← België

ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190628.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 28 juni 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190628.4 Rolnummer: C.18.0410.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2019-07-23 Raadplegingen: 828 - laatst gezien 2026-06-29 09:55 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190628.4 Fiche 1 Volgens artikel 1794 Burgerlijk Wetboek kan de opdrachtgever de aanneming tegen vaste prijs door zijn enkele wil verbreken, ook al is het werk reeds begonnen, mits hij de aannemer schadeloos stelt voor al zijn uitgaven, al zijn arbeid, en alles wat hij bij die aanneming had kunnen winnen; deze bepaling is uitsluitend van toepassing op de aanneming van een werk dat door zijn voorwerp of door een uitdrukkelijke tijdsduur bepaald is

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: OVEREENKOMST - EINDE Vrije woorden: Aanneming van werk - Wijze van beëindiging door de opdrachtgever - Voorwaarde - Grenzen Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1794 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Fiche 2 De eenzijdige beëindiging van een aanneming van onbepaalde duur door de opdrachtgever vereist de inachtneming van een redelijke opzeggingstermijn; bij ontstentenis van een redelijke opzeggingstermijn moet de opdrachtgever de aannemer een vergoeding betalen ter compensatie van de schade die de aannemer ingevolge het niet in acht nemen van een opzeggingstermijn lijdt
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: OVEREENKOMST - EINDE Vrije woorden: Aanneming van onbepaalde duur - Eenzijdige beëindiging door de opdrachtgever - Voorwaarde - Gevolg Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Artt. 1134, tweede lid, en 1780 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Annotaties Publicaties: Nieuw Juridisch Weekblad [NJW] - 2020, nr. 416, p. 122-
  1. - COPPENS, Alain; Noot'Opzegbaarheid van overeenkomsten van onbepaalde duur' Tekst van de conclusie C.18.0410.N Conclusie van advocaat-generaal A. Van Ingelgem: I. SITUERING
  2. In het raam van een mondelinge overeenkomst leverde verweerder, op zelfstandige basis, prestaties als tuinarchitect voor eiseres.
  3. Eiseres stelde een einde aan deze samenwerking en werd naar aanleiding daarvan door verweerder gedagvaard tot betaling van een opzeggingsvergoeding.
  4. Het bestreden arrest verklaart deze vordering gegrond en veroordeelt eiseres tot betaling aan verweerder van een bedrag van 14.140 euro, meer intresten.
  5. Tegen deze beslissing voert eiseres een enig middel tot cassatie aan dat op drie onderdelen berust. II. BESPREKING VAN HET MIDDEL
  6. Het eerste onderdeel heeft betrekking op de vraag of de opdrachtgever die een aannemingsovereenkomst van onbepaalde duur eenzijdig beëindigt, steeds een (redelijke) opzeggingstermijn moet naleven en, daarmee samenhangend, een opzegvergoeding dient te betalen in het geval hij geen (redelijke) opzegtermijn naleeft. 1.
  7. In casu oordeelt de appelrechter dat uit de verplichting dat overeenkomsten te goeder trouw moeten worden uitgevoerd, volgt dat steeds een (redelijke) opzeggingstermijn in acht moet worden genomen (en dat desgevallend een opzegvergoeding moet worden betaald indien geen opzegtermijn wordt gerespecteerd). 1.
  8. Eiseres voert aan dat in geval van eenzijdige beëindiging van een samenwerkingsovereenkomst van onbepaalde duur enkel een opzegtermijn moet worden gerespecteerd wanneer de gesloten aannemingsovereenkomst een opzegtermijn omvat of wanneer, in het licht van de omstandigheden van het geval, komt vast te staan dat een eenzijdige beëindiging zonder opzegtermijn onrechtmatig is (rechtsmisbruik). Door te oordelen dat steeds een opzegtermijn moet worden gerespecteerd (en dat bij gebrek daaraan een opzegvergoeding moet worden betaald), zonder vast te stellen dat de aannemingsovereenkomst een opzegtermijn omvatte en/of dat de eenzijdige beëindiging zonder opzegtermijn in casu onrechtmatig was, zou de appelrechter volgens eiseres de relevante wettelijke bepalingen hebben geschonden. 1.
  9. Artikel 1794 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de opdrachtgever de aanneming tegen vaste prijs door zijn enkele wil kan verbreken, ook al is het werk reeds begonnen, mits hij de aannemer schadeloos stelt voor al zijn uitgaven, al zijn arbeid, en alles wat hij bij die aanneming had kunnen winnen. 1.
  10. Overeenkomstig vaststaande rechtspraak van uw Hof is artikel 1794 Burgerlijk Wetboek evenwel uitsluitend van toepassing op de aanneming van een werk dat door zijn voorwerp of door een uitdrukkelijke tijdsduur bepaald is
(1). 1.5. Voort wordt er vanuit gegaan dat op een aannemingsovereenkomst van onbepaalde duur het algemeen rechtsbeginsel van toepassing is krachtens hetwelk overeenkomsten van onbepaalde duur op elk ogenblik door elke van de partijen kunnen worden beëindigd
(2), zonder schadeloosstelling van de wederpartij voor al zijn uitgaven, al zijn arbeid en zijn gederfde winst, behoudens bij andersluidend contractueel beding of bij een onrechtmatige beëindiging
(3). 1.
  1. Omtrent voormelde problematiek blijken er in de rechtspraak en rechtsleer twee strekkingen te bestaan. 1.
  2. Een eerste strekking (waarbij de appelrechter zich in casu heeft aangesloten) neemt aan dat uit de verplichting dat overeenkomsten te goeder trouw moeten worden uitgevoerd, voortvloeit dat bij de eenzijdige beëindiging van overeenkomsten van onbepaalde duur (en dus ook van aannemingsovereenkomsten van onbepaalde duur) een redelijke opzegtermijn moet worden gerespecteerd, die de opgezegde partij in staat stelt gelijkaardig werk te vinden
(4). Achterliggende idee lijkt dat de opzegging van een overeenkomst van onbepaalde duur zonder opzegtermijn, per definitie, onrechtmatig is (rechtsmisbruik)
(5). 1.8. Een tweede strekking daarentegen verdedigt dat een opzegtermijn bij de eenzijdige beëindiging van een (aannemings)overeenkomst van onbepaalde duur geen automatisme mag zijn. De opzeggende partij dient een opzegtermijn enkel te respecteren wanneer de overeenkomst er uitdrukkelijk in voorziet, of wanneer, in het licht van de omstandigheden van het concrete geval, komt vast te staan dat een beëindiging van de overeenkomst zonder opzegtermijn een onevenredig nadeel toebrengt aan de opgezegde partij
(6). 1.9. Een aantal recente arresten lijkt er evenwel op te duiden dat uw Hof zich, in het licht van voormelde discussie, bij eerstgenoemde strekking heeft aangesloten, in zoverre in deze arresten bij wijze van algemene regel gesteld wordt dat bij de eenzijdige beëindiging van overeenkomsten van onbepaalde duur een opzegtermijn moet worden nageleefd
(7). Een overeenkomst van onbepaalde duur kan volgens uw Hof steeds eenzijdig worden opgezegd mits inachtneming van een redelijke termijn en dergelijke opzegging is onherroepelijk. 1.
  1. Naast de bijzondere wettelijke bepalingen inzake opzegging waarin de wetgever (zoals bijvoorbeeld artikel 1794 Burgerlijk Wetboek) heeft voorzien, geldt inzake immers ook het gemeen contractenrecht. Het algemeen rechtsbeginsel dat overeenkomsten van onbepaalde duur op elk ogenblik en door elk van de partijen kunnen worden beëindigd, mits inachtneming van een redelijke termijn, geldt m.i. dan ook evenzeer en onverminderd voor aannemingsovereenkomsten van onbepaalde duur. 1.
  2. Nu het niet valt in te zien waarom daarover anders zou moeten worden geoordeeld wanneer een overeenkomst van onbepaalde duur als een aannemingsovereenkomst kan worden gekwalificeerd, en ook uit geen enkele overweging in uw (reeds eerder vermeld) arrest van 29 mei 2015, waarnaar door eiseres ter ondersteuning van haar visie wordt verwezen, volgt dat tot eenzijdige opzegging van een aannemingsovereenkomst voor onbepaalde duur kan worden overgegaan zonder inachtneming van een redelijke termijn, komt het mij vanuit voormelde benadering dan ook voor dat het onderdeel, dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht.
  3. In het tweede onderdeel voert eiseres een motiveringsgebrek aan. Volgens eiseres laat het bestreden arrest na te antwoorden op haar aanvoeringen luidens welke de schadevergoeding hoogstens kan bestaan uit de uitgaven en de arbeid die al door de verweerder zijn verricht, meer de gederfde winst. Nog steeds volgens eiseres blijkt niet op basis van welke elementen de schade wordt geraamd, en verkeert uw Hof derhalve niet in de mogelijkheid zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen. Verder voert eiseres schending aan van de artikelen 1149 en 1794 Burgerlijk Wetboek, aangezien niet correct wordt berekend welk verlies de verweerder heeft geleden en welke winst hij heeft moeten derven. 2.
  4. De appelrechter oordeelt dat de verschuldigde vergoeding kan worden begroot rekening houdende met de voordelen die verweerder gedurende een redelijke opzeggingstermijn (van twee maanden) zou hebben genoten, zijnde tweemaal het bedrag dat maandelijks door de aannemer aan de opdrachtgever werd gefactureerd. 2.
  5. Waar uit de conclusies van verweerder volgt dat hij een vergoeding vorderde gelijk aan de met de niet-nageleefde opzeggingstermijn van twee maanden corresponderende vergoeding, en eiseres in haar syntheseberoepsconclusie daartegen aanvoerde dat met het factuurbedrag dat maandelijks werd aangerekend geen rekening kan worden gehouden, aangezien enkel de uitgaven, de al verrichte arbeid en de gederfde winst moet worden vergoed - stelling die het bestreden arrest uitdrukkelijk verwerpt en beantwoordt waar het oordeelt dat artikel 1794 Burgerlijk Wetboek niet van toepassing is op een aannemingsovereenkomst van onbepaalde duur (p. 5, al. 3 en 4) - komt het mij voor dat, voor zover de schadevergoeding overeenkomstig artikel 1149 Burgerlijk Wetboek de contractpartij zo goed als mogelijk in de toestand dient te brengen waarin zij zich zou hebben bevonden indien de wanprestatie niet zou zijn gepleegd, het bestreden arrest in deze aldus kon volstaan met de overweging dat - waar een opzeggingstermijn van twee maanden als redelijk kan worden beschouwd - de schadevergoeding kan worden begroot rekening houdende met de voordelen die verweerder gedurende die twee maanden zou hebben genoten. Bij gebreke van verdere betwisting dienaangaande diende het bestreden arrest daarover geen verdere vaststellingen te doen en lijkt het wettigheidstoezicht van uw Hof geenszins onmogelijk te worden gemaakt. 2.
  6. Het staat mij dan ook voor dat het bestreden arrest aldus zijn beslissing wel degelijk naar recht verantwoordt, en dat het tweede onderdeel derhalve niet kan worden aangenomen.
  7. In het derde onderdeel voert eiseres een miskenning aan van het beschikkingsbeginsel en van het ultra petita - beginsel, doordat het bestreden arrest met toepassing van artikel 1154 Burgerlijk Wetboek vanaf de datum van neerlegging door verweerder van zijn syntheseberoepsconclusie de kapitalisatie van vervallen intresten op de verschuldigde opzegvergoeding toestond, terwijl verweerder in het dispositief van die conclusie enkel de kapitalisatie vroeg voor zijn vordering in hoofdorde (dewelke werd afgewezen), maar niet voor zijn vordering in ondergeschikte orde (dewelke door de appelrechter werd toegestaan). 3.
  8. In het beschikkend gedeelte van zijn syntheseberoepsconclusie vordert verweerder de kapitalisatie van vervallen intresten inderdaad enkel voor wat betreft zijn vordering in hoofdorde, maar niet voor zijn vordering in ondergeschikte orde. Vraag is bijgevolg of hij zijn vordering tot kapitalisatie in het motiverend gedeelte van zijn syntheseberoepsconclusie heeft gesteld. Indien de vordering tot kapitalisatie in het motiverend gedeelte zowel voor de vordering in hoofdorde als voor de vordering in ondergeschikte orde werd gesteld, kan kapitalisatie met toepassing van de rechtspraak van uw Hof worden toegestaan, zonder het ultra petita - beginsel te schenden
(8). Indien evenwel noch in het beschikkende gedeelte noch in het motiverend gedeelte de kapitalisatie wordt gevraagd voor het geval de vordering in ondergeschikte orde zou worden toegestaan, kan deze echter niet worden toegestaan
(9). 3.2. In randnummer 15 van zijn syntheseberoepsconclusie vorderde verweerder de kapitalisatie van de vervallen intresten vanaf de datum van de neerlegging ter griffie van de beroepsconclusie. Vervolgens maakt verweerder in randnummer 17 het onderscheid tussen zijn vordering in hoofdorde en zijn vordering in ondergeschikte orde. In zoverre uit deze opeenvolging van randnummers zou kunnen worden afgeleid dat kapitalisatie zowel voor de vordering in hoofdorde als voor de vordering in ondergeschikte orde werd gevraagd, ben ik van mening dat het onderdeel op een onjuiste lezing of interpretatie van de bestreden beslissing berust, en derhalve feitelijke grondslag mist. III. CONCLUSIE: VERWERPING. ___________________
(1)Cass. 29 mei 2015, AR C.13.0390.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150529.2, AC 2015, nr. 354; Cass. 4 september 1980, AC 1980-81, nr. 8.
(2)Dit algemeen rechtsbeginsel blijkt uit Cass. 9 maart 1973, AC 1973, 671.
(3)Cass. 29 mei 2015, AR C.13.0390.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150529.2, AC 2015, nr. 354; F. VERMANDER, De opzegging van overeenkomsten, Antwerpen, Intersentia, 2014, 167-168.
(4)H. DE PAGE, Traité élémentaire du droit civil belge, T.I, Les incapables. Les obligations, Brussel, Bruylant, 1964, 730; A. VAN OEVELEN, Algemene rechtsbeginselen in verbintenissen- en contractenrecht, in M. VAN HOECKE (red.), Algemene rechtsbeginsel, Antwerpen, Kluwer, 1991, 120-121; F. VERMANDER, De opzegging van overeenkomsten, Antwerpen, Intersentia, 2014, 638.
(5)F. VERMANDER, o.c., 628.
(6)L. CORNELIS, Algemene theorie van de verbintenis, Antwerpen, Intersentia, 2000, 635; P. VAN OMMESLAGHE, Droit des obligations, T. II, Source des obligations (2ième partie), Brussel, Bruylant, 2010, 986; zie ook Antwerpen 30 april 2001, De Verz. 2001, 661. Voor zover m.b.t. deze tweede strekking tevens verwezen wordt naar het arrest van uw Hof van 20 november 2009, AR C.08.0507.F ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091120.1, AC 2009, nr. 681, weze opgemerkt dat daarmee m.i. een verkeerde draagwijdte aan dit arrest wordt gegeven, aangezien dit arrest niet handelt over de vraag of een redelijke opzeggingstermijn moet worden toegestaan, maar over de vraag of de opzeggingstermijn die in casu was toegestaan, redelijk was.
(7)Cass. 7 juni 2012, AR C.11.0449.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120607.4, AC 2012, nr. 370; Cass. 8 februari 2018, AR C.17.0255.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180208.1N.5, zie ook P. WERY, Droit des obligations, I, 825, nr. 980.
(8)Cass. 30 september 1996, AR S.95.0055.F ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19960930.1, AC 1996, nr. 337; J. LAENENS, Handboek gerechtelijk recht, Atnwerpen, Intersentia, 2016, 422.
(9)Vgl. Cass. 26 juni 2008, AR C.06.0405.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080626.11, AC 2008, nr. 401. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190628.4 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190628.4 citeert: ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19960930.1 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080626.11 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091120.1 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120607.4 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150529.2 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180208.1N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.