id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 26 april 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190426.3 Rolnummer: F.18.0046.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Unierecht - Belastingrecht Invoerdatum: 2019-05-22 Raadplegingen: 256 - laatst gezien 2026-06-18 13:32 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190426.3 Fiches 1 - 2 Het Hof stelt de vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie of artikel 17 van de richtlijn nr. 77/388/EEG aldus dient te worden geïnterpreteerd dat wanneer een uitgave ook ten goede komt aan een derde - zoals dit het geval is wanneer een promotor bij de verkoop van appartementen publiciteitskosten, administratiekosten en makelaarslonen betaalt die ook ten goede komen aan de grondeigenaren - dit niet eraan in de weg staat dat de op die kosten drukkende btw volledig in aftrek kan worden gebracht, op voorwaarde dat wordt vastgesteld dat er een rechtstreeks en onmiddellijk verband bestaat tussen de uitgave en de economische activiteit van de belastingplichtige en dat het voordeel voor de derde ondergeschikt is aan de behoeften van het bedrijf van de belastingplichtige
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - PREJUDICIELE GESCHILLEN Vrije woorden: Hof van Justitie van de Europese Unie - Aanleiding tot het stellen van een prejudiciële vraag - Zesde richtlijn nr. 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 - Artikel 17 - Btw - Uitgaven die ten goede komen van derden - Recht op aftrek van voorbelasting - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Richtlijn EG/EU - 17-05-1977 - Art. 17 - 34 Link Justel databank 19770517-34 Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde - 03-07-1969 - Art. 45, § 1 - 32 Link Justel databank 19690703-32 Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Vrije woorden: Uitgaven die ten goede komen van derden - Aftrek van de voorbelasting - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Richtlijn EG/EU - 17-05-1977 - Art. 17 - 34 Link Justel databank 19770517-34 Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde - 03-07-1969 - Art. 45, § 1 - 32 Link Justel databank 19690703-32 Tekst van de conclusie F.18.0046.N Conclusie van advocaat-generaal J. Van der Fraenen
- Situering Eiseres heeft als enige economische activiteit het oprichten en het verkopen van appartementsgebouwen. In het kader van deze economische activiteit bouwt eiseres appartementsgebouwen op gronden die eigendom zijn van derden. De appartementen worden naderhand door eiseres te koop aangeboden en in dat kader maakt zij publiciteits- en administratiekosten en betaalt zij commissielonen aan makelaars. Bij de verkoopaktes van de appartementen treedt eiseres op als verkoper van het gebouw terwijl de grondeigenaar optreedt als verkoper van de grond. De BTW die drukt op de publiciteits- en administratiekosten en op de makelaarsvergoedingen werden door eiseres integraal in aftrek gebracht. De fiscale administratie heeft naar aanleiding van een controle met betrekking tot de periode van 1 januari 1999 tot 30 september 2001 het standpunt ingenomen dat de BTW enkel aftrekbaar is in de mate dat deze betrekking heeft op de verkoop van de gebouwen en niet in de mate deze betrekking heeft op de verkoop van de grond. Volgens de administratie bestaat er slechts recht op aftrek ten belope van een percentage dat wordt bepaald door toepassing van een breuk met als teller de prijs van het gebouw en als noemer de prijs van het gebouw vermeerderd met de prijs van de grond. Nadat een dwangbevel werd uitgevaardigd ging eiseres, onder voorbehoud van alle recht, over tot betaling van een bedrag van 92.313,99 euro aan BTW, meer interesten en boeten. Eiseres heeft vervolgens verzet aangetekend tegen het dwangbevel en terugbetaling gevorderd van de betaalde sommen. De vordering van eiseres werd ingewilligd door de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen bij vonnis van 21 maart
- De rechtbank overwoog daartoe dat de publiciteit en de makelaarsdiensten waarvoor eiseres heeft betaald, gelet op het feit dat de verkoop van het gebouw en de grond een en dezelfde levering uitmaakt, in hun geheel kunnen worden geacht deel uit te maken van de algemene kosten van de enige economische activiteit van eiseres, zijnde het bouwen van appartementen en de verkoop ervan aan derden. Verder overwoog de rechtbank dat het feit dat de eigenaar van de grond waarop de appartementen van eiseres zijn gebouwd een voordeel zou kunnen putten uit de publiciteitskosten en commissielonen, als ondergeschikt aan de behoeften van de eiseres dient te worden beschouwd. Het daarop volgend hoger beroep van de fiscale administratie werd gegrond verklaard bij arrest van het hof van beroep te Gent dd. 28 november
- De oorspronkelijke vordering van eiseres werd slechts gedeeltelijk gegrond verklaard, met name enkel wat de opgelegde administratieve boete betreft. Het cassatieberoep van eiseres tegen dit arrest maakt het voorwerp uit van de huidige cassatieprocedure. Eiseres voert in haar verzoekschrift een middel tot cassatie aan.
- Bespreking van het enig middel 2.
- De aanvoering in het tweede subonderdeel van het eerste onderdeel van het middel lijkt mij de kern te raken van de voorliggende rechtsvraag. 2.1.
- Eiseres voert hierin aan dat de appelrechter niet heeft geantwoord op de synthesebesluiten waarin eiseres aanvoerde dat de publiciteits- en administratiekosten en commissielonen om evidente redenen een rechtstreeks en onmiddellijk verband vertoonden met de belastbare activiteit van de verkoop van de gebouwen, aangezien: * verweerder voorhoudt dat er in de diverse advertenties ook aandacht uitgaat naar de ligging van de appartementen; * de aandacht voor de ligging van een appartement noodzakelijk is om de economische aan BTW onderworpen activiteit van eiseres, met name de verkoop van nieuwe gebouwen, te exploiteren vermits geen enkele persoon tot aankoop van een nieuw gebouw overgaat op basis van een advertentie waarbij iedere verwijzing naar de ligging van het appartement ontbreekt; * er bijgevolg zonder verwijzing in de publiciteit naar de ligging van het appartement van enige realisatie van de economische activiteit van eiseres geen sprake zou zijn en het juist de verwijzing naar een gunstig gelegen omgevingskader is die het eiseres mogelijk maakt een hogere prijs te vragen voor haar gebouw en dus haar economische activiteit nog beter te realiseren; Eiseres besloot op die redenen dat de voorbelasting die op deze kosten drukt volledig aftrekbaar is. Eiseres had ter zake ook verwezen naar de arresten Fillibeck en AES-3C van het Hof van Justitie en hieruit afgeleid dat het voordeel dat onrechtstreeks wordt verschaft aan derden niet kan worden beschouwd als diensten verstrekt ten kosteloze titel maar dat het voordeel ondergeschikt is aan het belang van de belastingplichtige. De appelrechter heeft volgens eiseres niet geantwoord op dit uitdrukkelijk en gemotiveerd middel zodat hij zijn beslissing niet regelmatig met redenen heeft omkleed (schending artikel 149 Gw.). 2.1.
- Verder voert eiseres aan dat het bestreden arrest het recht van eiseres op aftrek van de volledige voorbelasting bovendien niet wettig heeft verworpen louter op grond van de rechtsverhouding tussen eiseres en de derde/eigenaar en op de overweging dat de kosten normaal door de derde/eigenaar zouden moeten gedragen worden, terwijl eiseres in haar voormelde syntheseconclusie uitdrukkelijk had aangevoerd dat zij haar economische activiteit niet kon realiseren zonder in haar publiciteit te verwijzen naar de ligging van het appartement en het juist die verwijzing is die de verkoop van het appartement mogelijk maakt zodat er een duidelijke en rechtstreekse band is tussen de betrokken kosten en de activiteit van eiseres en aldus voldaan is aan artikel 45 WBTW. Zonder weerlegging van dit middel waarin eiseres tevens had aangevoerd dat het persoonlijk voordeel voor de derde/ eigenaar slechts ondergeschikt is aan de behoeften van het bedrijf van eiseres, kon het bestreden arrest zijn beslissing niet naar recht verantwoorden, aldus eiseres (schending van de artikelen 45, §1 WBTW, 1, §2 KB nr.3 van 10 december 1969, 17 van de Zesde Richtlijn). 2.
- Ingevolge artikel 45, §1, 1° WBTW mag elke belastingplichtige op de belasting die hij verschuldigd is, de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten in aftrek brengen, in de mate dat hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van belaste handelingen. Artikel 1, §2, van het KB nr. 3 van 10 december 1969 bepaalt dat voor aftrek in geen geval in aanmerking komt de belasting geheven van de goederen en diensten die een belastingplichtige bestemt voor privédoeleinden of voor andere doeleinden dan die van zijn economische activiteit. Artikel 45 vormt de omzetting van artikel 17, lid 2 van de Zesde Richtlijn nr. 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag. 2.
- Opdat de belastingplichtige recht op aftrek van de voorbelasting kan hebben en de omvang van dat recht kan worden bepaald, dient er volgens de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie in beginsel een rechtstreeks en onmiddellijk verband te bestaan tussen een bepaalde handeling in een eerder stadium en een of meer handelingen in een later stadium waarvoor recht op aftrek bestaat. Het recht op aftrek van de BTW over in een eerder stadium verworven goederen en diensten veronderstelt dat de voor de verwerving gedane uitgaven zijn opgenomen in de prijs van de belaste handelingen in een later stadium waarvoor recht op aftrek bestaat. De belastingplichtige heeft niettemin eveneens recht op aftrek, ook al bestaat er geen rechtstreeks en onmiddellijk verband tussen een bepaalde handeling in een eerder stadium en een of meer handelingen in een later stadium waarvoor recht op aftrek bestaat, wanneer de kosten voor de betrokken diensten deel uitmaken van diens algemene kosten en als zodanig zijn opgenomen in de prijs van de door hem geleverde goederen of verrichte diensten. Tussen dergelijke kosten en het geheel van alle economische activiteiten van de belastingplichtige bestaat er immers een rechtstreeks en onmiddellijk verband
(1). 2.4. Eiseres verwijst ook naar de arresten Fillibeck en AES-3C van het Hof van Justitie. In het arrest Fillibeck oordeelde het Hof van Justitie dat de Zesde Richtlijn aldus moet worden uitgelegd, dat het gratis vervoer van werknemers van hun woning naar hun plaats van tewerkstelling en terug, dat door de werkgever met een voertuig van de onderneming wordt verricht, in beginsel privédoeleinden van de werknemers en dus andere dan bedrijfsdoeleinden dient. Deze bepaling is evenwel niet van toepassing wanneer de behoeften van de onderneming, gelet op een aantal bijzondere omstandigheden zoals de moeilijkheid om andere geschikte vervoermiddelen te gebruiken en het veranderen van de plaats van tewerkstelling, eisen dat het vervoer van de werknemers door de werkgever wordt verzorgd, aangezien deze dienst in die omstandigheden niet voor andere dan bedrijfsdoeleinden wordt verricht. Het Hof herinnerde er voorts aan dat het feit dat het personeel voordeel kan putten uit een door de werkgever aangeboden dienst die deze in het belang van zijn bedrijf verricht, als ondergeschikt aan de behoeften van het bedrijf moet worden beschouwd
(2). In de zaak AES-3C werd deze rechtspraak herhaald
(3). 2.5. In het arrest Iberdrola heeft het Hof van Justitie beslist dat artikel 168, onder a), van Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde
(4), aldus moet worden uitgelegd dat een belastingplichtige recht heeft op aftrek van voorbelasting voor een dienstverrichting die bestaat in het bouwen of verbouwen van een onroerend goed dat eigendom is van een derde, wanneer die derde om niet het genot van het resultaat van die diensten verkrijgt en die diensten zowel door die belastingplichtige als door die derde in het kader van hun economische activiteiten worden gebruikt, voor zover die diensten niet verder reiken dan hetgeen noodzakelijk is om die belastingplichtige in staat te stellen om belaste handelingen in een later stadium te verrichten en de kosten ervan zijn inbegrepen in de prijs van die handelingen
(5). 2.
- De voormelde door eiseres in het subonderdeel aangehaalde rechtspraak van het Hof van Justitie, die weliswaar ook betrekking heeft op situaties waar een derde voordeel haalt uit een door de belastingplichtige in een eerder stadium betrokken dienst, is m.i. niet ten volle met onderhavige zaak vergelijkbaar. In voorliggend geval wordt de integrale aftrek van de voorbelasting geclaimd in verband met publiciteitskosten, administratiekosten en makelaarslonen die specifiek deels toewijsbaar zijn aan een welbepaalde outputhandeling (de verkoop van de gronden), door een derde, die niet aan BTW onderworpen is. Er bestaat aldus een rechtstreeks en onmiddellijk verband tussen een deel van deze kosten en een handeling door een derde aan de outputzijde die niet binnen de werkingssfeer van de BTW valt. Dergelijke situatie lijkt mij wezenlijk verschillend van deze besproken in de geciteerde arresten van het Hof van Justitie die betrekking hebben op kosten die niet specifiek aan welbepaalde handelingen in een later stadium kunnen worden toegerekend. Naar mijn mening kan bijgevolg niet met zekerheid worden gesteld dat voormelde arresten de juistheid bevestigen van de door eiseres daaruit afgeleide rechtsopvatting.
- Besluit: Het komt mij aangewezen voor dat Uw Hof, alvorens uitspraak te doen, zou overwegen overeenkomstig artikel 267 VWEU, aan het Hof van Justitie van de Europese Unie een prejudiciële vraag te stellen teneinde na te gaan of in een situatie zoals de voorliggende, de BTW drukkend op de door eiseres bij de verkoop van de appartementen gemaakte publiciteitskosten, administratiekosten en makelaarslonen volledig in aftrek kan worden gebracht, zelfs al komen deze uitgaven ook ten goede aan de grondeigenaren en zijn deze toewijsbaar aan welbepaalde, niet aan BTW onderworpen outputhandelingen, en zelfs al konden zij deels aan hen worden doorgerekend, op voorwaarde dat wordt vastgesteld dat het voordeel voor de grondeigenaren ondergeschikt is aan de behoeften van het bedrijf van eiseres. _____________________
(1)Zie o.a. HvJ. 29 oktober 2009, SKF, C-29/08, nr. 57-58, ECLI:EU:C:2009:665, en de verwijzingen aldaar.
(2)HvJ, 16 oktober 1997, Fillibeck, C-258/95, nr.30, 34, ECLI:EU:C:1997:491.
(3)HvJ, 18 juli 2013, AES-3C, C 124/12, nr. 29, 33, ECLI:EU:C:2013:488.
(4)Dit artikel stemt overeen met artikel 17, lid 2 onder a) van richtlijn nr. 77/388/EEG.
(5)HvJ, 14 september 2017, Iberdrola C-132/16, nr. 40, ECLI:EU:C:2017:683. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190426.3 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190426.3 citeert: ECLI:EU:C:1997:491 ECLI:EU:C:2009:665 ECLI:EU:C:2013:488 ECLI:EU:C:2017:683 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div