id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 27 mei 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190527.5 Rolnummer: S.18.0025.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2019-06-19 Raadplegingen: 453 - laatst gezien 2026-06-28 15:12 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190527.5 Fiche 1 Wanneer het feit dat de beëindiging van de arbeidsovereenkomst wegens dringende reden zou rechtvaardigen, bestaat in een voortdurende tekortkoming, bepaalt de werkgever het tijdstip vanaf wanneer die tekortkoming elke professionele samenwerking onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: ARBEIDSOVEREENKOMST - EINDE - Ontslag om dringende reden Vrije woorden: Voortdurende tekortkoming - Tijdstip Wettelijke bepalingen: Wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten - 03-07-1978 - Art. 35, eerste, tweede en derde lid - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Fiche 2 Ter beoordeling van de tijdigheid van het om een dringende reden gegeven ontslag, gaat de rechter in dergelijk geval na of het verweten feit nog bleef voortduren tot drie werkdagen voor het ontslag; wanneer de rechter oordeelt dat de door de werkgever aangevoerde voortdurende tekortkomingen van de werknemer een dringende reden vormen, is het ontslag op staande voet, gegeven binnen drie werkdagen na het ophouden van de in aanmerking genomen tekortkomingen, regelmatig, ook al had de werkgever, naar het oordeel van de rechter, die tekortkomingen reeds tevoren als dringende reden kunnen aanvoeren
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: ARBEIDSOVEREENKOMST - EINDE - Ontslag om dringende reden Vrije woorden: Voortdurende tekortkoming - Ogenblik vanaf hetwelk ontslag wordt gegeven Wettelijke bepalingen: Wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten - 03-07-1978 - Art. 35, eerste, tweede en derde lid - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Annotaties Publicaties: Rechtspraak Antwerpen Brussel Gent [RABG] - 2020, nr. 14, p. 1157-
- - VANDEN POEL, Isabelle; Noot'Ontslag om dringende reden: (enkele) valkuilen bij bepalen van de aanvang van de driedagentermijn' Tekst van de conclusie C.18.0025.N Conclusie van advocaat-generaal Vanderlinden:
- Eiseres tot cassatie komt op tegen een arrest van het Arbeidshof Brussel, op 23 november
- Door eiseres worden er drie middelen aangevoerd.
- Wat betreft het eerste middel. Tweede onderdeel. a. Probleemstelling. De problematiek die aan de orde is, betreft deze van de dringende reden die bestaat in een voortdurende tekortkoming. Meer in het bijzonder betreft het de vraag van het aanvangspunt van de driedagentermijn waarvan sprake in artikel 35, derde lid Arbeidsovereenkomstenwet. b. Beoordeling. Uw Hof heeft reeds bij herhaling geoordeeld dat, wanneer het feit dat de beëindiging van de arbeidsovereenkomst wegens dringende reden zou rechtvaardigen bestaat in een voortdurende tekortkoming, het de werkgever is die het tijdstip bepaalt vanaf wanneer die tekortkoming elke professionele samenwerking onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt
(1). Het is derhalve de mening van de werkgever die het ogenblik bepaalt
(2). Hetgeen de rechter, in het geval van een voortdurende tekortkoming, dient na te gaan is of deze fout nog bestond drie dagen vóór het ontslag. Zo de rechter bij deze controle vaststelt dat dit inderdaad het geval is dan is het ontslag om dringende reden regelmatig, ook al had de werkgever, naar het oordeel van de rechter, die tekortkomingen reeds tevoren als dringende reden kunnen aanvoeren
(3). De appelrechters stellen vast en oordelen dat: - de feiten die aan de verweerder worden verweten, een voortdurende tekortkoming zijn wat met zich meebrengt dat de tot ontslag bevoegde persoon of personen gedurende deze volledige periode kennis zouden kunnen nemen van de gewraakte feiten en van de omstandigheden die daaraan het karakter van een dringende reden kunnen geven; - het begrip ‘tot ontslag bevoegde persoon' in het leven van een onderneming een evolutief begrip is. Zeker in de context van ondernemingen die deel uitmaken van een internationale groep worden de bestuurders of zaakvoerders van ondernemingen regelmatig vervangen; - de eiseres voorhoudt dat elk van de zaakvoerders afzonderlijk bevoegd was om tot het ontslag van een werknemer over te gaan; - het volstaat dat één van de zaakvoerders op de hoogte was van de feiten opdat de driedagentermijn van artikel 35 derde lid van de Arbeidsovereenkomstenwet kan beginnen lopen; - door eiseres niet wordt aangetoond dat, in de relevante periode, de verscheidene personen die vanaf het ontstaan van het kartel alleen handelend bevoegd waren om tot ontslag over te gaan geen weet hadden van het bestaan of voortbestaan van het kartel; - de heer B., zaakvoerder vanaf 26 juni 2005, misschien wel niet aan de basis lag van het organiseren en in stand houden van prijsafspraken, maar er alleszins van op de hoogte was. Op deze gronden beslissen de appelrechters dat de eiseres niet, en alleszins niet op afdoende wijze, aantoont dat de personen die binnen de eiseres tot ontslag bevoegd waren, de termijnen van artikel 35 derde lid van de Arbeidsovereenkomstenwet hebben geëerbiedigd en oordelen dat het ontslag om dringende reden laattijdig werd gegeven. Met dit oordeel stellen de appelrechters derhalve dat, bij een voortdurende tekortkoming, driedagentermijn aanvat vanaf het ogenblik dat één van de ontslagbevoegde personen op de hoogte was van de feiten. Het standpunt dat zodoende wordt ingenomen, druist in tegen Uw vaste rechtspraak dat, bij een voortdurende tekortkoming het de werkgever is die het tijdstip bepaalt vanaf wanneer die tekortkoming elke professionele samenwerking onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt. Dit kan zich derhalve situeren op een later tijdstip dan de eerste kennisname van het feit door de ontslag bevoegde personen. De appelrechters verantwoorden dan ook niet naar recht hun beslissing. Het onderdeel is gegrond. De overige grieven kunnen niet tot een ruimere cassatie leiden. 3. Conclusie: Cassatie. _________________________
(1)Zo onder anderen Cass 23 mei 2005, AR S.04.0138.F ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050523.10, AC 2005, nr. 291; Cass. 28 mei 2001, AR S.00.0080.F ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010528.2, AC 2001, nr. 313; Cass. 19 januari 1998, AR S.97.0092.N ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980119.5, AC 1998, nr. 34; Cass. 19 september 1994, AR S.94.0005.F ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940919.13, AC 1994, nr. 387 en Cass. 27 november 1995, AR S.95.0026.F ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19951127.1, AC 1995, nr. 508.
(2)W. VAN EECKHOUTTE, Sociaal Compendium 18-19, Mechelen, Kluwer 2018, p. 2478.
(3)Cass. 4 februari 1985, AR 4587, AC 1984-85, nr. 326 en Cass 21 november 1983, AR 4048, AC 1983-84, nr. 158 met gelijkluidende conclusie van toenmalig advocaat-generaal H. Lenaerts. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190527.5 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190527.5 citeert: ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940919.13 ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19951127.1 ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980119.5 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010528.2 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050523.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div