← België

ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190510.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 10 mei 2019 ECLI

Art. 1382

Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - SCHADE - Allerlei Vrije woorden: Aantasting van het vennootschapsvermogen - Vordering tot schadevergoeding - Vorderingsrecht - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 09-10-1967 - Artt.

Art. 1382

Thesaurus CAS: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - ALLERLEI Vrije woorden: Aantasting van het vennootschapsvermogen - Vordering tot schadevergoeding - Vorderingsrecht - Faillietverklaring van de vennootschap - Gevolg Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 09-10-1967 - Artt.

Art. 1382

Thesaurus CAS: VORDERING IN RECHTE Vrije woorden: Aantasting van het vennootschapsvermogen - Vordering tot schadevergoeding - Vorderingsrecht - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 09-10-1967 - Artt.

Art. 1382

Fiche 5 Een vorderingsrecht kan een eigendom zijn in de zin van artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM op voorwaarde dat het gaat om een aanspraak die voldoende vaststaat om opeisbaar te zijn zodat degene die deze aanspraak formuleert kan bogen op een legitieme verwachting dat zijn aanspraak zal worden gehonoreerd. Thesaurus CAS: EIGENDOM Vrije woorden: Vorderingsrecht - Eigendom - Voorwaarde Wettelijke bepalingen: Wet - 12-05-1955 - Art. 1 - 30 Link Justel databank 19550512-30 Annotaties Publicaties: Tijdschrift voor Belgisch Handelsrecht [T.B.H.] - VERHEYDEN, Roel; Noot 'De remediëring van afgeleide schade na de sluiting van het faillissement' - 2019, nr. 10, p. 1271-

  1. Tekst van de conclusie C.17.0397.N Conclusie van advocaat-generaal Ria Mortier
  2. Feiten en procedure 1.
  3. Eiser was bestuurder en aandeelhouder van een onderneming actief in de vleessector, die evenwel op 29 september 1998 failliet werd verklaard, nadat de minister van Volksgezondheid beslist had tot de volledige sluiting van de onderneming. Eiser was van mening door de fout(en) van de verweerders schade te hebben geleden en vorderde hiervoor vergoeding op grond van artikel 1382 Burgerlijk Wetboek. 1.
  4. In een vonnis van 5 december 2014 oordeelde de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel dat die vordering verjaard, en bijgevolg niet-ontvankelijk, was. 1.
  5. In het bestreden arrest van 3 januari 2017 verklaart het hof van beroep te Brussel eisers hoger beroep ongegrond en bevestigen de appelrechters het eerste vonnis. De appelrechters steunen zich hierbij op twee redenen. Inzake de verjaring oordelen de appelrechters dat de verjaringstermijn (uiterlijk) een aanvang nam op 1 januari 1998 en de verjaring intrad op 31 december 2002 op een ogenblik dat artikel 100 van de Wet op de Rijkscomptabiliteit onverkort (nog) van toepassing was, zodat gezien eiser eerst op 8 september 2010 een vordering heeft ingesteld tegen de eerste verweerder, en op 31 januari 2013 tegen de tweede verweerder de vijfjarige verjaringstermijn ruim werd overschreden. Daarnaast oordelen de appelrechters dat eiser, als gewezen aandeelhouder van de failliete onderneming, niet afdoend bewijst te beschikken over het vereiste belang en de vereiste hoedanigheid om een aansprakelijkheidsvordering in te stellen tegen de Belgische Staat. Het is immers de vennootschap of de curator na faillissement die gerechtigd is schadevergoeding te vorderen van een derde door wiens fout het vennootschapsvermogen werd aangetast. Voor deze schade aan het vennootschapsvermogen komt aan de aandeelhouders geen zelfstandig vorderingsrecht toe voor hun afgeleide schade.
  6. Bespreking 2.
  7. Het enig middel richt zich in zijn onderscheiden onderdelen tot de twee gronden die de bestreden beslissing schragen. Ongeacht de door de appelrechters gebruikte bewoordingen dat het oordeel met betrekking tot de hoedanigheid en het belang " geheel ten overvloede" is kan het middel dat opkomt tegen de redenen die de bestreden beslissing schragen tot cassatie leiden en is het derhalve niet zonder belang

(1). (...) 2.3.
  1. In het tweede subonderdeel van het tweede onderdeel voert eiser de schending aan van de artikelen 1 eerste Aanvullend Protocol EVRM, 13 EVRM en 1382 B.W. Hij voert met name aan dat de omstandigheid dat een vennootschap gerechtigd is om schadevergoeding te vorderen van een derde door wiens fout het vennootschapsvermogen werd aangetast en dat enkel de vennootschap (of de curator na faillissement) deze vordering kan uitoefenen, niet verhindert dat aan de aandeelhouders een zelfstandig vorderingsrecht toekomt tot vergoeding van de door hen geleden afgeleide eigen schade, in zoverre duidelijk is geworden, na afsluiting van het faillissement, dat de curator geen aansprakelijkheidsvordering heeft ingesteld tot vergoeding van de schade geleden door het vennootschapsvermogen. 2.3.2.
  2. Wanneer een vennootschap in haar belangen is aangetast, dan treft dit ook onrechtstreeks haar aandeelhouders, aangezien zij een negatieve weerslag ondervinden op de waarde van hun aandelen. De schade aan een vennootschap reflecteert bijgevolg op alle aandeelhouders door de waardevermindering van hun participatie. Die waardevermindering, veroorzaakt door de aantasting van het vennootschapsvermogen, doet in hoofde van de aandeelhouder echter geen autonome, van de schade van de vennootschap te onderscheiden, schade ontstaan. Aangezien de schade van de aandeelhouder enkel voortvloeit uit zijn hoedanigheid van aandeelhouder, valt zij immers samen met de schade die door de vennootschap wordt geleden. Daardoor doet het herstel van de schade van de vennootschap ook iedere schade van haar aandeelhouders ophouden te bestaan
(2). Omwille daarvan is er geen plaats voor een individuele vordering van de aandeelhouders uit hoofde van zulke afgeleide schade, ongeacht of de vennootschap zelf al dan niet gehandeld heeft om de vergoeding van de schade na te streven
(3). Van een individueel vorderingsrecht is enkel sprake voor wat eigen schade betreft. 2.3.2.2. Uw Hof bevestigde deze principes in een arrest van 23 februari 2012
(4), waarin werd geoordeeld dat de vennootschap gerechtigd is om schadevergoeding te vorderen van een derde door wiens fout het vennootschapsvermogen werd aangetast, en dat voor deze schade aan de aandeelhouders geen zelfstandig vorderingsrecht toekomt. Deze oplossing ligt op de eerste plaats in de lijn van de techniek van de rechtspersoon, die meebrengt dat een aandeelhouder niet voor eigen rekening over de activa van de vennootschap mag beschikken. Hij heeft over die goederen geen bevoegdheid om ze te gebruiken of erover te beschikken, tenzij op grond van een bestuursregeling die geldt voor de vennootschap waarbij hij voor haar rekening kan optreden
(5). In de rechtsleer wordt terecht aangevoerd dat het toekennen van een zelfstandig vorderingsrecht aan de aandeelhouder voor afgeleide schade erop zou neerkomen dat een aandeelhouder een vennootschapsactief kan privatiseren, en zich zo gedeeltelijk kan onttrekken aan het netto-karakter van zijn aanspraak. Dit is om drie redenen niet gewenst
(6): - De aandeelhouder heeft aanvaard dat voor de goederen van de vennootschap een bijzonder bestuursregime geldt. - Een zelfstandig vorderingsrecht van de aandeelhouders voor afgeleide schade zou er op neerkomen dat een vennootschapsactief (de aansprakelijkheidsvordering) wordt onttrokken aan de schuldeisers, wat indruist tegen de achtergestelde positie van de aandeelhouders ten aanzien van de vennootschapsschuldeiser; de aandeelhouder kan niet zomaar activa aan het vermogen van de vennootschap onttrekken: hij is maar gerechtigd tot de waarde van het eigen vermogen van die rechtspersoon (i.e. de activa met aftrek van de passiva). - Ten slotte dient ook rekening te worden gehouden met de belangen van de schadeveroorzaker, die er rechtmatig belang bij heeft dat excepties en verweermiddelen die hij kan inroepen tegen een vordering van de vennootschap niet worden doorbroken door haar aandeelhouders; die laatsten kunnen zich niet ontdoen van de lasten van de vennootschap indien dit hen beter uitkomt. 2.3.2.3. Voormeld principe leidt ertoe dat na faillissement uitsluitend de curator bevoegd is om op te treden voor de vergoeding van de schade die bestaat uit de aantasting van het vennootschapsvermogen (vermindering van het actief, vermeerdering van het passief, het niet-voorhanden zijn in de boedel van een actief dat ter beschikking moest staan van de schuldeisers)
(7). De verweerders voeren in de memorie van antwoord dan ook terecht aan dat: - de aansprakelijkheidsvorderingen van een vennootschap activa van die vennootschap zelf zijn, en niet van haar aandeelhouders. Het recht op vergoeding van schade die de vennootschap lijdt, komt aan haar toe. Zij zal, handelend door haar bevoegd orgaan (of na faillissement de curator), een vordering moeten instellen. Het provenu van die vordering komt toe aan de vennootschap zelf. - dit standpunt niet strijdig is met de artikelen 1 eerste Aanvullend Protocol EVRM en 13 EVRM. De aandeelhouder beschikt immers over andere middelen om zijn rechten te laten gelden (uitoefening van het stemrecht op de algemene vergadering, minderheidsvordering, aansprakelijkheidsvordering tegen de bestuurder of curator). Uit wat voorafgaat volgt met andere woorden dat indien een derde schade berokkent aan een vennootschap, een individuele aandeelhouder van die vennootschap voor zijn afgeleide schade niet over een vorderingsrecht ten aanzien van die derde beschikt, ook al stelt de vennootschap of, in het geval dat de vennootschap in staat van faillissement is verklaard, de curator zelf geen vordering in wegens de geleden schade. Het subonderdeel faalt bijgevolg naar recht. (...) CONCLUSIE: Verwerping. _______________________
(1)Cass. 26 januari 2017, AR C.16.0291.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170126.3, AC 2017, nr. 60.
(2)Zie E. DIRIX, Het begrip schade, Antwerpen, Kluwer, 1984, p. 100 nr. 148.
(3)D. WILLERMAIN, "L'absence de préjudice réparable des actionnaires en cas d'atteinte au patrimoine social", TBH 2013, p. 878, nr. 5.
(4)Cass. 23 februari 2012, AR C.11.0459.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120223.5, AC 2012, nr. 131.
(5)J. VANANROYE, G. LINDEMANS en R. VERHEYDEN, "Vorderingen tot reconstructie van de boedel: (bestuurs)aansprakelijkheid en actio pauliana", in Curatoren en vereffenaars: Actuele ontwikkelingen IV, Antwerpen, Intersentia, 2017, p. 138, nr. 33.
(6)J. VANANROYE, "Aandeelhouders hebben geen zelfstandig vorderingsrecht voor afgeleide schade", TRV 2012, p. 322; zie ook K. GRILLET, "Verantwoordelijkheid vennootschap en bestuurders. Schadevergoeding voor individuele aandeelhouders wegens waardevermindering van aandelen", NjW 2007, p. 154, nr. 45 e.v.
(7)F. PARREIN, noot onder Cass. 23 februari 2012, RW 2011-12, p. 1658. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190510.3 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190510.3 citeert: ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120223.5 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170126.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.