id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 28 mei 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190528.12 Rolnummer: P.19.0130.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2019-06-11 Raadplegingen: 437 - laatst gezien 2026-06-28 06:24 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190528.12 Fiche Het door artikel 422bis Strafwetboek beoogde schuldig verzuim is algemeen en uit de tekst van de bepaling volgt dat dit wanbedrijf bestaat ongeacht de oorsprong van de toestand van groot gevaar zodat het dus zonder belang of de gevaarsituatie werd veroorzaakt door het slachtoffer zelf of door een derde en of die toestand een gevolg is van een onachtzaamheid of een opzettelijk handelen; hij die zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk toebrengen van slagen en tevens wetens en willens verzuimt de persoon die hij heeft geslagen en die ten gevolge daarvan in groot gevaar verkeert, hulp te verlenen of te verschaffen, is ook schuldig aan het door artikel 422bis Strafwetboek bedoelde wanbedrijf
(1).
(1)Zie concl. 'in hoofdzaak' OM. Thesaurus CAS: SCHULDIG VERZUIM Vrije woorden: Begrip - Voorwaarde Annotaties Publicaties: Nullum Crimen [NC] - COLLAKU, Rozana; Noot "De algemene solidariteitsplicht na opzettelijke gewelddaden erkend" - 2019, nr. 4, p. 321-
- Tekst van de conclusie P.19.0130.N Advocaat-generaal Luc Decreus heeft in hoofdzaak gezegd over het tweede middel:
- De eiser werd bij arrest van 17 januari 2019 van het hof van beroep Antwerpen veroordeeld tot een hoofdgevangenisstraf van 3 jaar, met uitstel voor een termijn van 5 jaar, voor de telastleggingen A. opzettelijke verwondingen of slagen met de omstandigheid dat die werden toegebracht zonder het oogmerk om te doden maar toch de dood van het slachtoffer hebben veroorzaakt en B. schuldig verzuim. Het bestreden arrest oordeelde dat de eiser te Antwerpen op 30 april 2016 omstreeks 23 uur, stopte voor een zich op de rijbaan bevindend dronken man die daarop zijn handen op de motorkap van het voertuig plaatste. De eiser zette zijn voertuig terug in beweging aan een normale snelheid met de bedoeling de voetganger weg te duwen met zijn voertuig. Het slachtoffer kwam op de motorkap van het voertuig van de eiser terecht en viel ruggelings op de straat waarbij de eiser over het linkerbeen van het slachtoffer reed. Het slachtoffer overleed op 9 mei 2016 ten gevolge van een schedelfractuur. De eiser nam onmiddellijk na de aanrijding de vlucht en bood zich daags nadien aan bij de politie.
- De eiser tekende op 28 januari 2019 cassatieberoep aan. In zijn tweede middel tot cassatie voerde hij in zijn memorie aan dat door de veroordeling voor beide voormelde telastleggingen de appelrechters voorbijgaan aan het feit dat de eiser het opzet had het slachtoffer slagen toe te brengen, en deze laatste dus in een gevaarssituatie te brengen, wat er toe leidt dat niet meer kan besloten worden dat de dader wetens en willens verzuimt het slachtoffer in die situatie te helpen. De eiser licht toe dat het schuldig verzuim om hulp te verlenen aan iemand die in groot gevaar verkeert niet redelijkerwijze kan worden verweten aan diegene die door opzettelijke slagen en verwondingen dit gevaar veroorzaakte en het slachtoffer achterlaat zonder hem nog te helpen.
- Uw Hof oordeelde dat het misdrijf van het niet-verlenen van bijstand aan een persoon in gevaar, als bedoeld in artikel 422bis Sw., het op de hoogte zijn van het groot en ogenblikkelijk gevaar waarin het slachtoffer verkeert veronderstelt evenals de opzettelijke weigering het slachtoffer de hulp te verschaffen waardoor dat gevaar in de mate van het mogelijke wordt afgewend; op grond van voormeld misdrijf straft de wet de bewuste en opzettelijke onverschilligheid, de egoïstische weigering om hulp te bieden en niet de ondoeltreffendheid, onhandigheid of ontoereikendheid van de hulp die op grond van een beoordelingsfout of een verkeerde diagnose is verleend
(1). In de rechtsleer en rechtspraak dook bij herhaling de vraag op of diegene de gevaarssituatie opzettelijk, dus wetens en willens, veroorzaakte, wel verplicht is om die hulp te verlenen? Het geval waarin het gevaar ontstond na een gebrek aan voorzorg of een onvoorzichtigheid van diegene die hulp moet bieden gaf geen aanleiding tot discussie; dat de dader van een onopzettelijk misdrijf zelf hulp aan het slachtoffer moet verschaffen zorgde niet voor betwisting
(2). De vraag of hij die het gevaar opzettelijk en moedwillig veroorzaakte eveneens aan het slachtoffer hulp moet verlenen zorgde wel voor betwisting. Kan het immers als evident aanzien worden dat bijvoorbeeld de dader van een mislukte moord verplicht is het slachtoffer te helpen
(3)of zelfs dat iemand zijn seropositiviteit verzwijgt aan zijn seksuele partner
(4)? In de rechtspraak en rechtsleer worden globaal gezien twee standpunten verdedigd. Enerzijds wordt door bepaalde rechtspraak voorgehouden dat het feit dat men verzuimde hulp te verlenen aan iemand die in groot gevaar verkeerde niet redelijk kan worden verweten aan hen die door opzettelijke slagen het slachtoffer in groot gevaar brachten. Sommige rechtsleer ondersteunt deze visie met die nuance dat mocht de dader evenwel na de gewelddaden en het achterlaten van het slachtoffer terugkeren naar de plaats van het delict waar hij constateert dat het slachtoffer in groot gevaar verkeert, hem dan wel een tekortkoming aan de solidariteitsplicht kan worden verweten
(5). Ook anderen argumenteren dat men van een aanvaller niet kan verwachten dat hij plots zijn houding ten aanzien van zijn slachtoffer verandert en hem hulp verleent
(6). Anderzijds leeft de overtuiging dat de verplichting hulp te verlenen voor iedereen geldt, ook voor de dader van opzettelijke gewelddaden omdat kan geargumenteerd worden dat de oorzaak van de gevaarssituatie zonder belang is en er niet kan worden afgedongen op het feit dat de verplichting blijft bestaan wanneer diegene die hulp moet verlenen de gevaarssituatie zelf en opzettelijk heeft veroorzaakt
(7)zelfs ten gevolge van wettige verdediging
(8). Naar mijn mening kan bij wijze van conclusie worden aangesloten bij de rechtsleer die stelt dat dat de synchrone vervolging en sanctionering van de misdrijven opzettelijke slagen en schuldig verzuim zeker mogelijk zijn omdat de wet geen enkel onderscheid maakt op het vlak van de oorsprong van het gevaar en beide delicten elk een andere gedraging bestraffen
(9). Dat met de gezamenlijke vervolging voor beide misdrijven omzichtig moet worden omgesprongen omdat de respectieve feiten vaak niet als twee aparte misdrijven zouden worden aangevoeld door de rechtszoekende en de samenleving
(10)neemt niet weg dat het om twee aparte misdrijven gaat. Dat het moreel bestanddeel van het schuldig verzuim kan ontbreken omdat de wetgever, jurisprudentie en rechtspraak aanvaarden dat men "totaal uit zijn lood geslagen is" is door het gevolg van de agressie en het denkbaar is dat de agressor "in een dergelijke geestestoestand is dat men niet stilstaat bij de hulpverleningsplicht en niet wetens en willens nalaat hulp te verlenen"
(11)lijkt moeilijk verdedigbaar wanneer de situatie van groot gevaar precies datgene is dat werd beoogd door de dader of wanneer deze kon weten dat de gevaarssituatie het gevolg zou zijn van zijn opzettelijke daden. In elk geval volstaat het algemeen opzet, is er geen bijzonder opzet vereist in hoofde van de dader en doen zijn beweegredenen niet ter zake
(12). ______________________
(1)Cass. 7 november 2012, AR P.12.0905.F ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121107.5, AC 2012, nr. 599.
(2)H. VUYE, "Schuldig hulpverzuim. Analyse van artikel 422bis Sw. in het licht van de algemene leer van de omissie in het strafrecht" in Y. POULLET en H. VUYE, Liber amicorum Jean du Jardin, Deurne, Kluwer 2001, 458, nr. 26; J. DU JARDIN, v° "Schuldig verzuim", Comm. Strafrecht, 7; A. DE NAUW, Inleiding tot het bijzonder strafrecht, 6e herwerkte uitgave, 2010, Wolters Kluwer Belgium NV, 232.
(3)H. VUYE, "Schuldig hulpverzuim. Analyse van artikel 422bis Sw. in het licht van de algemene leer van de omissie in het strafrecht" in Y. POULLET en H. VUYE, Liber amicorum Jean du Jardin, Deurne, Kluwer 2001, 458, nr. 26.
(4)B. KETELS, "Onveilige boemboem zonder blabla levert verkrachting en schuldig verzuim op", Juristenkrant 2019, afl. 385, 5; B. KETELS, "De strafrechtelijke context van risicovol seksueel gedrag", T. Strafr. 2008,
(354)46-48.
(5)Brussel, 1 oktober 1981, J.T. 1982, 311; A. DE NAUW, Inleiding tot het bijzonder strafrecht, 6e herwerkte uitgave, 2010, Wolters Kluwer Belgium NV, 232.
(6)J. CONSTANT, "La répression des abstentions coupables. Commentaire de la loi du 6 janvier 1961", RDPC 961-62, 229, nr. 48; A. JACOBS en A. MASSET, "Schuldig verzuim'', in X (ed.), Postal Memorialis: lexicon strafrecht, strafvordering en bijzondere wetten, Brussel, Kluwer, 11.
(7)J. CONSTANT, "La répression des abstentions coupables. Commentaire de la loi du 6 janvier 1961", RDPC 1961-62, 229-230, nr. 48-49; J. DU JARDIN, "La jurisprudence et l'abstention de porter secours", RDPC 1983, 993; H. VUYE, "Schuldig hulpverzuim. Analyse van artikel 422bis Sw. in het licht van de algemene leer van de omissie in het strafrecht" in Y. POULLET en H. VUYE, Liber amicorum Jean du Jardin, Deurne, Kluwer 2001, 458-459, nr. 26.
(8)A. MARCHAL, "De l'état de légitime défense en droit pénal belge", RDPC 1966-67, 990, nr. 64.
(9)J. DE HERDT, "Fysiek interpersoonlijk geweld. Een onderzoek naar de accuraatheid en de coherentie van de strafrechtelijke kwalificaties en instrumenten aangewend als reactie op fysiek interpersoonlijk geweld", 2014 Intersentia Antwerpen-Cambridge, 168, nr. 164.
(10)Corr. Doornik, 18 maart 1987, JLMB 1987, 779, noot C. STORCK.
(11)Verslag van de Commissie van Justitie, Parl. St. Senaat 1957-58, nr. 150, 6-7; Gent 25 juni 1997, TAVW 1997, 303; Rb. Brussel 20 maart 1962, JT 1962, 320; H. VUYE, "Schuldig hulpverzuim. Analyse van artikel 422bis Sw. in het licht van de algemene leer van de omissie in het strafrecht" in Y. POULLET en H. VUYE, Liber amicorum Jean du Jardin, Deurne, Kluwer 2001, 470, nr. 34; J. DE HERDT, Ibid., 168, nr. 164 en 179, nr. 177.
(12)J. DE HERDT, Ibid., 180, nr. 178. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190528.12 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190528.12 citeert: ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121107.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div