id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 13 mei 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190513.1 Rolnummer: S.17.0090.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2019-06-19 Raadplegingen: 397 - laatst gezien 2026-06-29 10:18 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190513.1 Fiches 1 - 2 Indien de rechter rekening moet houden met alle feiten en omstandigheden die in de in artikel 4, § 1, Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden bedoelde brief worden aangehaald en dus ook met de in deze brief als verduidelijking of verzwarende omstandigheid aangehaalde vroegere feiten, staan artikel 4, § 2, tweede lid, §§ 3 en 4, en artikel 7 Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden evenwel eraan in de weg dat de rechter bij de beoordeling van het feit dat het ontslag zonder opzegging rechtvaardigt, feiten en omstandigheden in aanmerking zou nemen die in de in artikel 4, § 1, Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden bedoelde brief niet werden vermeld, zoals vroegere feiten die als verduidelijking of verzwarende omstandigheid zouden kunnen gelden
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: ONDERNEMINGSRAAD EN VEILIGHEIDSCOMITE - BESCHERMDE WERKNEMERS Vrije woorden: Ontslag om dringende reden - Aangevoerd feit - Beoordeling - Aan het ontslag voorafgaand feit - Voorwaarde - Gevolg Thesaurus CAS: ARBEIDSOVEREENKOMST - EINDE - Ontslag om dringende reden Vrije woorden: Beschermde werknemer - Aangevoerd feit - Beoordeling - Aan het ontslag voorafgaand feit - Voorwaarde - Gevolg Tekst van de conclusie S.17.0090.N Conclusie van de Advocaat-generaal Vanderlinden:
- Eiser tot cassatie komt op tegen een arrest van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen gewezen op 29 augustus
- Door eiseres worden er twee middelen aangevoerd.
- Het eerste middel. a. Probleemstelling. De problematiek die aan de orde is betreft deze van artikel 4 van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden. De vraag die zich stelt, is of, in het licht van voormelde bepaling, door de werkgever vroegere feiten voor de rechter mogen worden aangevoerd om de zwaarwichtigheid aan te tonen van de feiten die zich voordeden in de driedagentermijn waarvan sprake in artikel 4, §1, van voormelde wet indien van deze vroegere feiten geen melding wordt gemaakt in het aangetekend schrijven bedoeld in het desbetreffende artikel 4, §
- De appelrechter meende dat met deze vroegere feiten, die niet werden opgenomen in het aangetekend schrijven, geen rekening mag worden gehouden. Eiseres tot cassatie voert aan dat, naar analogie van artikel 35, lid 4 Arbeidsovereenkomstenwet, de bepalingen van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden er niet aan in de weg staan dat de rechter rekening mag houden met andere feiten, dan deze die in de aangetekende brief werden aangevoerd, wanneer zij het dringend karakter van de in de brief aangevoerde ontslagreden kunnen verduidelijken. b. Beoordeling. Het standpunt van eiseres kan niet onderschreven worden. De bijzondere bescherming tegen ontslag, die de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden regelt, is van openbare orde
(1). Derhalve geldt het principe van strikte interpretatie. Afwijkingen van de vastgelegde regels zijn dus maar mogelijk in zoverre de wet hierin zelf voorziet. Het kan niet ontkend worden dat er tussen de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden en de Arbeidsovereenkomstenwet paralellen zijn, zo onder andere de invulling van het wettelijk begrip "dringende reden", doch niet alle principes en toepassingen van de wet van 1978 kunnen overgezet worden naar deze van
- Eén en ander is het gevolg van enkele duidelijke wettelijke bepalingen die voor komen in de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden, doch niet in de Arbeidsovereenkomstenwet. Zo'n bepaling is het voormelde artikel 4 en inzonderheid de paragrafen 3 en 4 hiervan. Ingevolge paragraaf 3 dient de werkgever, in het aangetekend schrijven, "alle feiten" te vermelden die naar zijn oordeel elke verdere professionele samenwerking definitief onmogelijk maken. Paragraaf 4 stelt dat dit geldt op straffe van nietigheid. Een dergelijke verplichting met hieraan verbonden nietigheidssanctie is niet aan te treffen in de Arbeidsovereenkomstenwet. In het schrijven moeten derhalve "alle" feiten worden vastgelegd die de dringende reden uitmaken. Dus niet enkel het feit dat zich situeert in de driedagentermijn maar ook deze feiten die, aan het feit dat zich in de driedagentermijn situeert, het zwaarwichtig karakter geven. Immers, zo het feit dat de verdere professionele samenwerking definitief onmogelijk maakt een op zichzelf staand feit is dan dient enkel dit feit aangehaald te worden in de aangetekende brief. Indien echter dit feit enkel zwaarwegend wordt in het licht van oudere feiten dan moeten deze ook vermeld worden. Het is het geheel van deze feiten, tezamen, die in hoofde van de werkgever het oordeel gevormd hebben dat iedere verdere professionele samenwerking definitief onmogelijk wordt. Het is de aanwezigheid van de oudere feiten die aan het feit van de driedagentermijn het aspect dringende reden geven. Dit zijn dus "alle feiten" waarvan sprake in artikel 4, §
- De bepalingen van artikel 4 Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden zijn dus duidelijk en er wordt niet voorzien in uitzonderingen. De brieven leggen bovendien de feiten vast die aan het arbeidsgerecht zullen worden voorgelegd
(2). Luidens artikel 7 mogen de in de dagvaarding vermelde redenen niet verschillen met deze die aangehaald worden in de aangetekende brieven. Zij bepalen dus de contouren van het debat. Derhalve dient de werkgever, zo hij vroegere feiten wenst aan te halen om de zwaarwichtigheid van het feit dat zich voordeed in de drie dagen termijn aan te tonen, deze verzwarende omstandigheden op te nemen in de brief waarvan sprake in artikel 4
(3)-
(4). Het middel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat faalt naar recht. Volledigheidshalve moet ook op een ander onderdeel van de procedure gewezen worden waaruit het belang blijkt om, in de aangetekende brief, een volledige opsomming te geven, dus ook van de oude feiten die het zwaarwegend karakter aantonen. Dit is aan te treffen in artikel 9 van de wet van 1991. Het is, hoofdzakelijk, op basis van de inhoud van de brieven dat de Voorzitter van de arbeidsrechtbank zich een oordeel zal dienen te vormen over de noodzaak om de uitvoering van de arbeidsovereenkomst al dan niet te schorsen tijdens de procedure ten gronde
(5). 3. Het tweede middel. (...) Conclusie: verwerping. _______________________________
(1)Cass. 15 mei 2000, AR S.99.0194.N, AC 2000, nr. 292; Cass. 1 december 1997, AR S.97.0054.N ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971201.4, AC 1997, nr. 518; Cass. 4 september 1995, AR S.95.0001.F ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950904.4, AC 1995, nr. 363; L. ELIAERTS, Beschermde werknemers - Ondernemingsraad en comité voor preventie en bescherming op het werk, Gent, Larcier, 2002, p. 54; I. PLETS, S. DEMEESTERE, J. HOFKENS en A. VANDENBERGEN, 20 jaar Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden - Artikelsgewijze commentaar, Antwerpen, Intersientia, 2011, p. 144; L. ELIAERTS en I. VAN HIEL, Beschermde werknemers - Ondernemingsraad en comité voor preventie en bescherming op het werk, Gent, Larcier, 2013, p. 60 en D. VOTQUENNE en C. WANTIEZ, Beschermde werknemers - 10 jaar toepassing van de wet van 19 maart 1991, Brussel, Larcier, 2001, p. 28.
(2)D. VOTQUENNE en C. WANTIEZ, o.c., p.59.
(3)L. ELIAERTS, o.c., p. 236; I. PLETS, S. DEMEESTERE, J. HOFKENS en A. VANDENBERGEN o.c., p. 144; L. ELIAERTS en I. VAN HIEL, o.c., p. 257; D. VOTQUENNE en C. WANTIEZ, o.c. en H.F. LENAERTS, Het ontslag van beschermende werknemers, Mechelen, Kluwer, 2004, p.73.
(4)Ter illustratie kan verwezen worden: naar een arrest van Uw Hof van 3 juni 1996 (AR S.95.0140.N ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19960603.4, AC 1996, nr. 205). In deze zaak ging het tevens om de toepassing van de wet van 1991 en werden ook vroegere feiten ingeroepen als verzwarende omstandigheden. Uw Hof oordeelde toen dat de rechter deze vroegere feiten in acht diende te nemen. De vraag die ons thans aanbelangt maakte toen niet het voorwerp uit van de voorziening maar uit Uw beslissing komt naar voor dat uit de stukken waar Uw Hof acht op mocht slaan, bleek dat de vroegere feiten in de brief werden aangehaald.
(5)D. VOTQUENNE en C. WANTIEZ, o.c., p.60. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190513.1 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190513.1 citeert: ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950904.4 ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19960603.4 ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971201.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div