← België

ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190521.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 21 mei 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190521.2 Rolnummer: P.18.1247.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht - Unierecht Invoerdatum: 2019-06-26 Raadplegingen: 367 - laatst gezien 2026-06-28 11:17 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190521.2 Fiches 1 - 3 Uit de vergelijking enerzijds van de Nederlandstalige tekst van de Verordening(EG) nr. 338/97 van de Raad van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten (CITES-Verordening) met de Franstalige en Engelstalige tekst ervan en anderzijds de vergelijking van de Nederlandstalige tekst van de Verordening (EG) nr. 865/2006 van de Commissie van 4 mei 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van de CITES-Verordening (Uitvoeringsverordening) met de Franstalige en Engelstalige tekst ervan, volgt dat met de term "planken" in de Bijlage B met annotatie #5 van de CITES-Verordening en in de Bijlage VII van de Uitvoeringsverordening, "verzaagd hout" wordt bedoeld

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: MILIEURECHT Vrije woorden: Bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten - CITES-Verordening - Begrip "planken" - Draagwijdte - Gevolg Bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten - Uitvoeringsverordening van de Cites-Verordening - Begrip "planken" - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - ALLERLEI Vrije woorden: Bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten - CITES-Verordening - Uitvoeringsverordening van de Cites-Verordening - Begrip "planken" - Draagwijdte - Gevolg Tekst van de conclusie P.18.1247.N Conclusie van advocaat-generaal Winants: Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 14 november
  1. I. PROCEDURELE ANTECEDENTEN.
  2. De beklaagden, thans verweerders, werden door het openbaar ministerie onder telastlegging A vervolgd uit hoofde van in de periode van 16 december 2011 tot en met 16 december 2012, "Bij inbreuk op artikel 4.2 van de Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer, strafbaar gesteld door artikel 20 van het Koninklijk Besluit van 9 april 2003 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer, overeenkomstig de bepalingen van artikel 5 van de Wet van 28 juli 1981 houdende goedkeuring van de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten, en van de Bijlagen, opgemaakt te Washington op 3 maart 1973, alsmede van de Wijziging van de Overeenkomst, aangenomen te Bonn op 22 juni 1979", specimen van in bijlage B bij deze verordening genoemde soorten in de Gemeenschap te hebben gebracht zonder dat voorafgaandelijk een invoervergunning van de administratieve instantie van de lidstaat van bestemming, werd voorgelegd in het douanekantoor aan de grens waar het specimen werd binnengebracht 290 bundels aformosia hout (Pericopsis elata (II)) illegaal te hebben binnengebracht van Kameroen naar België, onder andere benamingen zoals 1roko - Eyong - Talu - Mukulungu - Assamelia".
  3. De beklaagden, thans verweerders in cassatie, werden door het openbaar ministerie onder tenlastelegging B voorts vervolgduit hoofde van, in de periode van 14 december 2011 tot en met 10 januari 2013, "Opzettelijk of door gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid een inbreuk te hebben gepleegd op artikel 8.5 van de Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer, artikel 20 van het Koninklijk Besluit van 9 april 2003 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer en artikel 5 van de Wet van 28 juli 1981 houdende goedkeuring van de Overeenkomst inzake de Internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten, en van de Bijlagen, opgemaakt te Washington op 3 maart 1973, alsmede van de Wijziging van de Overeenkomst, aangenomen te Bonn op 22 juni 1979, specimen van in bijlage B genoemde soorten te hebben aangekocht, te koop te hebben gevraagd, voor commerciële doeleinden te hebben verworven, voor commerciële doeleinden te hebben tentoongesteld, met winstoogmerk gebruikt te hebben, te hebben verkocht, in bezit te hebben gehad met het oog op verkoop, ten verkoop te hebben aangeboden, te hebben vervoerd met het oog op verkoop, zonder dat ten genoegen van de bevoegde autoriteit is aangetoond dat die specimens verkregen werden en, indien ze niet uit de Gemeenschap afkomstig zijn, daarin werden binnengebracht overeenkomstig de geldende wetgeving inzake instandhouding van de wilde flora en fauna, meer bepaald 290 bundels aformosia hout (Pericopsis elata (II)).
  4. Bij vonnis van 23 februari 2016 van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, gewezen op tegenspraak, werden de feiten onder de telastleggingen A en B bewezen verklaard in hoofde van verweerders. De rechtbank veroordeelde eerste verweerster tot betaling van een geldboete van 10.000 euro met uitstel gedurende één jaar voor 8000 euro en tot de verbeurdverklaring van 100.000 euro als illegaal vermogensvoordeel op basis van artikel 42, 3°, Strafwetboek. De tweede verweerder werd veroordeeld tot een hoofdgevangenisstraf van zes maanden en tot een geldboete van 10.000 euro met uitstel gedurende één jaar voor 8000 euro. Beide verweerders werden ook veroordeeld tot een bijdrage van 25 euro x 50 opdeciemen (150 euro) aan het slachtofferfonds, een vergoeding van 51, 20 euro en elk de helft van de gerechtskosten.
  5. Tegen dit vonnis stelden verweerders hoger beroep in op 8 maart 2016 en tekende het openbaar ministerie hoger beroep aan op 24 maart
  6. Bij arrest van het hof van beroep te Antwerpen werden beide verweerders voor de telastlegging A ontslagen van rechtsvervolging op basis van de overweging dat ‘het hof samengenomen vast(stelt) dat op het moment van de feiten, op het federale niveau, inbreuken op artikel 4.5 van de CITES-verordening niet strafbaar werden gesteld door een (rechtsgeldige) wetsbepaling', terwijl ze beiden uit hoofde van de telastlegging B werden vrijgesproken op grond van de overweging dat ‘samengenomen het hof van oordeel (is) dat er twijfel bestaat over de juiste kwalificatie van het inbeslaggenomen Afrormosia-hout als zijnde hout van eerste transformatie of hout van tweede transformatie.' Tegen dit arrest stelde de procureur-generaal bij het hof van beroep te Antwerpen cassatieberoep in op 29 november
  7. II ONDERZOEK VAN HET CASSATIEBEROEP.
  8. De eiser in cassatie voert één middel aan, met name de schending van artikel 8.5 Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (hierna CITES-Verordening), artikel 2 Strafwetboek, artikel 182 Wetboek van Strafvordering en de artikelen 1 en 5 van de wet van 28 juli 1981 houdende goedkeuring van de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten, en van de Bijlagen, opgemaakt te Washington op 3 maart 1973, alsmede van de wijziging van de Overeenkomst, aangenomen te Bonn op 22 juni 1979 (hierna CITES-wet), alsook miskenning van het legaliteitsbeginsel. Alhoewel dit niet als dusdanig wordt vermeld lijkt het middel mij uiteen te vallen in twee onderdelen, het eerste betrekking hebbend op de telastlegging A, terwijl het tweede de telastlegging B betreft, zodat mijn bespreking dan ook dit stramien zal volgen. De beide onderdelen werpen rechtsvragen op die het nodig maken de ontstaansgeschiedenis en de draagwijdte van de CITES-Overeenkomst van 3 maart 1973
(1), de implementatie ervan in ons nationaal recht en de huidige CITES-Verordening te bestuderen. A) Ontstaansgeschiedenis en draagwijdte van de CITES-wetgeving.
  1. De CITES-Overeenkomst ( alsmede de implementatie ervan in Belgisch recht) en de CITES-Verordening reguleren de handel in bedreigde soorten die in de bijlagen ervan voorkomen, in hoofdzaak door middel van een stelsel van vergunningen en certificaten die slechts onder bepaalde voorwaarden kunnen worden afgeleverd en die moeten worden voor- gelegd wanneer de CITES-soorten een land binnenkomen of verlaten. Elke bijlage heeft een eigen juridisch regime, dat van zeer strikt (Bijlage I-/Bijlage A-soorten) tot relatief minder streng (Bijlage III-/Bijlage D-soorten) varieert. a) De CITES- Overeenkomst.
  2. Op 3 maart 1973 ondertekenden in Washington DC 69 staten, waaronder België, de CITES-Overeenkomst. Dit verdrag strekt ertoe bedreigde in het wild levende dieren en planten te beschermen tegen overmatige exploitatie ten gevolge van de internationale handel. De CITES-Overeenkomst werd in 1981 door België goedgekeurd en de CITES-wet van 28 juli 1981 zet het verdrag en zijn bijlagen om in nationaal recht. Deze wet, die werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 30 december 1983, trad in werking op 10 januari
  3. Een belangrijk uitvoeringsbesluit van de CITES-wet is het KB van 9 april 2003 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer
(2). 8. De CITES-Overeenkomst onderscheidt drie categorieën beschermde soorten, opgenomen in haar bijlagen I, II en III (artikel II CITES-Overeenkomst): - Bijlage I omvat alle met uitsterven bedreigde soorten die bedreigd worden of zouden kunnen worden door de handel; - Bijlage II bevat soorten opgenomen die nog niet met uitsterven bedreigd worden, maar die aan dergelijke dreiging kunnen worden blootgesteld indien de handel in deze soorten niet aan banden zou worden gelegd; - In bijlage III zijn alle soorten opgenomen waarvan een verdragsluitende partij verklaart dat ze onderworpen zijn aan een verordening die de exploitatie wil verhinderen of beperken en waarvoor samenwerking met de andere verdragspartijen vereist is voor de controle op de handel. De bijlagen I en II worden tweejaarlijks bijgewerkt (artikel XV juncto artikel XI CITES-Overeenkomst). Pericopsis Elata, dat voor onderhavige zaak van belang is, is sinds 1992 opgenomen in bijlage II.
(3). De handhaving van de CITES-Overeenkomst berust grotendeels bij de Partijen zelf (artikel VIII CITES-Overeenkomst)
(4). Partijen kunnen voorbehouden formuleren bij bepaalde soorten (artikel XXIII CITES-Overeenkomst). Met ingang van 6 maart 2015 is de EU toegetreden tot de CITES-Overeenkomst. 9. Een belangrijke rol in de werking van de CITES-Overeenkomst is toebedeeld aan het Secretariaat en de Conferentie der Partijen (CoP). Het Secretariaat zorgt onder meer voor het laten uitvoeren van wetenschappelijke studies, het opstellen van jaarverslagen die aan de Partijen overgemaakt worden en het doen van aanbevelingen (artikel XII CITES-Overeenkomst). Het Secretariaat roept ook de Conferentie der Partijen ten minste om de twee jaar bijeen (artikel XI CITES-Overeenkomst). De Conferentie der Partijen heeft onder meer de bevoegdheid om de bijlagen te amenderen en om (juridisch niet-bindende) resoluties aan te nemen over bijvoorbeeld de toepassing van de CITES-Overeenkomst in bepaalde gevallen door een Verdragsstaat (artikel XI.3 CITES-Overeenkomst). De Conferentie heeft verschillende commissies ingesteld, waaronder een Permanent Comité, dat het Secretariaat adviseert over de toepassing van de CITES-Overeenkomst en dat ook het werk van de andere Comités en werkgroepen coördineert en superviseert
(5). De Conferentie heeft ook een Comité voor de Dieren en een Comité voor de Planten ingesteld. Deze Comités zijn samengesteld uit specialisten die technische ondersteuning dienen te geven bij het nemen van beslissingen over soorten. Deze Comités bereiden ook ontwerpen van resoluties voor over zaken m.b.t. planten en dieren
(6), die dan voor verder onderzoek worden voorgelegd aan het Permanent Comité
(7). 10. De 13de vergadering van de Conferentie der Partijen (CoP 13) vond plaats van 2 tot 14 oktober 2004 in Bangkok en alsdan nam zij de (niet-bindende) resolutie 10.13 aan, die bij de 14de (CoP 14 in 2007 in Den Haag) en 15de (CoP15 in 2010 in Doha) vergadering van de Conferentie der Partijen werd gewijzigd. In de meest recente resolutie 10.13
(8): zoals daartoe werd beslist tijdens de CoP 15 , werd de volgende definitie gegeven van de ondervermelde begrippen uit de bijlagen van de CITES-Overeenkomst - Stammen: alle soorten onbewerkt hout, al dan niet ontdaan van schors en/of bast of vierkant gezaagd, met name bestemd om tot verzaagd hout, houtpulp of bladen fineer te worden verwerkt. - Verzaagd hout: hout dat gewoon in de lengterichting is verzaagd of tot profielhout is verwerkt. Meestal met een dikte van meer dan 6 mm. - Fineerbladen: hout in dunne bladen van uniforme dikte van gewoonlijk niet meer dan 6 mm, gewoonlijk verkregen door schillen of snijden, bestemd voor de fabricage van multiplex/triplex, meubels, dozen, enz.
(9). - Multiplex/triplexhout: dit wordt gevormd uit (minstens 3) gesneden fineerbladen en in het algemeen verzameld in panelen. Ze worden aan elkaar geplakt en bijeen geperst op zulke manier dat "le plus souvent les fils du bois d'une feuille croisent, suivant un angle déterminé, les fils de la feuille supérieure ou inférieure." (eigen vert.: meestal kruisen de houtdraden van een blad, volgens een welbepaalde hoek, de draden van een boven-of onderliggend blad)
  1. Het Secretariaat stelde ook een rapport op naar aanleiding van de 22ste vergadering van het Plantencomité te Tbilissi (Georgië) van 19-23 oktober 2015, genaamd "Strategische zaken. Annotaties voor soorten, opgenomen in de CITES-Bijlagen". Dit rapport wordt door de verweerders aangehaald tot staving van hun argumentatie dat de begrippen "stammen of blokken, planken en fineer" in die zin moeten worden geïnterpreteerd dat pericopsis elata-hout dat een tweede transformatie/verwerking heeft ondergaan, niet valt onder de CITES-Verordening. Voormeld rapport werd opgesteld na de 16de vergadering van de Conferentie der Partijen (CoP 16) in Bangkok in
  2. De Conferentie der Partijen nam toen onder meer beslissingen 16.161 en 16.162 over de annotaties in de CITES-Overeenkomst en, meer specifiek, de beslissingen 14.148 en 15.35 over de annotaties van de bomensoorten in bijlagen II en III van de CITES-Overeenkomst
(10).
  1. Uit de beslissing 16.162 blijkt dat het Permanent Comité van Partijen een werkgroep dient samen te stellen over de annotaties in de CITES-Overeenkomst, in nauwe samenwerking met het Comité voor de Planten en het Comité voor de Dieren. De werkgroep heeft als opdracht om onder meer na te gaan of de Verdragspartijen hetzelfde begrijpen onder de onderscheiden annotaties, zowel wat betreft de betekenis ervan als wat betreft de functie, en om procedures uit te werken voor het maken van nieuwe annotaties voor plantensoorten. Ze dienen de bestaande annotaties voor plantensoorten te evalueren en na te gaan of deze voldoende duidelijk zijn en of zij gemakkelijk kunnen worden toegepast. Ze dienen de bestaande annotaties voor bomensoorten te onderzoeken en desgevallend wijzigingen aan deze annotaties voor te stellen en duidelijke definities van de gebruikte termen in de annotaties voor te bereiden om hun gebruik te vergemakkelijken en om ervoor te zorgen dat ze duidelijk begrepen worden door de bevoegde diensten. Uit beslissing 14.148 blijkt dat het Permanent Comité en het Comité voor de Planten vervolgens, op basis van de voormelde studie van de werkgroep, desgevallend een voorstel van wijziging van de annotaties in de bijlagen van CITES-Overeenkomst en een voorstel van wijziging van resolutie 10.13 dienen te formuleren. Uit beslissing 15.35 blijkt dat het Secretariaat een studie zal bestellen over de handel in de bomensoorten, vermeld in de bijlagen II en III, teneinde onder meer na te gaan welke bomensoorten de internationale handel domineren evenals de omvang van de vraag naar in het wild levende soorten. Het Secretariaat zal deze studie vervolgens overmaken aan het Comité voor de Planten, in het kader van haar opdracht overeenkomstig beslissing 14.
  2. Het rapport dat het Secretariaat heeft opgesteld naar aanleiding van de 22ste vergadering van het Plantencomité te Tbilissi (Georgië) van 19-23 oktober 2015 gaat over deze laatste studie
(11). Uit het rapport blijkt dat de eerste fase van de studie werd afgerond, de tweede fase nog niet. Op basis van de voorlopige resultaten en conclusies, beveelt het Secretariaat het Comité van de Planten aan om te overwegen om aan de werkgroep van het Permanent Comité aan te bevelen om eventuele wijzigingen aan annotaties #5 en #6 te bespreken en te onderzoeken. Deze voorstellen tot wijziging zouden de draagwijdte van de dekking van deze annotaties moeten uitbreiden zodat ook producten van tweede transformatie in de annotaties #5 en #6 zijn vervat, zoals dat het geval is voor wat betreft annotatie #4 (zie punt 26 van het rapport). Bij de bespreking van de eerste fase van de studie, wordt onder meer het volgende vermeld (zie punt 10 van het rapport): "Plus précisément, les annotations #5, #6, #7, #10, #11 et #12 appliquent le contrôle du commerce CITES seulement au bois brut (tels que les grumes), ou aux produits semi-transformés (tels que le bois scié, les placages et contreplaqués). Pour les espèces d'arbres CITES ayant ses annotations, les produits plus élaborés et les produits finis ne sont pas couverts par la CITES." (eig.vert.: meer bepaald passen de annotaties #5, #6, #7, #10, #11 et #12 de controle van de CITES handel enkel toe op ruw hout ( zoals stammen) of op semi-getransformeerd hout ( zoals verzaagd hout, fineerhout, multiplex/triplexhout). Voor de CITES boomsoorten met deze annotaties zijn meer verwerkte of afgewerkte producten niet gedekt door CITES). Het Secretariaat beschouwt de begrippen van annotatie #5 derhalve als producten van eerste transformatie. Wat onder eerste of tweede transformatie precies dient te worden begrepen, wordt evenwel niet nader toegelicht. Vermoedelijk is dit een begrip dat duidelijk is voor de professionelen in de houtindustrie, hoewel ook daar klaarblijkelijk discussie bestaat over de precieze inhoud van "eerste" of "tweede" transformatie, zoals dat blijkt uit de discussie in huidig dossier tussen de houtdeskundige, aangesteld door de verweerders, en de houtdeskundige, aangesteld door de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu. Uit de agenda van de CoP 18, die zal plaatsvinden van 23 mei - 3 juni 2019, blijkt dat de voorstellen tot wijziging van resolutie 10.13 alsdan zullen worden besproken
(12). Het is evenwel niet zeker of de aangestelde werkgroep haar studie tegen dan reeds zal beëindigd hebben. In document "CoP 17 Doc 83.2"
(13), dat werd opgesteld door de Verenigde Staten van Amerika als voorzitter van de werkgroep en dat besproken werd tijdens de CoP17 in 2016, formuleert de werkgroep ten aanzien van de Verdragspartijen immers een aanbeveling om de annotaties #11 en #14 aan te passen en om een beslissing te nemen tot verlenging van de taak van de werkgroep teneinde de andere vragen verder te kunnen onderzoeken (zie nr. 26 van dit document). b) De oude CITES-Verordening. 14. In 1982 heeft de Europese Gemeenschap Verordening (EEG) 3626/82 van de Raad van 3 december 1982 betreffende de toepassing in de Gemeenschap van de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten
(14)uitgevaardigd ter uitvoering van de CITES-Overeenkomst, waarbij zij zelf nog geen partij was. In deze verordening werden de bepalingen van de CITES-Overeenkomst hernomen, uitgebreid en verstrengd. De oude CITES-Verordening werd aangenomen omdat er nood bestond aan een geharmoniseerde regeling voor de hele EG, om concurrentievervalsing te voorkomen en om te vermijden dat de CITES-Overeenkomst het vrije verkeer van goederen binnen de Europese Gemeenschap zou beïnvloeden
(15). De preambule van Verordening (EEG) 3626/82 van de Raad van 3 december 1982 betreffende de toepassing in de Gemeenschap van de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten
(16)vermeldt daaromtrent onder meer het volgende: "(...) Overwegende dat met het oog op de bescherming van de bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten op Gemeenschapsniveau zorg moet worden gedragen voor de uniforme toepassing van bepaalde, uit hoofde van de Overeenkomst ten uitvoer te leggen handelspolitieke instrumenten; (...) Overwegende dat de toepassingsbepalingen van de Overeenkomst betreffende de handel niet van invloed mogen zijn op het vrije verkeer van goederen binnen de Gemeenschap en slechts mogen gelden voor de handel met derde landen; Overwegende dat het bestaan van niet-geharmoniseerde toepassingsbepalingen in de Lidstaten zou kunnen leiden tot concurrentievervalsing binnen de Gemeenschap; Overwegende dat de Overeenkomst betrekking heeft op levende of dode dieren en planten en gemakkelijk herkenbare delen van of produkten verkregen uit deze dieren en planten; dat het voor een doeltreffende toepassing van de Overeenkomst noodzakelijk is een gemeenschappelijke lijst vast te stellen van de belangrijkste delen en produkten en de voorwaarden waaronder andere goederen onder de werkingssfeer van deze verordening vallen; Overwegende dat het wenselijk is dat de Gemeenschap, gezien de huidige bescherming van bepaalde soorten, verdergaande beschermende maatregelen neemt dan die waarin de Overeenkomst voorziet; (...) Overwegende dat de doeleinden van de Overeenkomst overeenstemmen met bepaalde doelstellingen van de Gemeenschap op milieugebied, zoals deze zijn neergelegd in de actieprogramma's inzake het milieu; dat de voorschriften van de Overeenkomst in de Gemeenschap op uniforme wijze moeten worden toegepast; (...)" De Gemeenschap stelde zich hiermee strenger op dan de CITES-Overeenkomst
(17). De oude CITES-Verordening heeft de indeling in categorieën van soorten verder uitgewerkt en deelt de beschermde soorten in vier categorieën in, te vinden in haar bijlagen A, B, C en D, waarbij de sterkst beschermde soorten in bijlage A zijn opgenomen en de relatief minst beschermde soorten in bijlage D. c) De nieuwe CITES-Verordening. 15. De oude CITES-Verordening werd vervangen door de thans van kracht zijnde Verordening 338/97 van de Raad van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer
(18). De preambule van deze CITES-Verordening vermeldt de redenen voor deze vervanging: "
(2)Overwegende dat het van belang is Verordening (EEG) nr. 3626/82 te vervangen om in het wild levende dier- en plantensoorten die door de handel worden of kunnen worden bedreigd, beter te beschermen door een verordening waarin rekening wordt gehouden met de wetenschappelijke kennis die sinds de aanneming is opgedaan en met de huidige structuur van het handelsverkeer; dat voorts de opheffing van de controles aan de binnengrenzen ingevolge de interne markt noopt tot de aanneming van strengere controlemaatregelen voor de handel aan de buitengrenzen van de Gemeenschap en daartoe een controle van de documenten en goederen door het grensdouanekantoor van binnenkomst voor te schrijven; (...)
(4)Overwegende dat het van belang is objectieve criteria vast te stellen voor het opnemen van in het wild levende dier- en plantensoorten in de bijlagen bij deze verordening;
(5)(...) dat het van belang is specifieke bepalingen vast te stellen voor de doorvoer van specimens door de Gemeenschap; (...)
(8)Overwegende dat er ten behoeve van een doeltreffende bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten aanvullende beperkingen kunnen worden opgelegd voor het binnenbrengen van specimens in de Gemeenschap en de uitvoer uit de Gemeenschap; dat deze beperkingen voor levende specimens op communautair niveau kunnen worden aangevuld met beperkingen voor het houden en het vervoer binnen de Gemeenschap; (...)
(10)Overwegende dat het ten behoeve van een volledigere bescherming van de onder deze verordening vallende soorten noodzakelijk is bepalingen vast te stellen voor de controle in de Gemeenschap op de handel en het vervoer van de soorten, alsmede op de manier waarop deze worden ondergebracht; (...)" Ook deze CITES-Verordening bevat een strenger beschermingsregime dan de CITES-Overeenkomst
(19). 16. Overeenkomstig artikel 1 van de CITES-Verordening is de verordening van toepassing met inachtneming van de doelstellingen, beginselen en bepalingen van de CITES-Overeenkomst. Het toepassingsgebied van de CITES-Verordening is echter ruimer dan dat van de CITES-Overeenkomst. Het omvat namelijk alle soorten die bescherming genieten onder de CITES-Overeenkomst, maar strekt zich daarnaast ook nog uit tot andere soorten. De CITES-Verordening hanteert ook een ruimere definitie van het begrip "handel" dan de CITES-Overeenkomst:
(20)- De CITES-Overeenkomst definieert "handel" als "de uitvoer, de wederuitvoer, de invoer en het inbrengen van uit de zee voortkomende dieren en planten." De aanvoer van uit de zee voortkomende planten en dieren heeft daarbij betrekking op "het tot binnen de grenzen van een Staat vervoeren van specimens van soorten die zijn gehaald uit zeegebied dat niet tot het rechtsgebied van een Staat behoort (artikel I,
  1. c)en e), CITES-Overeenkomst). De handel is bijgevolg gefocust op in- en uitvoer en uitsluitend internationaal van aard. - Overeenkomstig artikel 2, u), CITES-Verordening is handel "het binnenbrengen in de Gemeenschap met inbegrip van de aanvoer vanuit zee, de uitvoer en wederuitvoer vanuit de Gemeenschap en het gebruik, het vervoer en de overdracht van eigendom, in de Gemeenschap of in een Lidstaat, van specimens waarop de bepalingen van deze verordening van toepassing zijn." Aanvoer uit de zee heeft daarbij betrekking op "het rechtstreeks binnenbrengen in de Gemeenschap van een specimen dat is onttrokken aan het mariene milieu dat niet tot het rechtsgebied van enige staat behoort, met inbegrip van het luchtruim boven de zee en de zeebodem en ondergrond daaronder." 17. De bescherming van de CITES-soorten heeft betrekking op elk "specimen" van een soort. Ook de definitie van het begrip "specimen" is ruimer in de CITES-Verordening dan in de CITES-Overeenkomst. De CITES-Overeenkomst omschrijft een "specimen" in artikel I,
  2. b)als: - Elk dier of elke plant, levend of dood; - In geval van een dier: ten aanzien van de in Bijlagen I en II opgenomen soorten, elk gemakkelijk herkenbaar deel van een dier of elk daaruit verkregen product, dat in deze Bijlage is genoemd; - In geval van een plant: ten aanzien van de in bijlage I opgenomen soorten, elk gemakkelijk herkenbaar deel van de plant of elk daaruit verkregen product en ten aanzien van de in Bijlagen II en III opgenomen soorten, elk gemakkelijk herkenbaar deel van de plant of elk daaruit verkregen product dat in deze Bijlage is genoemd. De CITES-Verordening definieert "specimen" als elk dier of elke plant, dood of levend, van de in bijlagen A tot en met D opgenoemde soorten, elk deel daarvan en elk daarvan verkregen product, al dan niet in andere goederen vervat, alsmede alle goederen waarvan op grond van een bewijsstuk, verpakking, merkteken of etiket of enige andere omstandigheid moet worden aangenomen dat het gaat om delen of produkten van tot deze soorten behorende dieren of planten, tenzij deze delen of produkten door middel van een aanduiding in die zin in de bijlagen waarin de betrokken soorten genoemd worden, expliciet van het toepassingsgebied van deze verordening of van de bepalingen met betrekking tot de betrokken bijlage zijn uitgesloten. Een specimen wordt beschouwd als een specimen behorend tot één van de in de bijlagen A tot en met D genoemde soorten indien het een dier of een plant is, dan wel een deel of een afgeleid produkt van een dier of een plant, waarvan ten minste één "ouder" tot een dergelijke soort behoort. Wanneer de "ouders" van een dergelijk dier of een dergelijke plant behoren tot soorten die in verschillende bijlagen worden genoemd, of tot soorten waarvan er slechts één in een bijlage wordt genoemd, zijn de bepalingen van de meest restrictieve bijlage van toepassing. Voor specimens van hybride planten waarvan slechts een "ouder" behoort tot een in bijlage A genoemde soort, zijn de bepalingen van de meest restrictieve bijlage evenwel slechts van toepassing indien zulks met betrekking tot deze soort in de bijlage is vermeld. 18. De basisregeling, vervat in de CITES-Verordening, werd op gedetailleerde wijze nader uitgewerkt in een aantal uitvoeringsverordeningen, waaronder de Verordening (EG) nr. 865/2006 van de Commissie van 4 mei 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van Verorde- ning (EG) nr. 338/97 van de Raad inzake de in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer
(21). De Uitvoeringsverordening omschrijft in "Bijlage VII. Codes ter omschrijving van de specimens en eenheden die overeenkomstig artikel 5, punten 1 en 2, in de vergunningen en certificaten moeten worden gebruikt" de begrippen "stammen", "verzaagd hout", "hout" en "fineerbladen" als volgt: - Stammen: alle soorten onbewerkt hout, al dan niet ontdaan van schors en/of bast, eventueel vierkant bezaagd, met name bestemd om tot planken, houtpulp of bladen fineer te worden verwerkt. - Verzaagd hout: hout dat gewoon in de lengterichting is verzaagd of tot profielhout is verwerkt; meestal meer dan 6 mm dik. - Hout: onbewerkt hout in een andere vorm dan stammen of verzaagd hout. - Fineerbladen (geschild fineer of gesneden fineer): hout in dunne platen of bladen van uniforme dikte (gewoonlijk niet meer dan 6 mm), meestal verkregen door schillen (geschild fineer) of snijden (gesneden fineer), bestemd voor de fabricage van triplex/multiplex, gefineerde meubels en dozen, enz. 19. Uit de verschillende wijzigingen aan de bijlagen van de CITES-Verordening blijkt dat deze wijzigingen worden aangebracht naar aanleiding van een vergadering van de Conferentie der Partijen bij de CITES-Overeenkomst, waarin beslist werd om wijzigingen aan de bijlagen van de CITES-Overeenkomst aan te brengen. Door de wijziging van de CITES-Verordening wordt deze verordening in overeenstemming gebracht met de wijzigingen die werden aangebracht aan de CITES-Overeenkomst. Zo bijvoorbeeld: - Vo. (EG) nr. 2307/97 van de Commissie van 18 november 1997, waar in de preambule onder meer het volgende wordt bepaald: "Overwegende dat er tijdens de tiende vergadering van de conferentie der partijen bij de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten, die van 9 tot 20 juni 1997 in Harare heeft plaatsgevonden, wijzigingen zijn aangebracht in de bijlagen I en II van de Overeenkomst; dat er wijzigingen zijn aangebracht in bijlage III van de Overeenkomst; dat het derhalve noodzakelijk is om de bijlagen A, B, C en D van Verordening (EG) nr. 338/97 aan te passen om bedoelde wijzigingen op te nemen; (...)" - Vo. (EU) 2017/160 van de Commissie van 20 januari 2017, waar in de preambule onder meer het volgende wordt bepaald: "
(2)Op de 17e vergadering van de Conferentie van de Partijen bij de overeenkomst te Johannesburg, Zuid-Afrika, van 24 september tot en met 4 oktober 2016 (CoP 17), werden enkele wijzigingen aangebracht in de bijlagen bij de overeenkomst. Deze wijzigingen moeten worden weerspiegeld in de bijlagen bij Verordening (EG) nr. 338/97. (...)" 20. Er is weinig rechtspraak in verband met de toepassing van de CITES-Verordening. Vermeldenswaard is onder meer het arrest van 29 november 1990
(22), waarin het Hof van Justitie zich diende uit te spreken over de interpretatie van artikel 10, lid 1,
  1. b)van de oude CITES-Verordening, met name over de voorwaarden waaronder een lidstaat een invoervergunning mocht verlenen voor soorten die opgesomd zijn in bijlage C2 van de oude CITES-Verordening. Het Hof van Justitie oordeelde dat de enige twee voorwaarden die vervuld dienden te zijn voor het uitreiken van invoervergunningen, opgesomd staan in artikel 10, lid 1,
  2. b)van de oude CITES-Verordening. Het feit dat een nationale autoriteit een gunstig wetenschappelijk advies had verleend, speelt geen rol voor de toepassing van de oude CITES-verordening. Deze voorwaarde was enkel in de CITES-Overeenkomst zelf terug te vinden. Uit het verslag van de terechtzitting in deze zaak blijkt dat de Commissie - wiens standpunt het Hof van Justitie heeft gevolgd - zich in haar argumentatie betreffende de schending van artikel 10, lid 1,
  3. b)van de oude CITES-Verordening onder meer steunde op een aanbeveling in een resolutie van de Conferentie der Partijen bij de CITES-Overeenkomst. In zijn arrest van 23 oktober 2003
(23)overwoog het Hof van Justitie onder meer het volgende over het verband tussen de CITES-Overeenkomst en de CITES-verordening: "
  1. Er zij aan herinnerd dat verordening nr. 338/97 volgens artikel 1, tweede alinea, ervan van toepassing is met inachtneming van de doelstellingen, beginselen en bepalingen van de CITES-overeenkomst. Hoewel de Gemeenschap geen partij is bij deze overeenkomst, kan het Hof deze doelstellingen, beginselen en bepalingen niet buiten beschouwing laten, aangezien zij in aanmerking dienen te worden genomen voor de uitlegging van de bepalingen van deze verordening (zie arrest van 23 oktober 2001, Tridon, C-510/99, Jurispr. Blz. I-7777, punt 25)." B) Onderzoek van het eerste onderdeel van het middel.
  2. Het onderdeel betreft de telastlegging A en voert aan dat het arrest de verweerders ten onrechte heeft ontslagen van rechtsvervolging op grond van het oordeel dat, op het moment van de feiten van die telastlegging, inbreuken op artikel 4.2 van de CITES-Verordening (EG) nog niet strafbaar werden gesteld door een rechtsgeldige wetsbepaling. Eiser in cassatie houdt voor dat die feiten evenwel strafbaar waren op grond van artikel 5 CITES-wet, als rechtstreekse inbreuk op de CITES-Overeenkomst zelf, en niet als inbreuk op artikel 4.2 CITES-Verordening, zodat de appelrechters dit ambtshalve hadden moeten nagaan en de feiten hadden moeten heromschrijven.
  3. In correctionele of politiezaken maakt de door een onderzoeksgerecht gewezen beschikking tot verwijzing of de dagvaarding om voor het vonnisgerecht te verschijnen, niet de daarin vermelde kwalificatie en omschrijving bij de vonnisgerechten aanhangig, maar de feiten zoals ze blijken uit de stukken van het onderzoek of het opsporingsonderzoek en die aan de verwijzingsbeschikking of de dagvaarding ten grondslag liggen. De strafrechter moet aan het strafbare feit de juiste kwalificatie en omschrijving geven en mag daartoe de vermeldingen van de telastlegging aanpassen, verbeteren of vervangen, mits hij daarbij bij het gepleegde feit blijft, zoals het bepaald of bedoeld is in de akte die de zaak bij hem aanhangig maakt
(24). Bij afwezigheid van een conclusie tot heromschrijving van het aanhangig gemaakte feit
(25)dient de rechter niet uitdrukkelijk aan te geven dat hij onderzoek naar de eventuele herkwalificatie van dat feit heeft verricht. Uit de vrijspraak van het onder een bepaalde kwalificatie aanhangig gemaakte feit volgt immers dat de rechter alle mogelijke heromschrijvingen in overweging heeft genomen en van oordeel is dat het feit niet aan een andere kwalificatie beantwoordt
(26). In zoverre dit onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting faalt het derhalve naar recht. 23. De verweerders worden onder de telastlegging A vervolgd wegens het illegaal te hebben binnengebracht van 290 bundels Afrormosiahout (Pericopsis Elata (II)) van Kameroen naar België. De strafbaarstelling van de "inbreng" van specimen van bijlage B van de CITES-verordening (telastlegging A) is een federale bevoegdheid
(27). Artikel 5 van de CITES-wet van 28 juli 1981zoals toepasselijk op het ogenblik van de feiten bepaalt: "Met een gevangenisstraf van zes maand tot vijf jaar en met een boete van 26 tot 50.000 euro, of met een van die straffen alleen wordt diegene gestraft die, in overtreding van de Overeenkomst of van de ter uitvoering hiervan genomen maatregelen , specimens invoert, uitvoert, doorvoert, wederuitvoert of vanuit de zee inbrengt, die voorkomen op de bijlagen I, II, III van genoemde Overeenkomst, evenals degene die artikel 4 overtreedt. De bepalingen van hoofdstuk VII en van artikel 85 van het Strafwetboek zijn toepasselijk op de door onderhavig artikel voorgeschreven overtredingen." Bij artikel 25 van de wet van 27 december 2012 houdende diverse bepalingen inzake dierenwelzijn, CITES, dierengezondheid en bescherming van de gezondheid van de gebruikers
(28), in werking getreden op 10 januari 2013, werden de woorden "of van de Europese verordeningen en beschikkingen/besluiten ter zake" ingevoerd tussen de woorden ‘genomen maatregelen' en de woorden ‘ specimens invoert'. Derhalve was vóór 10 januari 2013
(29)het ‘ binnenbrengen' van specimen van bijlage B van de CITES-Verordening (EG) 338/97 van 9 december 1996 - die zelf geen strafsancties bepaalt maar dit overeenkomstig artikel 16 van de Verordening overlaat aan de Lidstaten - bijgevolg niet strafbaar in België. Er dient alsdan te worden nagegaan of de verweerders op grond van een ander wetsartikel strafrechtelijk gesanctioneerd kunnen worden.
  1. De CITES-wet van 28 juli 1981 zet de CITES-overeenkomst van 3 maart 1973 om in de nationale wetgeving. Deze wet is verschenen in het Belgisch Staatsblad van 30 december 1983 en is in werking getreden op 10 januari
  2. Artikel IV van de CITES-overeenkomst van 3 maart 1973 reglementeert de handel in specimens van in Bijlage II opgenomen soorten. Artikel IV, punt 4 van de CITES-overeenkomst bepaalt: "Voor het invoeren van een specimen van een in bijlage II opgenomen soort is de voorafgaande overlegging vereist van hetzij een uitvoervergunning hetzij een certificaat van wederuitvoer." Op het ogenblik van de inwerkingtreding van de CITES-wet van 28 juli 1981 was Percicopsis Elata (Afrormosia of Assamela) nog niet opgenomen in deze bijlage II van de CITES-overeenkomst van 3 maart
  3. Overeenkomstig artikel XI.3 van de CITES-overeenkomst van 3 maart 1973 kunnen de Partijen bij deze CITES-overeenkomst tijdens (buiten)gewone vergaderingen van de Conferentie, overeenkomstig artikel XV, voorstellen tot wijziging van Bijlage I of Bijlage II overwegen en aanvaarden. Dergelijke wijziging werd voorgesteld en aanvaard tijdens de Conferentie van 11 juni 1992: dan werd beslist om ook Percicopsis Elata op te nemen in Bijlage II van de CITES-overeenkomst.
  4. De vraag stelt zich evenwel of deze wijziging aan Bijlage II van de CITES-Overeenkomst bindend is in België. Artikel 1 van de CITES-wet van 28 juli 1981 bepaalt: "De Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantesoorten en de Bijlagen, opgemaakt te Washington op 3 maart 1973 alsmede de Wijziging van de Overeenkomst, aangenomen te Bonn op 22 juni 1979, zullen volkomen uitwerking hebben." Artikel 2 van de CITES-wet bepaalt verder: "De Koning neemt de maatregelen die vereist zijn voor de uitvoering van de Overeenkomst en haar Bijlagen alsmede van de wijzigingen aangebracht aan de Bijlagen." In de memorie van toelichting wordt over de voormelde artikelen 1 en 2 het volgende geschreven:
(30)"Artikel 1 Artikel 1 maakt de beschikkingen van de Overeenkomst toepasselijk en keurt de inhoud van de bijlagen goed, zoals zij opeenvolgend werden gewijzigd tijdens de zittingen van de conferentie der Verdragsluitende partijen. Artikel 2 Dit artikel geeft aan de Koning de macht om alle maatregelen te nemen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de Overeenkomst, met inbegrip van deze die vereist zijn voor het toepasselijk maken in België van de wijzigingen die aan de bijlagen worden aangebracht, ofwel tijdens een zitting van de conferentie der Verdragsluitende partijen, ofwel in de tijdspanne tussen de zittingen, door de procedure van schriftelijke stemming, in uitvoering van de artikelen XI en XVI van de Overeenkomst. (...)" Het Koninklijk Besluit van 9 april 2003
(31)waarnaar in beide telastleggingen wordt verwezen, met name naar artikel 20, bepaalt daarover evenwel niets. Evenmin blijkt er een ander Koninklijk Besluit te bestaan waarin deze wijzigingen aan Bijlage II toepasselijk worden gemaakt in België. Bijgevolg is enkel de inhoud van Bijlage II, zoals deze gold op het ogenblik van de goedkeuring van de CITES-Overeenkomst bij CITES-wet van 28 juli 1981, van toepassing is in België
(32). Latere wijzigingen hieraan binden België, bij gebrek aan een Koninklijk Besluit daarover, niet.
  1. Concluderend kan aldus gesteld worden dat Pericopsis Elata met ingang van 11 juni 1992 in Bijlage II van de CITES-Overeenkomst werd opgenomen. De Koning heeft geen maatregelen genomen om deze wijziging aan Bijlage II bindend te maken in België. Enkel de bepalingen van de CITES-Overeenkomst en de inhoud van de bijlagen, zoals deze gelden op het ogenblik van de goedkeuring van de CITES-Overeenkomst door België door middel van de CITES-wet, zijn bijgevolg van toepassing in België. Derhalve is het feit onder de telastlegging A niet strafbaar op grond van artikel 5 CITES-wet. De appelrechters dienden dan ook de feiten onder de telastlegging A niet te herkwalificeren. Het eerste onderdeel, overeenkomstig hetwelk de feiten van telastlegging A wel degelijk strafbaar waren op grond van artikel 5 CITES-wet als rechtstreekse inbreuk op de CITES-Overeenkomst zelf, faalt m.i. derhalve naar recht. C) Onderzoek van het tweede onderdeel van het middel.
  2. Het tweede onderdeel betreft de telastlegging B en voert aan dat het arrest, op grond van de vaststelling dat Afrormosia-hout is opgenomen in bijlage B van de CITES-Verordening met een annotatie #5, terecht oordeelt dat er slechts sprake kan zijn van een strafrechtelijk beteugelde inbreuk op het onder de telastlegging B geviseerde artikel 8.5 CITES-Verordening voor wat betreft Afrormosia, voor zover het gaat om "stammen of blokken, planken en vellen fineer" van die houtsoort. Volgens de eiser interpreteert het arrest evenwel de annotatie #5 van de CITES-Verordening ten onrechte in die zin dat Afrormosia-hout van zogenaamde "tweede transformatie" buiten het toepassingsgebied van die verordening zou vallen. Volgens de eiser is de annotatie #5 duidelijk en behoeft ze geen interpretatie en is de vraag of het om hout van tweede transformatie gaat irrelevant in zoverre het gaat om "stammen of blokken, planken of vellen fineer". Volgens de eiser voegt het arrest door te oordelen dat eerst moet worden nagegaan of het gaat om een eerste of tweede transformatie hout in geval van planken, een bijkomende voorwaarde toe aan de annotatie #5 en geeft het hieraan een interpretatie die ermee niet verenigbaar is.
  3. Onder telastlegging B worden de verweerders vervolgd wegens een inbreuk op artikel 8.5 van Verordening 338/97 van de Raad van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer
(33), meerbepaald 290 bundels Afrormosia (Pericopsis Elata (II)), zijnde specimens van in bijlage B genoemde soorten, in bezit te hebben gehad met het oog op de verkoop, zonder dat ten genoegen van de bevoegde autoriteit is aangetoond dat die specimens verkregen werden en, indien ze niet uit de Gemeenschap afkomstig zijn, daarin werden binnengebracht overeenkomstig de geldende wetgeving inzake de instandhouding van de wilde fauna en flora. Artikel 8, punten 1 en 5, CITES-Verordening bepaalt het volgende: "Artikel 8 Bepalingen betreffende de controle op handelsactiviteiten
  1. De aankoop, het te koop vragen, de verwerving voor commerciële doeleinden, het tentoonstellen voor commerciële doeleinden, het gebruik met winstoogmerk en het verkopen, het in bezit hebben met het oog op verkoop, het ten verkoop aanbieden of het vervoeren met het oog op verkoop van specimens van de in bijlage A genoemde soorten, is verboden. (...)
  2. De in lid 1 genoemde verbodsbepalingen gelden ook voor specimens van de soorten genoemd in bijlage B, behalve indien ten genoegen van de bevoegde autoriteit van de betrokken Lidstaat is aangetoond dat die specimens verkregen werden en, indien zij niet uit de Gemeenschap afkomstig zijn, daarin werden binnengebracht overeenkomstig de geldende wetgeving inzake de instandhouding van de wilde fauna en flora." Pericopsis elata werd opgenomen in bijlage B van de CITES-Verordening, als volgt: "Pericopsis elata (II) #5" Onder de titel "Bijlage. Opmerkingen over de interpretatie van de bijlagen A, B, C en D" van de CITES-Verordening wordt onder meer het volgende bepaald: "Wanneer een soort in bijlage A, B of C is opgenomen, zijn ook alle delen en producten van die soort in dezelfde bijlage opgenomen, tenzij voor die soort door middel van een annotatie is aangegeven dat alleen specifieke delen en producten daarin zijn opgenomen. Overeenkomstig artikel 2, onder t) dient het teken "#", gevolgd door een cijfer, achter de naam van een in bijlage B of C opgenomen soort of hoger taxon om delen of producten te omschrijven die in dit verband ter fine van deze verordening zijn vermeld, als volgt: (...) #5 Ter omschrijving van stammen of blokken, planken en vellen fineer." De rechtsvraag die zich in casu stelt, is wat begrepen moet worden onder de begrippen "stammen of blokken, planken en vellen fineer" in de zin van voormelde bepaling.
  3. Gelet op alle reeds voornoemde elementen (de ontstaansgeschiedenis van de CITES-Verordening, de vermelde rechtspraak van het Hof van Justitie, het feit dat wijzigingen aan de bijlagen van de CITES-Overeenkomst vervolgens worden overgenomen in een verordening tot wijziging van de bijlagen bij de CITES-Verordening, artikel 1, lid 2 CITES-Verordening), dient m.i., voor een juist begrip van de begrippen "stammen of blokken, planken en vellen fineer", te worden teruggegrepen worden naar het standpunt van de Conferentie der Partijen hierover, zoals dit blijkt uit Resolutie 10.13, genomen tijdens de CoP 15 van 13-25 maart 2010
(34), en naar de omschrijving van deze begrippen in de uitvoerings- verordening
(35).
  1. Hoewel het op het eerste zicht lijkt alsof de omschrijving van deze begrippen in de Uit- voeringsverordening en in de CITES-Overeenkomst niet volledig overeenstemmen, blijkt dit wel degelijk het geval te zijn indien de Nederlandstalige tekst van de CITES-Verordening en de Uitvoeringsverordening wordt vergeleken met de Franstalige en Engelstalige tekst ervan. De definitie van het begrip "stammen" in resolutie 10.13 en in de Uitvoeringsverordening lijkt inderdaad op verschillende manier te worden ingevuld. In resolutie 10.13 wordt onder "stammen" begrepen: alle soorten onbewerkt hout, al dan niet ontdaan van schors en/of bast of vierkant gezaagd, met name bestemd om tot verzaagd hout, houtpulp of bladen fineer te worden verwerkt. In de Uitvoeringsverordening wordt dit begrip als volgt omschreven: alle soorten onbewerkt hout, al dan niet ontdaan van schors en/of bast, eventueel vierkant bezaagd, met name bestemd om tot planken, houtpulp of bladen fineer te worden verwerkt. Het begrip "planken" wordt niet omschreven in de Uitvoeringsverordening. Het begrip "verzaagd hout" wordt daarentegen wel omschreven in de Uitvoeringsverordening, met name als hout dat gewoon in de lengterichting is verzaagd of tot profielhout is verwerkt, meestal meer dan 6 mm dik. Uit het gebruik van de term "planken" zou kunnen worden afgeleid dat de CITES-Verordening verder gaat dan de CITES-Overeenkomst.
  2. Dit blijkt evenwel niet het geval te zijn na vergelijking met de Franstalige (en Engelstalige) tekst van de CITES-Verordening en van de Uitvoeringsverordening. In bijlage VII van de Franse tekst van de Uitvoeringsverordening wordt immers het begrip "bois scié" gebruikt wordt bij de definitie van het begrip stammen, meerbepaald als volgt: "Grumes: Tous les bois bruts, même écorcés, désaubiérés ou équarris, destinés à être transformés, notamment en bois scié, bois, pulpe ou placages." Het begrip "bois scié" wordt dan verder in de Uitvoeringsverordening nader omschreven als "Les bois sciés sont des bois simplement sciés longitudinalement ou dédossés. Leur épaisseur dépasse normalement 6 mm. " Dit is exact dezelfde definitie als deze die gebruikt wordt in de CITES-Overeenkomst. Ook uit de vergelijking van de Nederlandstalige tekst van de CITES-Verordening met de Franstalige en Engelstalige tekst van de CITES-Verordening blijkt overigens dat met de term "planken" bij annotatie #5 "verzaagd hout" wordt bedoeld ("bois sciés" of "sawn wood").
  3. Zowel de Nederlandse, Franse als Engelse taal betreffen officiële talen van de Unie
(36). De verordeningen en andere stukken van algemene strekking moeten worden opgesteld in alle officiële talen
(37). In beginsel hebben alle authentieke taalversies dezelfde waarde, ongeacht welk deel van de bevolking van de lidstaten de taal in kwestie spreekt. De verschillende taalversies van een Uniebepaling dienen éénvormig te worden uitgelegd. Verschillen tussen de taalversies moeten, indien mogelijk, worden opgelost zonder aan een van de versies voorrang te geven. Als deze versies uiteenlopen, moet een bepaling worden uitgelegd met inachtneming van het algemene opzet en de doelstelling van de regeling waarvan zij een onderdeel vormt
(38). Aangezien in de Franstalige en Engelstalige versie hetzelfde woord wordt gebruikt in de omschrijving van het begrip "stammen" - met name "bois sciés" of "sawn wood" - als de omschrijving die in de Uitvoeringsverordening wordt gegeven van de begrippen "bois sciés" en "sawn wood"- wat in de Nederlandse tekst overeenstemt met "verzaagd hout"-, komt het mij derhalve voor dat de term "planken" in de CITES-Verordening en in de Uitvoeringsverordening een verkeerde woordkeuze betreft en dat hetzelfde bedoeld wordt als in de CITES-Overeenkomst, met name verzaagd hout. 33. De omschrijving van de begrippen "stammen of blokken, planken en vellen fineer" is m.i. duidelijk: - Stammen: alle soorten onbewerkt hout, al dan niet ontdaan van schors en/of bast of vierkant gezaagd, met name bestemd om tot verzaagd hout (planken), houtpulp of bladen fineer te worden verwerkt. - Verzaagd hout: hout dat gewoon in de lengterichting is verzaagd of tot profielhout is verwerkt. Meestal meer dan 6 mm dik. - Fineerbladen: hout in dunne platen of bladen van uniforme dikte (gewoonlijk niet meer dan 6 mm), verkregen door schillen (geschild fineer) of snijden (gesneden fineer), bestemd voor de fabricage van triplex/multiplex, meubels en dozen, enz. Ook het begrip "hout" wordt omschreven in de Uitvoeringsverordening als "Onbewerkt hout in een andere vorm dan stammen of verzaagd hout". Uit deze omschrijvingen blijkt m.i. dat het inderdaad gaat om hout van "eerste transformatie", doch bij gebrek aan duidelijke omschrijving van wat onder "hout van eerste transformatie" dan wel "hout van tweede transformatie" dient te worden verstaan, en teneinde verwarring te vermijden, lijkt het mij niet nodig om te spreken over hout van eerste of tweede transformatie. De omschrijving van voormelde begrippen is voldoende duidelijk. Als uitzondering op de regel dat, wanneer een soort in bijlage A, B of C is opgenomen, ook alle delen en producten van die soort in dezelfde bijlage zijn opgenomen, tenzij voor die soort door middel van een annotatie is aangegeven dat alleen specifieke delen en producten daarin zijn opgenomen, dient deze uitzondering bovendien strikt te worden geïnterpreteerd, in die zin dat enkel de in de annotatie #5 uitdrukkelijk opgenomen specimens hierin zijn vervat, met uitsluiting van de niet-vermelde specimens
(39). 34. Blijkbaar hebben de appelrechters niet nagegaan of het door verweerders ingevoerde Afrormosia-hout voldoet aan de omschrijving van de begrippen "stammen, verzaagd hout, of fineerbladen"
(40). Het arrest interpreteert #5 van de CITES-Verordening in die zin dat Afrormosia-hout van zogenaamde "tweede transformatie" buiten het toepassingsgebied van de CITES-Verordening valt. Het verduidelijkt evenwel niet wat onder dergelijk hout dient te worden begrepen. Door te oordelen dat er twijfel bestaat over de juiste kwalificatie van het in beslag genomen Afrormosia-hout als zijnde hout van eerste transformatie of hout van tweede transformatie en de verweerders op grond daarvan vrij te spreken voor de telastlegging B, zonder na te gaan of dat hout voldoet aan de vermelde omschrijving van de begrippen "stammen", "verzaagd hout" of "fineerbladen", verantwoordt het arrest de beslissing niet naar recht. In zoverre komt het tweede onderdeel mij dan ook gegrond voor. Voor het overige werden de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht genomen en is de beslissing overeenkomstig de wet gewezen. III. CONCLUSIE. - Vernietiging met verwijzing van het arrest in zoverre het de verweerders vrijspreekt van de telastlegging B; - Verwerping van het cassatieberoep voor het overige. ____________________________
(1)Overeenkomst van 3 maart 1973 inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten, B.S. 30 december 1983 (hierna: CITES-Overeenkomst). Zie hierover onder meer: C.M. BILLIET, "Sierra Leone - Beijing met gedroogde zeepaardjes: vijftien maanden cel", noot onder Corr. Brussel 8 juni 2017, TMR. 2017, afl. 5, 546-555; S. GEYSKENS, "De rechtspraak van het Hof van Justitie met betrekking tot het natuurbehoudsrecht", MER. 2000, 229-242; G. VAN HOORICK, Internationaal en Europees natuurbehoudsrecht, Antwerpen-Groningen, Intersentia, 1997, 107-124 en 246-257.
(2)BS 6 juni 2003. Dit KB werd meermaals gewijzigd.
(3)https://www.cites.org/fra/disc/cop.php, CoP 8, Kyoto, 2-15 maart 1992, goedgekeurde amendementen aan de bijlage I en II.
(4)Volgens sommige auteurs is dat meteen ook het grote zwakke punt van de CITES-Overeenkomst: zie G. Van Hoorick, Internationaal en Europees natuurbehoudsrecht, Intersentia, Antwerpen - Groningen, 1997, 113.
(5)https://www.cites.org/fra/disc/org.php, Structuur van de CITES.
(6)https://www.cites.org/fra/disc/ac_pc.php, Permanent Comité.
(7)https://www.cites.org/fra/disc/sc.php, Comité voor Dieren en Comité voor Planten.
(8)https://cites.org/sites/default/files/document/F-Res-10-13-R15.pdf.
(9)Het valt op dat deze definities overeenkomen met de definitie van deze begrippen in Verordening (EG) 865/2006 van de Commissie van 4 mei 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (hierna: Uitvoeringsverordening), bijlage VII. Zie infra, randnummers 14 en 18.
(10)https://www.cites.org/sites/default/files/fra/dec/valid16/F16-Dec.pdf.
(11)https://www.cites.org/sites/default/files/fra/com/pc/22/F-PC22-06-01.pdf.
(12)https://www.cites.org, Documents, Conférence des Parties, Documents, Ordre du jour et documents de travail de la dix-huitième session de la Conférence des Parties, agendapunt 50: "Amendements proposés à la Résolution Conf. 10.13 (Rev. CoP15), Application de la Convention aux essences produisant du bois."
(13)https://cites.org/sites/default/files/eng/cop/17/WorkingDocs/E-CoP17-83-02.pdf.
(14)Pb.L 384 van 31 december 1982, hierna de oude CITES-Verordening.
(15)S. GEYSKENS, "De rechtspraak van het Hof van Justitie met betrekking tot het natuurbehoudsrecht", MER. 2000, 231; G. VAN HOORICK, Internationaal en Europees natuurbehoudsrecht, Intersentia, Antwerpen - Groningen, 1997, 247.
(16)Pb.L 384 van 31 december 1982, hierna de oude CITES-Verordening.
(17)Zie ook: S. GEYSKENS, "De rechtspraak van het Hof van Justitie met betrekking tot het natuurbehoudsrecht", MER 2000, 231-232; G. VAN HOORICK, Internationaal en Europees natuurbehoudsrecht, Intersentia, Antwerpen - Groningen, 1997, 248, nr. 511.
(18)Pb.L. 61 van 3 maart 1997.
(19)C.M. BILLIET, "Sierra Leone - Beijing met gedroogde zeepaardjes: vijftien maanden cel" (noot onder Corr. Brussel 8 juni 2017), TMR. 2017, afl .5,
(546)548; G. VAN HOORICK, Internationaal en Europees natuurbehoudsrecht, Intersentia, Antwerpen - Groningen, 1997, 251, nr. 517.
(20)C.M. BILLIET, "Sierra Leone - Beijing met gedroogde zeepaardjes: vijftien maanden cel" (noot onder Corr. Brussel 8 juni 2017), TMR 2017, afl. 5,
(546)548.
(21)Pb.L. nr. 166 van 19 juni 2006, hierna: Uitvoeringsverordening. Ze werd herhaaldelijk gewijzigd.
(22)HvJ 29 november 1990, nr. C-182/89, Jur. HvJ 1990, I; 4337. Zie voor een bespreking hiervan: S. GEYSKENS, "De rechtspraak van het Hof van Justitie met betrekking tot het natuurbehoudsrecht", MER. 2000, 232-233.
(23)HvJ 23 oktober 2003, nr. C-154/02; Zie ook: HvJ 23 oktober 2001, nr. C-510/99.
(24)Zie onder meer: Cass. 9 juni 2009,AR P.09.0201.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090609.7, AC 2009, nr. 387.
(25)Het OM had zelf een nota neergelegd waarin werd verwezen naar de verordening (ro 3, p. 11-12 arrest).
(26)Cass. 3 oktober 2017, AR P.16.0997.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171003.4, AC 2017, nr. 520.
(27)Grondwettelijk Hof 29 oktober 2003, nr. 139/2003; Cass. 25 oktober 2016, P.15.0593.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161025.5 (randnummers 9 e.v.).
(28)BS 31 december 2012.
(29)De telastlegging A betreft feiten die zich zouden hebben voorgedaan in een periode gaande van 16 december 2011 tot en met 16 december 2012.
(30)Parl.St. Senaat, 1980-81, 598/1, Memorie van Toelichting, 4-5.
(31)BS 6 juni 2003.
(32)P. GEERKENS, "CITES: de vergeten fantoombevoegdheid?", noot onder Antwerpen, 28 september 2011, TMR. 2012/5,
(559)560, nr. 14.
(33)Pb.L. 61 van 3 maart 1997, hierna: CITES-Verordening.
(34)Zie supra nr. 10.
(35)Zie supra nr. 18.
(36)Artikel 1 Verordening nr. 1 tot regeling van het taalgebruik in de Europese Economische Gemeenschap Pb. 6 oktober 1958, 385, gewijzigd bij elke toetreding van nieuwe lidstaten.
(37)Artikel 4 van de voormelde verordening.
(38)K. LENAERTS en P. VAN NUFFEL, Europees recht, Intersentia, Antwerpen - Cambridge, 2017, 403.
(39)Zie daaromtrent ook het document "CoP 17 Doc. 83.2", punten 13 en 14.
(40)Hierbij kan ook worden verwezen naar de conclusie van 15 maart 2017 van tweede verweerder (p. 19) die, ten onrechte, stelt: "Voor zover concluant bekend is, worden deze begrippen evenwel niet verder verduidelijkt (niet in wettelijke bepalingen, noch in verdere richtlijnen van de CITES-diensten). Deze begrippen die strikt geïnterpreteerd dienen te worden, moeten derhalve ongetwijfeld uitgelegd worden overeenkomstig hetgeen in de import- en houthandel gebruikelijk is." PDF document ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190521.2 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190521.2 citeert: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090609.7 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161025.5 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171003.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.