← België

ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190628.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 28 juni 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190628.1 Rolnummer: C.17.0480.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2019-07-23 Raadplegingen: 567 - laatst gezien 2026-06-29 10:25 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190628.1 Fiche 1 Uit de samenhang tussen de artikelen 1086, 1092, eerste lid, en 1107 Gerechtelijk Wetboek volgt dat de verweerder slechts kan antwoorden op de conclusie van het openbaar ministerie, mondeling of met een noot, zo hij een memorie van antwoord heeft ingediend conform artikel 1092 Gerechtelijk Wetboek. Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN - Vormen - Vorm en termijn voor memories en stukken Vrije woorden: Conclusie van het openbaar ministerie - Antwoord door de verweerder - Voorwaarde Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 1086, 1092, eerste lid, en 1107 Fiche 2 Indien de schuldvordering die het voorwerp is van het vonnis van de eerste rechter werd overgedragen, kan door de schuldenaar van de overgedragen schuldvordering hoger beroep worden ingesteld hetzij tegen de oorspronkelijke schuldeiser zoals die blijkt uit het bestreden vonnis, hetzij tegen de overnemer

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN (HANDELSZAKEN EN SOCIALE ZAKEN INBEGREPEN) - Beslissingen en partijen Vrije woorden: Overdracht van de schuldvordering door de oorspronkelijke schuldeiser na het vonnis van de eerste rechter - Hoger beroep door de schuldenaar - Wijze Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 17, 1042 en 1050 Fiche 3 Krachtens artikel 1051, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek loopt de beroepstermijn ten aanzien van de partij aan wie het vonnis betekend werd enkel voor het hoger beroep dat moet worden ingesteld tegen de partij die het vonnis heeft doen betekenen
(1).
(1)Zie andersluidende concl. OM. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN (HANDELSZAKEN EN SOCIALE ZAKEN INBEGREPEN) - Beslissingen en partijen Vrije woorden: Beroepstermijn ten aanzien van de partij aan wie het vonnis werd betekend - Grenzen Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1051, eerste lid Tekst van de conclusie C.17.0480.N Conclusie van advocaat-generaal Van Ingelgem: I. SITUERING EN PROCEDUREVOORGAANDEN
  1. In het raam van een betwisting naar aanleiding van de huur van een standplaats voor een motorboot en de in dat kader ontstane schade aan de boot, werden eisers in eerste aanleg veroordeeld tot betaling van een bedrag aan eerste verweerder.
  2. Dit vonnis (van 20 februari 2008) werd op 13 maart 2008 door eerste verweerder aan eiser betekend.
  3. Het hoger beroep van eisers (d.d. 11 april 2008) tegen eerste verweerder - die na de uitspraak van het vonnis, maar voor het instellen van het hoger beroep, zijn schuldvordering op de eisers op 4 maart 2008 (met kennisgeving aan hen op 7 maart 2008) had overgedragen aan tweede verweerder - werd bij arrest van het hof van beroep te Gent van 18 mei 2011 niet ontvankelijk verklaard vanwege niet ingesteld tegen de rechtsgeldige procespartij.
  4. Ook het, in het kader van het verder verloop van de procedure, ingestelde hoger beroep door eisers tegen tweede verweerder (als rechtsopvolger) werd niet ontvankelijk verklaard wegens laattijdigheid.
  5. Bij arrest van 7 september 2012
(1)vernietigde het Hof voormeld arrest en verwees de zaak naar het hof van beroep te Antwerpen.
  1. Bij arrest van 12 juni 2017 verklaart de verwijzingsrechter het hoger beroep van eisers tegen eerste verweerder onontvankelijk en tegen tweede verweerder laattijdig.
  2. Tegen deze beslissing voeren eisers twee middelen tot cassatie aan. II. BESPREKING VAN DE MIDDELEN.
  3. Het eerste middel verwijt het bestreden arrest (met schending van de artikelen 17, 1042 en 1050 Ger. W.) het tegen eerste verweerder ingestelde hoger beroep niet ontvankelijk te hebben verklaard om reden dat deze zijn schuldvordering op eisers na de uitspraak van het vonnis van de eerste rechter en voor het hoger beroep daartegen heeft overgedragen op de tweede verweerder, terwijl het hoger beroep ontvankelijk is indien het is gericht door een persoon die partij was bij de beslissing van de eerste rechter tegen een persoon die partij was bij de beslissing van de eerste rechter, en tussen deze partijen een geding bestond, en uit de vaststellingen van de appelrechters en de stukken waarop uw Hof vermag acht te slaan blijkt dat eerste verweerder in eerste aanleg procespartij was en eisers t.a.v. hem door de eerste rechter werden veroordeeld. 1.
  4. De tekst van deze voorliggende tweede cassatievoorziening is identiek aan deze van (het eerste middel, tweede onderdeel, van) de eerste cassatievoorziening. 1.
  5. Wanneer - bij de eerdere stand van het recht - na cassatie tegen de tweede beslissing dezelfde middelen werden aangevoerd als tegen de eerste, werd de zaak krachtens artikel 1119, eerste lid, Ger. W. voor de verenigde kamers van het Hof van Cassatie gebracht, samengesteld zoals bepaald in artikel 131 (van hetzelfde Wetboek). Werd de tweede beslissing vernietigd op dezelfde gronden als bij de eerste cassatie, dan voegde, conform artikel 1120 Ger. W., de feitenrechter naar wie de zaak verwezen was zich naar de beslissing van het Hof van Cassatie betreffende het door het Hof beslechte rechtspunt. 1.
  6. De artikelen 1119 en 1120 Ger. W., die aldus betrekking hadden op de procedure i.g.v. een tweede cassatieberoep in dezelfde zaak over hetzelfde rechtspunt, werden evenwel opgeheven door artikel 150 van de wet van 6 juli 2017 houdende vereenvoudiging, harmonisering, informatisering en modernisering van bepalingen van burgerlijk recht en van burgerlijk procesrecht alsook van het notariaat, en houdende diverse bepalingen inzake justitie (BS 24 juli 2017). 1.
  7. Bovendien werd door artikel 149 van dezelfde wet, tussen het derde en vierde lid van artikel 1110 Ger. W., een nieuw lid ingevoegd dat bepaalt dat het gerecht (waarnaar de zaak na cassatie werd verwezen) zich voegt naar het arrest van het Hof van Cassatie betreffende het door dat Hof beslechte rechtspunt. Tegen de beslissing van dat gerecht wordt geen voorziening in cassatie toegelaten in zoverre deze beslissing overeenstemt met het vernietigingsarrest. 1.
  8. In zoverre de tweede zin van dit nieuwe (vierde) lid van artikel 1110 Ger. W. de bevestiging is van het voorheen van kracht zijnde artikel 1119, tweede lid, Ger. W. dat bepaalde dat tegen de tweede beslissing, in zoverre zij overeenstemt met het eerste cassatiearrest, geen voorziening in cassatie werd toegelaten, en het verbod voor de verwijzingsrechter om af te wijken van het cassatiearrest wat het door het Hof van Cassatie beslechte rechtspunt betreft, bovendien noodzakelijk tot gevolg heeft gehad dat de in het inmiddels opgeheven artikel 1119, eerste lid, Ger. W. voorziene mogelijkheid om een tweede cassatieberoep in te stellen tegen een afwijkende beslissing van het verwijzingsgerecht en dergelijke zaak voor de verenigde kamers voor het Hof van Cassatie te brengen, niet langer aan de orde was en dus werd uitgesloten, ben ik uit de evolutie van het recht m.b.t. het hierboven gestelde in casu dan ook van mening dat - om redenen van proceseconomische aard - de toetsing van hetzelfde middel tegen de beslissing van de verwijzingsrechter (van 12 juni 2017) die onverenigbaar is met het cassatiearrest, niet meer tot de bevoegdheid van de verenigde kamers van het Hof behoort
(2). 1.
  1. In zijn reeds hoger vermeld arrest van 7 september 2012 oordeelde het Hof in deze aangelegenheid dat indien de schuldvordering die het voorwerp is van het vonnis van de eerste rechter werd overgedragen, door de schuldenaar van de overgedragen schuldvordering hoger beroep kan worden ingesteld hetzij tegen de oorspronkelijke schuldeiser zoals die blijkt uit het beroepen vonnis, hetzij tegen de overnemer. 1.
  2. De voorliggende problematiek betreft (en betrof) aldus de procesrechtelijke gevolgen van de overdracht van een schuldvordering die het voorwerp is van een in eerste aanleg gewezen rechterlijke beslissing tussen de datum van die beslissing en deze van het instellen van een rechtsmiddel, en concentreert zich meer bepaald op de vraag tegen wie de gecedeerde schuldenaar, die kennis heeft van de overdracht, zijn rechtsmiddel (van hoger beroep) moet richten. 1.
  3. Artikel 17 Gerechtelijk Wetboek schrijft voor dat een rechtsvordering niet kan worden toegelaten indien de eisende partij geen hoedanigheid en geen belang heeft om ze in te dienen. 1.
  4. Bij gebrek aan een omschrijving van het begrip hoedanigheid in het Gerechtelijk Wetboek - in tegenstelling tot de precisering door de wetgever in artikel 18 Gerechtelijk Wetboek wat onder belang moet worden verstaan - gaat de rechtsleer er doorgaans van uit dat de hoedanigheid de rechtstitel betreft krachtens dewelke een persoon - eiser of verweerder - in rechte kan optreden. In die zin is het de rechtsband die er bestaat tussen deze persoon - als actief of passief subject van de vordering - en het voorwerp van de eis, het subjectief recht dat hij aanvoert. Als zodanig is de hoedanigheid, net zoals het belang, een toelaatbaarheidsvoorwaarde tot het voeren van een bepaalde discussie ten gronde
(3). 1.10. De regeling vervat in de artikelen 17 en 18 Gerechtelijk Wetboek geldt ten aanzien van alle partijen. De verweerder moet derhalve evenzeer belang hebben bij zijn verweer als de eiser bij zijn vordering. Bovendien kan een vordering slechts worden gericht tegen een persoon die over de vereiste hoedanigheid beschikt om hierop te antwoorden
(4). 1.11. Algemeen wordt aangenomen dat voor het instellen van hoger beroep ook de algemene toelaatbaarheidsvereisten gelden die de artikelen 17 en 18 Gerechtelijk Wetboek voorschrijven voor het instellen van de rechtsvordering. Wie hoger beroep instelt, moet hiertoe dan ook de vereiste hoedanigheid alsmede een reeds verkregen en daadwerkelijk belang hebben
(5). 1.12. In zoverre de akte van hoger beroep een nieuwe aanleg opent die onderscheiden is van de aanleg die door de daarin gewezen beslissing is beëindigd, is het hoger beroep aldus een wijze van voltooiing van de zaak die het debat voortzet en de mogelijkheden handhaaft om een geschil te laten evolueren
(6). 1.13. De eenheid van het geschil, die door het hoger beroep niet wordt doorbroken, belet evenwel niet dat de aanleggen worden onderscheiden. Waar hoger beroep instellen derhalve gelijk staat met het uitoefenen van de vordering in rechte, en de rechtsleer en rechtspraak het met elkaar eens zijn dat van de partijen hoedanigheid en belang geëist moet worden
(7), heeft de eigenheid van het appelgeding evenwel tot gevolg dat het recht om het rechtsmiddel van het hoger beroep aan te wenden, enerzijds, ondergeschikt is aan voorwaarden die vergelijkbaar zijn met die waaraan elke vordering in recht moet voldoen, en, anderzijds, aan voorwaarden die eigen zijn aan de opening van een nieuwe aanleg die onderscheiden is van de aanleg die door de beslissing van het gerecht in eerste aanleg beëindigd is. 1.14. In zoverre het recht om hoger beroep in te stellen toekomt aan iedereen die in eerste aanleg procespartij is geweest en voor de eerste rechter tegengestelde belangen verdedigde
(8), veronderstelt dit dat men eiser, verweerder of tussenkomende partij is geweest
(9), en dat het hoger beroep slechts kan worden ingesteld tegen partijen die hetzij in persoon, hetzij vertegenwoordigd, in de procedure in eerste aanleg tegen de appelanten zijn opgetreden
(10). Net zoals dit bij de inleiding van de vordering het geval is, moet het rechtsmiddel worden ingesteld tegen degene die de hoedanigheid heeft om het te beantwoorden
(11). De hoedanigheid en het belang moeten dus zowel in hoger beroep als in eerste aanleg worden getoetst
(12), en als zodanig worden beoordeeld op het tijdstip van de litigieuze proceshandeling
(13). 1.
  1. Uit het voorgaande volgt m.i. dan ook dat naast een onderzoek of het hoger beroep is ingesteld tegen iemand die in eerste aanleg procespartij was en voor de eerste rechter tegengestelde belangen verdedigde, ook moet worden nagegaan of het hoger beroep is ingesteld tegen een persoon die de vereiste bevoegdheid heeft om in rechte op te treden m.b.t. het subjectief recht dat in betwisting is. 1.
  2. Nu het gebrek aan hoedanigheid wordt gesanctioneerd door de niet-ontvankelijkheid van de vordering, kan het op ieder ogenblik - en derhalve ook voor het eerst in hoger beroep - worden ingeroepen
(14). In zoverre de wettelijke regels inzake de ontvankelijkheid van het hoger beroep in burgerlijke zaken de openbare orde raken
(15), dient de ontvankelijkheid van het hoger beroep ambtshalve door de appelrechter te worden onderzocht
(16). 1.17. Waar de overdracht van materiële rechten de rechtsvordering, en bijgevolg ook de procesverhouding in een bestaande processuele context waarvan de materiële rechten de inzet vormen, affecteert
(17), dient de hoedanigheid aanwezig te blijven tijdens de volledige duur van het geding. Verliest de betrokkene in de loop van de procedure de vereiste hoedanigheid om in rechte op te treden, dan zal deze moeten voortgezet worden door de persoon die voortaan wel over de hoedanigheid daartoe beschikt. Bij rechtsopvolging in het recht waarover geprocedeerd wordt, is de positie van gedingpartij derhalve voor overgang vatbaar. 1.18. Dit neemt evenwel niet weg dat in de traditionele rechtsopvatting de basisregel nochtans is dat beroep kan worden ingesteld tegen de partij die in het vonnis van eerste aanleg als tegenstrever wordt vermeld en aan wie het vonnis voordelig is
(18). 1.19. In die zin gaat de klassieke rechtsleer er dan ook van uit dat wanneer de schuldvordering na het vonnis in eerste aanleg wordt overgedragen en de overdracht aan de (veroordeelde) schuldenaar ter kennis wordt gebracht, het hoger beroep van de schuldenaar moet worden gericht tegen de overdrager en niet tegen de overnemer
(19). 1.20. Nu de rechtsopvolging tijdens het geding of na de beslissing, doch voor het instellen van een rechtsmiddel, de rechtsopvolger de mogelijkheid geeft zelf op te treden in hoger beroep en ze de tegenpartij de gelegenheid biedt de rechtsopvolger in deze rechtsmiddelenprocedure te betrekken, mag daarbij evenwel niet uit het oog worden verloren dat de vereiste hoedanigheid beoordeeld wordt op het tijdstip van het instellen van de proceshandeling en dat, hoewel de rechtbanken in bepaalde gevallen aan een partij de mogelijkheid kunnen bieden om de procedure te regulariseren, een onregelmatig ingeleide procedure evenwel niet kan geregulariseerd worden
(20). 1.
  1. Waar in het geheel van de hierboven geschetste context het derhalve onaanvaardbaar zou zijn dat het rechtsmiddel tegen de in de beslissing (in eerste aanleg) genoemde partij ontoelaatbaar zou zijn indien de betekening van de vorige uitspraak (die de termijn voor het instellen van een rechtsmiddel doet lopen) noch enige andere akte vanwege de rechtsvoorganger of rechtsopvolger kennis geeft van de wijziging van hoedanigheid (of anderszins wegvallen van de vertegenwoordigingsbevoegdheid), kan ik mij, op basis van het navolgende, toch ook niet van de indruk ontdoen dat de wederpartij hoe dan ook een rechtsmiddel dient te kunnen instellen tegen de rechtsvoorganger (overdrager) zolang zij er rechtmatig mag (mocht) op vertrouwen dat deze houder is (was) van het recht, dan wel bevoegd die te vertegenwoordigen. 1.
  2. Immers, voor zover het voor de hand zou liggen dat de overnemer door de overdracht de houder van de betwiste schuldvordering en de daarbij behorende rechtsvordering wordt, en de overdrager aldus geen houder meer is van de betwiste schuldvordering en derhalve geen hoedanigheid heeft om nog in rechte op te treden, is het nochtans niet uitgesloten dat de overdrager - krachtens de overeenkomst van overdracht van schuldvordering - toch de bevoegdheid behoudt om verder in rechte op te treden over de overgedragen schuldvordering
(21). 1.23. Hoewel deze benadering niet helemaal strookt met eerdere rechtspraak van het Hof (wanneer blijkt dat het feit van de overdracht van de aan het geschil verbonden rechten en verbintenissen na de bestreden beslissing aan de eiser werd ter kennis gebracht vóór het tijdstip waarop hoger beroep werd ingesteld)
(22)ben ik, in het verlengde van de hierboven uiteengezette principes, dan ook de mening toegedaan dat de in kennis gestelde gecedeerde schuldenaar van een schuldvordering, die tijdens de beroepstermijn op tegenwerpelijke wijze wordt overgedragen, als zodanig een principieel keuzerecht heeft m.b.t. de persoon tegen wie het hoger beroep moet worden gericht
(23). 1.
  1. Het toekennen van dit keuzerecht aan de gecedeerde schuldenaar kan m.i. worden verantwoord vanuit het vereiste van rechtszekerheid en (procesrechtelijke) bescherming van de schuldenaar in geval van (verantwoorde/niet uit te sluiten) twijfel omtrent de mogelijke gevolgen van de impact i.v.m. de overdracht van de schuldvordering, in de mate dat door, na de kennisgeving hiervan, het beroepen vonnis in eigen naam aan de schuldenaar te laten betekenen, bij deze laatste de (gerechtvaardigde) indruk kan worden gewekt dat de overdrager krachtens zijn onderlinge verhouding met de overnemer de bevoegdheid behoudt om voor rekening van laatstgenoemde verder in rechte op te treden m.b.t. de overgedragen schuldvordering. 1.
  2. In het verlengde van het arrest van het Hof van 7 september 2012 ben ik dan ook van oordeel dat de appelrechters met de door hen opgegeven redenen (p. 8 en 9) hun beslissing niet naar recht verantwoorden, en dat het eerste middel derhalve gegrond is.
  3. Het tweede middel heeft betrekking op het hoger beroep door eisers tegen de tweede verweerder dat de appelrechters niet ontvankelijk verklaren wegens laattijdigheid. 2.
  4. Het middel werpt een tegenstrijdigheid op tussen enerzijds de beslissing dat door de overdracht van de schuldvordering de tweede verweerder in de rechten van de overdrager is getreden, zowel m.b.t. de schuldvordering als m.b.t. het recht om de nakoming van de overeengekomen prestatie in rechte te vorderen, en anderzijds de beslissing dat de betekening van het vonnis a quo door de eerste verweerder aan eisers rechtsgevolgen t.a.v. hen kan teweegbrengen, met name het doen lopen van de termijn om hoger beroep in te stellen. 2.
  5. Het voert tevens een schending van de artikelen 1050 en 1051 Ger. W. aan, doordat de appelrechters beslissen dat de betekening van het vonnis a quo door de eerste verweerder aan eisers - die gebeurde na de overdracht van de schuldvordering aan tweede verweerder en na de kennisgeving ervan aan eisers - de termijn om hoger beroep in te stellen ook deed lopen t.a.v. de tweede verweerder. 2.
  6. In het gerechtelijk recht geldt als algemene regel dat de termijn voor hoger beroep begint te lopen bij de betekening van de beslissing. 2.
  7. De termijnen om een rechtsmiddel aan te wenden zijn op straffe van verval voorgeschreven, en het verval wegens laattijdigheid van het hoger beroep moet dan ook door de rechter ambtshalve worden uitgesproken
(24). 2.5. Ingevolge het bepaalde in artikel 1051, tweede lid, Ger. W. loopt de beroepstermijn niet alleen tegen de partij aan wie het vonnis betekend werd, maar eveneens t.a.v. de partij die het vonnis heeft doen betekenen. T.a.v. deze laatste loopt de appeltermijn enkel wat betreft het hoger beroep tegen de partij aan wie zij het vonnis heeft doen betekenen
(25). 2.
  1. Waar het normaal is dat men zijn (hoger) beroep kan richten tegen de persoon die u het vonnis geldig betekent, en uit de processtukken blijkt dat de overdrager in eerste aanleg procespartij was t.a.v. wie de gecedeerde schuldenaar door de eerste rechter werd veroordeeld, staat het mij voor dat het feit dat de positie van de overdrager als partij bij de materiële rechtsverhouding sedert de uitspraak van het vonnis a quo op een ander is overgedragen, irrelevant is voor de beoordeling van de huidige problematiek, te meer daar uit de benadering m.b.t. het standpunt inzake het eerste middel enerzijds blijkt dat indien de schuldvordering die het voorwerp is van het vonnis van de eerste rechter overgedragen werd, door de schuldenaar van de overgedragen schuldvordering hoger beroep kan worden ingesteld hetzij tegen de oorspronkelijke schuldeiser zoals die blijkt uit het bestreden vonnis, hetzij tegen de overnemer, en uit het hoger vermelde m.b.t. het tweede middel anderzijds volgt dat de betekening van een vonnis de termijn om hoger beroep aan te tekenen sowieso doet lopen t.a.v. de partij aan wie wordt betekend. 2.
  2. In zoverre het gezag van gewijsde van een rechterlijke uitspraak die voorafgaandelijk aan de overdracht werd gewezen zich ook uitstrekt tot de overnemer, net alsof die er partij bij was geweest, en deze vanaf de overdracht met de overdrager geassimileerd wordt voor de rechterlijke uitspraken die voorafgaandelijk aan de overdracht over de schuldvordering werden gewezen en bijgevolg geen derde meer is t.a.v. die uitspraken
(26), ben ik dan ook van oordeel dat de appelrechters hun beslissing naar recht verantwoorden, en dat het tweede middel niet kan worden aangenomen. 2.8. In het verlengde hiervan is er m.i. evenmin een tegenstrijdige beoordeling in de zin van de hoger in het middel aangevoerde grieven, en mist dit middel feitelijke grondslag in zoverre het op een onjuiste lezing of interpretatie van de bestreden beslissing berust. III. CONCLUSIE: VERNIETIGING (wat het eerste middel betreft) en bindendverklaring aan de daartoe opgeroepen partij, en VERWERPING (voor het overige). __________________________
(1)Cass. 7 september 2012, AR C.11.0667.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120907.2, AC 2012, nr. 453, met andersluidende concl. OM.
(2)Zie ook F. BAUDONCQ, Gerechtelijk recht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Voorziening in cassatie, Ger. W. art. 1110 - 31 t.e.m. 37, Gezag van gewijsde van een cassatiearrest - Afschaffing van de mogelijkheid tot een tweede cassatieberoep op grond van dezelfde middelen als het eerste, nrs. 34-38.
(3)P. VANLERSBERGHE, Gerechtelijk Recht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer, losbl., Commentaar bij art. 17 Ger. W., Ger. W. Art. 17-20 en 21, met de verwijzingen in voetnoot aldaar; zie ook M.E. STORME, Procesrechtelijke knelpunten bij de geldendmaking van rechten uit aansprakelijkheid voor de burgerlijke rechten, in het bijzonder belang, hoedanigheid en rechtsopvolging, in M. STORME (ed.), Recht halen uit aansprakelijkheid, Gent, Mys en Breesch, 1993,
(189), 202-203, nr. 13, en P. VAN ORSHOVEN, Niet-ontvankelijkheid, nietigheid, verval en andere wolfijzers en schietgeweren van het burgerlijk procesrecht, P & B 2002,
(3), 10, nr. 19.
(4)P. VANLERSBERGHE, Gerechtelijk Recht. Artikelsgewijze commentaar, Ger. W. Art. 17-6, nr. 3, en de verwijzing naar de voetnoten
(2)en
(3)aldaar.
(5)Zie evenwel in dat verband K. BROECKX, De autonomie van het belang als toelaatbaarheidsvoorwaarde in hoger beroep, noot onder Cass. 13 september 1991, RW 1991-92,
(882), 883-885, waarin deze auteur stelt dat er een onderscheid moet worden gemaakt tussen de algemene toelaatbaarheidsvereisten voor het instellen van een rechtsvordering, vastgelegd in de artikelen 17 en 18 Ger. W., die eveneens gelden in hoger beroep, en de specifieke toelaatbaarheidsvereisten, gesteld voor het instellen van het rechtsmiddel van hoger beroep, die een autonoom karakter vertonen; zie ook A. DECROËS, Recevabilité de l'appel: qualité et intérêt, RCJB 2004,
(368), 370-371, nrs 3-5, noot onder Cass. 24 april 2003.
(6)R.D.P.B., Trefwoord: Appel en matière civile, sociale et commerciale, nr. 4.
(7)A. FETTWEIS, Manuel de procédure civile, 1985, nr. 736 tot 738; J. VAN COMPERNOLLE, Droit judiciaire privé. Les voix de recours. Examen de jurisprudence, RCJB, 1987, p. 131; Cass. 29 juni 1979, AC 1978-79, 1330.
(8)Cass. 21 december 2000, AR C.96.0113.N ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001221.10, AC 2000, nr. 714; K. BROECKX, Het recht op hoger beroep en het beginsel van de dubbele aanleg in het civiele geding, Antwerpen, Maklu, 1995, 214-222, nrs. 470-489.
(9)Cass. 13 september 1991, AR nr. 7015, AC 1991-92, nr. 22.
(10)Cass. 24 november 1994, AR C.92.8258, AC 1994, nr. 514.
(11)P. TAELMAN, Het gezag van het rechterlijk gewijsde - een begrippenstudie, Diegem, Kluwer 2001, 244, nr. 328.
(12)Zie in dat verband: Cass. 24 april 2003, AR C.00.0567.F ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030424.25-C.01.0004.F ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030424.25, AC 2003, nr. 261, met concl. van advocaat-generaal DE RIEMAECKER, waarin uw Hof oordeelt dat het in art. 17 en 18 Ger. W. bedoelde belang om op te treden beoordeeld wordt uit het oogpunt van het tijdstip waarop de vordering wordt ingesteld.
(13)Cass. 4 oktober 2000, AR P.00.0652.F ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001004.9, AC 2000, nr. 515.
(14)Cass. 20 maart 2002, AR P.01.1414.F ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020320.2, AC 2002, nr. 190.
(15)Cass. 13 december 1991, AR nr. 7604, AC 1991-92, nr. 202.
(16)Cass. 27 mei 2011, AR C.10.0197.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110527.4-C.10.0205.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120420.3, AC 2011, nr. 358; Cass. 7 september 2012, AR C.11.0667.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120907.2, AC 2012, nr. 453; zie in die context ook C. VAN SEVEREN, Overdracht van een (betwiste) schuldvordering tijdens de termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel, noot onder Cass. 7 september 2012, RW 2014-15,
(535), 537-539.
(17)B. VAN DEN BERGH, Over hoe een procespartij plots derde wordt: de impact van kwalitatieve rechten op de procesverhouding, TBBR 2015, afl. 4, 209-212; B. VAN DEN BERGH, Accessoire rechten en gedinghervatting bij te bijzonderen titel, RW 2013-14, afl. 16, 626-630.
(18)R.P.D.B., Compl. VI, Appel en matière civile, sociale et commerciale, nr. 353.
(19)R.P.D.B., o.c., nr. 356; zie ook C. VAN SEVEREN, noot onder Cass. 7 september 2012, RW 2014-15,
(535), 539.
(20)Cass. 4 oktober 2000, AR P.00.0652.F ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001004.9, AC 2000, nr. 515; zie ook B. VAN DEN BERGH, Over hoe een procespartij plots derde wordt: de impact van kwalitatieve rechten op de procesverhouding, TBBR 2015, afl. 4, 209-212; en van dezelfde auteur: Accessoire rechten en gedingshervatting bij rechtsopvolging te bijzonderen titel, RW 2013-14, afl. 16, 626-630.
(21)C. VAN SEVEREN, noot onder Cass. 7 september 2012, RW 2014-15,
(535), 540.
(22)Zie Cass. 29 oktober 2004, AR C.03.0366.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041029.4, AC 2004, nr. 519, en de verwijzingen aldaar naar Cass. 14 juni 1991, AR nr. 6875 en 7037, AC 1991, nr. 529, en Cass. 29 juni 2001, AR C.09.0360.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110128.2, AC 2001, nr. 413.
(23)B. BIEMER e.a., L'instruction de la cause et les incidents, in H. BOULARBAH en F. GEORGES (eds.), Actualité en droit judiciaire, Brussel, Larcier, 2013, 278-279, nr. 121; K. BROECKX, Het recht op hoger beroep en het beginsel van de dubbele aanleg in het civiele geding, Antwerpen, Maklu, 1995, 193, nr. 424; a contrario: C. VAN SEVEREN, Overdracht van een (betwiste) schuldvordering tijdens de termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel, noot onder Cass. 7 september 2012, RW 2014-15,
(535), 541.
(24)Cass. 12 december 1996, AR C.96.0008.F ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19961212.11, AC 1996, nr. 502; Cass. 27 mei 2011, AR C.10.0197.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110527.4-C.10.0205.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120420.3, AC 2011, nr. 358.
(25)Cass. 7 december 2006, AR C.04.0501.F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061207.3, AC 2006, nr. 627.
(26)P. TAELMAN, Het gezag van het rechterlijk gewijsde - een begrippenstudie, Diegem, Kluwer 2001, 277-278, nr. 377. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190628.1 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190628.1 citeert: ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19961212.11 ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001004.9 ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001221.10 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020320.2 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030424.25 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041029.4 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061207.3 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110128.2 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110527.4 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120420.3 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120907.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.