id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 24 mei 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190524.2 Rolnummer: F.17.0007.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2019-06-26 Raadplegingen: 185 - laatst gezien 2026-06-28 06:24 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190524.2 Fiche Noch uit de tekst van artikel 442quater, §5, WIB92,noch uit de ratio legis ervan kan worden afgeleid dat de ontvanger, die vaststelt dat de bedrijfsvoorheffing niet wordt doorgestort en dat hiervoor na de vereiste kennisgeving geen verantwoording wordt gegeven, de kennisgeving moet herhalen om een ontvankelijke vordering tot betaling van later verschuldigd geworden bedrijfsvoorheffing te kunnen inleiden
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - VOORHEFFINGEN EN BELASTINGKREDIET - Bedrijfsvoorheffing Vrije woorden: Niet-betaling - Aansprakelijkheid van de bestuurder - Rechtsvordering - Voorafgaande kennisgeving door de ontvanger - Later verschuldigd geworden bedrijfsvoorheffing - Herhaling kennisgeving - Vereiste Wettelijke bepalingen: Wetboek van Inkomstenbelastingen - 12-06-1992 - Art. 442quater, § 5 - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Tekst van de conclusie F.17.0007.N Conclusie van advocaat-generaal J. Van der Fraenen:
- Situering Uit de vaststellingen van het bestreden arrest blijkt dat eiser afgevaardigd bestuurder was van de NV Tec Servicegroup, de NV Gacssolutions, de NV Ecs Technics et de NV De Bie-Veba. Deze vier vennootschappen, die deel uitmaakten van dezelfde vennootschapsgroep en actief waren in de sector van de zonnepanelen en klimaatregeling, werden in de loop van 2012 en 2013 failliet verklaard. Verweerders gingen op 8 mei 2013, hetzij na hun faillissement, over tot dagvaarding van eiser en vorderden zijn veroordeling op grond van artikel 442quater WIB92 als hoofdelijk aansprakelijke van de achterstallige bedrijfsvoorheffing en toebehoren van de vier vennootschappen. (...)
- Bespreking van het eerste middel 2.
- In het eerste middel voert eiser aan dat het bestreden arrest artikel 442quater, §§1, 4 en 5 WIB92, zoals van toepassing in het Vlaamse Gewest, schendt, door te beslissen dat de fiscus de kennisgeving niet moest herhalen voor de later verschuldigd geworden bedrijfsvoorheffingen om een ontvankelijke vordering tot betaling van die later verschuldigde bedrijfsvoorheffingen te kunnen inleiden en zodoende oordeelt dat een eenmalige kennisgeving volstaat voor de ontvankelijkheid van de rechtsvordering strekkende tot het doen vaststellen van de hoofdelijke aansprakelijkheid van de bestuurder voor alle schulden, in hoofdsom en interesten, inzake de bedrijfsvoorheffing van de vennootschap. Volgens eiser moet elke vordering tot het doen vaststellen van de hoofdelijke gehoudenheid van de bestuurder tot betaling van een welbepaalde schuld van de vennootschap inzake de bedrijfsvoorheffing, noodzakelijk zijn voorafgegaan door een kennisgeving die op de bewuste schuld betrekking heeft. 2.
- Artikel 442quater, §1, eerste lid, WIB92 bepaalt dat, ingeval van tekortkoming, door een vennootschap of door een rechtspersoon bedoeld in artikel 17, §3, van de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen, aan haar verplichting tot het betalen van de bedrijfsvoorheffing, de bestuurder of bestuurders van de vennootschap of van de rechtspersoon die belast zijn met de dagelijkse leiding van de vennootschap of van de rechtspersoon hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de tekortkoming indien die te wijten is aan een fout in de zin van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, die ze hebben begaan bij het besturen van de vennootschap of de rechtspersoon. Krachtens artikel 442quater §5, eerste lid, WIB92 is de rechtsvordering tegen aansprakelijke bestuurders slechts ontvankelijk indien ze wordt ingesteld na het verstrijken van een termijn van één maand te rekenen vanaf een door de ontvanger bij een ter post aangetekende brief verzonden kennisgeving waarin de geadresseerde verzocht wordt de nodige maatregelen te nemen om te verhelpen aan de tekortkoming van de vennootschap aan haar verplichting tot het betalen van de bedrijfsvoorheffing of om aan te tonen dat die tekortkoming niet het gevolg is van een door hen begane fout. Uit de parlementaire voorbereiding (Parl. St., Kamer, DOC 51 nr. 2517/2, p. 6) blijkt dat de kennisgeving tot doel heeft de bestuurders in de mogelijkheid te stellen voorafgaandelijk in overleg te treden met de ontvanger en een gerechtelijke procedure te vermijden: "Die maatregel heeft tot doel een voorafgaandelijk overleg in te stellen tussen de bestuurders waarvan de aansprakelijkheid kan worden ingeroepen en de bevoegde ontvanger ten einde die bestuurders de mogelijkheid te geven de omstandigheden van het vastgestelde gebrek te verduidelijken, hetzij om aan te tonen dat het niet betalen te wijten is aan andere omstandigheden en dat zij geen fout hebben begaan, hetzij om erover te waken dat de vennootschap of de rechtspersoon het gebrek aan betaling oplost. Het is in dat kader dat, in voorkomend geval, een afbetalingsplan voor de fiscale schuld kan worden afgesloten. Deze preventieve maatregel is een verplichte voorafgaande voorwaarde tot het instellen van de in artikel 442quater van het wetboek van inkomstenbelastingen 1992 voorziene vordering tot aansprakelijkstelling." Het lijkt mij logisch dat de kennisgeving waarin de geadresseerde wordt verzocht maatregelen te nemen of verantwoording af te leggen inzake de niet betaalde bedrijfsvoorheffing, slechts melding kan maken van de bedrijfsvoorheffing die op het ogenblik van die kennisgeving reeds opeisbaar is. Wanneer, zoals in voorliggend geval, de bestuurder niet reageert, kan de op die kennisgeving volgende rechtsvordering die strekt tot het doen vaststellen van de hoofdelijke aansprakelijkheid van de bestuurder m.i. echter eveneens betrekking hebben op de later verschuldigd geworden bedrijfsvoorheffing. Anders zou dit ertoe leiden dat voor de bedrijfsvoorheffing die na de ingebrekestelling of tijdens de gerechtelijke procedure opeisbaar wordt, telkens een nieuwe aangetekende ingebrekestelling zou moeten worden gestuurd, gevolgd door een nieuwe dagvaarding. De wet voorziet dergelijke herhaalde kennisgeving bij elke bijkomende achterstal niet en dit lijkt vanuit proceseconomisch oogpunt ook niet te verantwoorden. Het komt mij dan ook voor dat de ontvanger, die vaststelt dat de bedrijfsvoorheffing niet wordt doorgestort en dat hiervoor na de vereiste kennisgeving geen verantwoording wordt gegeven, de kennisgeving bij aangetekende brief niet opnieuw moet herhalen om een ontvankelijke vordering tot betaling van later verschuldigd geworden bedrijfsvoorheffing te kunnen inleiden. Het middel faalt m.i. naar recht. (...)
- Besluit: VERWERPING PDF document ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190524.2 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190524.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div