id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 13 mei 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190513.2 Rolnummer: S.18.0039.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2019-06-19 Raadplegingen: 418 - laatst gezien 2026-06-28 12:18 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190513.2 Fiche Uit artikel 344 Programmawet (I) van 24 december 2002 volgt dat een nieuwe indienstneming geen recht geeft op de bedoelde bijdragevermindering wanneer zij niet gepaard gaat met enige reële werkgelegenheidsschepping; om te bepalen of de nieuw in dienst genomen werknemer een werknemer vervangt die in de loop van de vier kwartalen voorafgaand aan de indienstneming in dezelfde technische bedrijfseenheid werkzaam is geweest, moet een vergelijking worden gemaakt tussen het personeelsbestand van de technische bedrijfseenheid op het ogenblik van de indienstneming van de nieuwe werknemer enerzijds en het maximale personeelsbestand van de technische bedrijfseenheid in de loop van de vier kwartalen voorafgaand aan die indienstneming anderzijds; enkel wanneer het personeelsbestand van de technische bedrijfseenheid op het ogenblik van de indienstneming van de nieuwe werknemer is toegenomen en aan de overige wettelijke vereisten is voldaan, zal de doelgroepvermindering verworven zijn
(1)
(2).
(1)Zie concl. OM.
(2)Vgl. Cass. 10 december 2007, AR S.07.0036.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071210.4, AC 2007, nr.
- Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS Vrije woorden: Werkgevers - Bijdragevermindering - Zelfde technische bedrijfseenheid - Netto aangroei van het personeelsbestand - Toepassing Tekst van de conclusie C.18.0039.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200924.1F.5 Conclusie van de advocaat-generaal Vanderlinden:
- Eiseres tot cassatie komt op tegen een arrest van het Arbeidshof Antwerpen, afdeling Antwerpen, op 14 oktober
- Door eiser wordt er één middel aangevoerd.
- Wat betreft het tweede onderdeel. In het tweede onderdeel staat ter debat op welke wijze de bepaling van artikel 344
(1)van de Programmawet (I) van 24 december 2002 moet worden geïnterpreteerd. Meer in het bijzonder betreft het de vraag naar hoe wordt bepaald of er al dan niet sprake is van een in dienst genomen werknemer die een werknemer vervangt die in de loop van de vier kwartalen voorafgaand aan de indiensttreding werkzaam is geweest in dezelfde technische bedrijfseenheid. Het voorschrift dat thans aan te treffen is in het voormelde artikel 344 is niet nieuw. Het is, mits enige tekstuele wijzigingen, hetgeen wat reeds aan te treffen was in artikel 117, §2 van de Programmawet van 30 december
- Deze beide bepalingen luiden, respectievelijk, als volgt: - De in artikel 343 bedoelde werkgever geniet niet van de bepalingen van dit hoofdstuk indien de nieuw in dienst genomen werknemer een werknemer vervangt die in de loop van de vier kwartalen voorafgaand aan de indienstneming in dezelfde technische bedrijfseenheid werkzaam geweest is. - De in §1 bedoelde werkgever geniet niet van de bepalingen van dit hoofdstuk indien de nieuw in dienst genomen werknemer een werknemer vervangt die in de loop van de twaalf kalendermaanden voorafgaand aan de indienstneming in dezelfde technische bedrijfseenheid werkzaam geweest is, behalve indien deze werknemer de voorwaarden van artikel 119, c, vervult. Niettegenstaande de bepalingen van beide wetten quasi identiek zijn bestaat het verschil tussen beiden in het feit dat in de wet van 1988 bepalingen aan te treffen zijn die ontbreken in de wet van
- Dit betreft meer in het bijzonder artikel 116 van de wet van
- In deze bepaling wordt aangegeven wat begrepen dient te worden onder aangroei van het personeelsbestand. Uw Hof oordeelde, inzake de bijdragevermindering zoals geregeld in de Programmawet van 30 december 1988, op 10 december 2007 dat: "Uit deze bepalingen volgt dat een nieuwe indienstneming geen recht geeft op de bedoelde bijdragevermindering wanneer zij niet gepaard gaat met enige reële werkgelegenheidsschepping en dat de vereiste netto-aangroei van het personeelsbestand wordt beoordeeld aan de hand van het totaal aantal door de werkgever tewerkgestelde werknemers en de door hem aangegeven loonmassa aan 100 procent, zonder dat hierbij enig onderscheid wordt gemaakt naar gelang het statuut van de werknemers of de aard van het door hen verricht werk." In de wet van 1988 waren er dus twee indicatoren die voorhanden dienden te zijn om in aanmerking te komen voor de bijdragevermindering, enerzijds het totaal aantal tewerkgestelde personen en anderzijds de aangegeven loonmassa aan 100 %. Een bepaling zoals artikel 116 is, zoals vermeld, niet aan te treffen in de wet van 2002, noch in het uitvoeringsbesluit ervan. Het aspect loonmassa kan, bij gebrek aan enige wettelijke grondslag, niet in overweging worden genomen. Evenmin, eveneens bij gebrek aan enige wettelijke bepaling, kan het aspect arbeidsregime, in de desbetreffende referteperiode, als criterium worden gehanteerd. Zodoende is er enkel het aspect aangroei van het personeelskader dat als criterium kan in overweging worden genomen. Er is immers geen gerechtigdheid op een vermindering indien de nieuwe werknemer, in de referteperiode, een werknemer vervangt. Dus indien er geen netto aangroei is van het personeelsbestand. De werkgever zal dus van de vermindering kunnen genieten indien de nieuwe werknemer bovenop het bestaande personeel komt, dus een echte netto-aanwerving
(2). Het betreft dus, zoals gesteld in de "administratieve instructies", het tellen van "koppen". Het gaat hem om het aantal bij de werkgever in het personeelsregister ingeschreven en bij de eiser aangegeven werknemers, ongeacht of het voltijds dan wel deeltijdse werknemers betreft. Enkel het totaal aantal personeelsleden telt. Noch het aspect loonmassa, noch het werkritme speelt in deze mee. De appelrechter die de doelgroepvermindering toekent op grond van het criterium dat niet alleen rekening dient gehouden te worden met het personeel opgenomen in het personeelsregister "maar bovendien in de referteperiode ook werkzaam zijn geweest conform aan het met hen afgesproken werkregime. "Werkzaam" begrepen in de betekenis van, arbeid leverend, aanwezig op de werkvloer " verantwoordt niet naar recht zijn beslissing. Het onderdeel is gegrond. De overige grieven kunnen niet tot een ruimere cassatie leiden. 3. Conclusie: Cassatie. ________________
(1)Deze bepaling werd gewijzigd door artikel 50 van de Programmawet van 22 december 2003 (BS 31 december 2003). In de voorbereidende stukken kan slechts een beperkte toelichting aangetroffen worden. Er wordt gesteld dat deze bepaling verduidelijkt welke werkgever in aanmerking komt voor de doelgroepvermindering bij de eerste aanwervingen en waarom men de referteperiode van 12 maanden wijzigt naar 4 kwartalen (Ontwerp van programmawet, Parl. St., Kamer 2003-04, nr. 51K0473/001, p. 35).
(2)E. POELMAN, Doelgroepverminderingen, Mechelen, Kluwer, 2017, p.17. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190513.2 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190513.2 citeert: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200924.1F.5 precedenten: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071210.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div