id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 27 mei 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190527.3 Rolnummer: S.17.0008.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2019-06-19 Raadplegingen: 408 - laatst gezien 2026-06-29 06:36 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190527.3 Fiche Partijen mogen zich in de loop van het debat beroepen op welk stuk ook waarvan het gebruik rechtmatig is, zich daarover uitlaten, het al dan niet vertalen als het in een andere taal dan die van de rechtspleging is opgemaakt, onder voorbehoud van het recht van de tegenpartij om de gemaakte vertaling te betwisten, eventueel een officiële vertaling aan te vragen en onverminderd het recht van de rechter om ambtshalve de vertaling ervan te bevelen, mocht dat nodig zijn; hieruit volgt dat de rechter niet mag weigeren kennis te nemen van een door een van de partijen overgelegd stuk dat in een vreemde taal is gesteld, louter omdat er geen vertaling is gevoegd
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: TAALGEBRUIK - GERECHTSZAKEN (BUITEN WET 15 JUNI 1935) Vrije woorden: Stukken opgesteld in een andere taal dan die van de procedure - Stukken waar de rechter acht moet slaan - Door de rechter te nemen maatregelen - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet - 15-06-1935 - Art. 8 - 01 ELI link Pub nr 1935061501 Algemeen rechtsbeginsel Tekst van de conclusie S.17.0008.N Conclusie van advocaat-generaal Vanderlinden:
- Eiser tot cassatie komt op tegen een arrest van het Arbeidshof Antwerpen, afdeling Antwerpen, op 18 november
- Door eiser wordt er één middel aangevoerd.
- Wat betreft het middel. a. Probleemstelling. De kwestie die ter debat staat betreft het gebruik, in een gerechtelijke procedure, van stukken die opgesteld zijn in een andere taal. Tijdens de procedure die gevoerd werd tussen eiser en verweerder werd er door eiser, voor het arbeidshof, stukken in een vreemde taal bijgebracht. In casu betrof het, aanleiding van de door de arbeidsinspectie uitgevoerde controles, in het Engels afgenomen verklaringen van personen in verband met deze controle. De appelrechter oordeelde: "De [eiser] deed niet de moeite om ze te vertalen. Het [arbeidshof] vermag er geen kennis van te nemen". b. Beoordeling. In huidig geschil gaat het niet om het probleem dat aangekaart wordt in artikel 8 Taalwet gerechtszaken. Zijnde dat de partij tegen wie de stukken, die in een andere taal dan die van de rechtspleging zijn opgesteld, worden aangevoerd om de vertaling hiervan heeft verzocht en de rechter dit bevolen heeft. In casu was er geen sprake van een zulkdanig verzoek van de tegenpartij. De grieven van eiser richten zich tegen het oordeel van de appelrechter die stelt dat gezien er geen vertaling is bijgebracht hij niet vermag kennis te nemen van deze stukken. Het standpunt van de appelrechter kan gelet op Uw rechtspraak niet onderschreven worden. Uw Hof oordeelde reeds bij herhaling dat zo de rechter geconfronteerd wordt met stukken die opgesteld zijn in een andere taal dan die van de rechtspleging, en hij deze taal niet kent, hij het nodige moet doen om op een regelmatige wijze een vertaling ervan te krijgen
(1). De rechter schendt het recht van verdediging indien hij de regelmatig aan hem voorgelegde stukken weigert in aanmerking te nemen op de enkele grond dat die stukken zijn opgesteld in een andere taal dan die van de rechtspleging
(2). Zo nodig dient de rechter derhalve, ambtshalve, de vertaling te bevelen
(3). Het bevel van de rechter richt zich naar de partij die zich van die stukken wenst te bedienen en derhalve dan ook de meest gerede partij is. Zo deze partij geen gevolg geeft aan het rechterlijk bevel is het ook zij die de gevolgen hiervan dient te ondergaan. Deze stukken dienen op dat ogenblik uit de debatten te worden geweerd
(4). De rechter, die de stukken uit het debat verwijdert louter op grond dat de stukken zijn opgesteld in een andere taal dan die van de rechtspleging, schendt het recht van verdediging. Het middel is gegrond. 3. Conclusie: Cassatie. _______________________
(1)Cass. 13 maart 1992, AR F.1943.N, AC 1991-92, nr. 371. Cass. 10 mei 1988, AR 1950, AC 1987-88, nr. 565; Cass. 8 september 1988, AR 8323, AC 1988-89, nr. 14 en B. MAES en E. BREWAEYS, Het in staat stellen van de zaak - Overzicht rechtspraak 1993-1999, P&B, 2000, p. 100.
(2)Cass. 14 november 1997, AR C.96.0319.F ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971114.3, AC 1997, nr. 476; Cass. 13 maart 1992, AR F.1943.N, AC 1991-92, nr. 371. Cass. 10 mei 1988, AR 1950, AC 1987-88, nr. 565; Cass. 8 september 1988, AR 8323, AC 1988-89, nr. 14 en B. MAES en E. BREWAEYS, o.c., p. 100.
(3)Cass. 22 januari 2008, AR P.07.1415.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080122.5, AC 2008, nr. 47; Cass. 8 september 1988, AR 8323, AC 1988-89, nr. 14 en D. LINDEMANS, Eentalige Burgerlijke procesvoering: wat met anderstalige of meertalige proceshandelingen en anderstalige of meertalige stukken?, in De taal van het proces, Antwerpen, Larcier 2011, p. 31.
(4)D. LINDEMANS, o.c., p. 31. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190527.3 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190527.3 citeert: ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971114.3 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080122.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div