrechter m.i. zijn beslissing naar recht dat eiser, in die omstandigheden, niet diende gehoord te worden. In zoverre kan het middel m.i. niet aangenomen worden. De overige grieven lijken mij afgeleid uit de vergeefs aangevoerde schending van het hoorrecht en zijn derhalve in zoverre niet ontvankelijk. (...) 6. Besluit: VERWERPING __________________
(1)Vergelijk inzake vrijheidsbenemende maatregelen in het kader van de Vreemdelingenwet Cass. 4 juli 2018, AR P.18.0659.N, AC 2018, nr. 431, ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180704.2: "Uit de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie blijkt dat in het Unierecht het recht om gehoord te worden integraal deel uitmaakt van het recht van verdediging dat een algemeen rechtsbeginsel van de Unie is. De regel beoogt te verzekeren dat de persoon die het voorwerp is van een administratieve beslissing vergissingen kan corrigeren en individuele omstandigheden kan laten gelden die van aard zijn de beslissing te beïnvloeden. Het staat de nationale rechter om aan de hand van de specifieke feitelijke en juridische omstandigheden van het geval na te gaan of de aantasting van het hoorrecht van aard is dat een andere beslissing zou zijn getroffen indien de betrokkene de gelegenheid had gekregen elementen ter rechtvaardiging van zijn standpunt aan te voeren. Om een schending van het hoorrecht aan te tonen, dient de betrokkene dus aannemelijk te maken dat, indien hij was gehoord, een andere beslissing had kunnen genomen worden." PDF document ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190412.4 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190412.4 citeert: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180704.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.