id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 28 juni 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190628.5 Rolnummer: C.18.0485.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Internationaal privaatrecht - Overige Invoerdatum: 2019-07-23 Raadplegingen: 371 - laatst gezien 2026-06-18 19:40 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190628.5 Fiches 1 - 2 Wanneer de rechter de buitenlandse wet toepast, moet hij de draagwijdte ervan bepalen op grond van de uitleg die deze wet in het land van oorsprong krijgt; het Hof gaat na of de beslissing van de rechter conform die uitleg is
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VREEMDE WET Vrije woorden: Toepassing door de rechter - Bepaling van de draagwijdte ervan - Wijze Thesaurus CAS: CASSATIE - BEVOEGDHEID VAN HET HOF - Algemeen Vrije woorden: Toepassing van de buitenlandse wet door de rechter - Nazicht van de beslissing door het Hof - Wijze Tekst van de conclusie C.18.0485.N Conclusie van advocaat-generaal A. Van Ingelgem: I. SITUERING
- Partijen waren gehuwd onder het Nederlandse recht ingevolge een huwelijkscontract onder een stelsel van "uitsluiting van gemeenschap van goederen".
- Tijdens het huwelijk kochten zij - ieder voor de helft in onverdeeldheid - een onroerend goed aan te Brasschaat.
- Naar aanleiding van de ontbinding van het huwelijk ondertekenden partijen een echtscheidingsconvenant waarin onder meer werd bepaald dat eiseres het gebruiksrecht van die bewuste woning krijgt zonder hiervoor een vergoeding te betalen.
- Wanneer verweerder achteraf weigert om nog verder bij te dragen in de kosten en de uitgaven van behoud, onderhoud en andere lasten m.b.t. bovenvermelde woning, dagvaart eiseres hem voor het vredegerecht om zijn aandeel daarin te betalen.
- Haar vordering wordt evenwel als ongegrond afgewezen, en wordt in hoger beroep door de bestreden beslissing bevestigd.
- Tegen deze beslissing voert eiseres een enig middel tot cassatie aan. II. BESPREKING VAN HET MIDDEL
- Het enig middel verwijt het bestreden vonnis dat de door de appelrechter voorgestane interpretatie van artikel 3: 172 van het Nederlands Burgerlijk Wetboek - met name dat de verdeelsleutel inzake de bijdrageverplichting van de deelgenoten de verdeelsleutel inzake het genot van de vruchten volgt - niet conform is aan de uitlegging die in Nederland aan voormeld artikel wordt gegeven.
- In casu wordt de toepassing van het Nederlandse recht op het huidige geschil betreffende de draagplicht van de echtgenoten in de kosten van de gemeenschappelijke woning, na ondertekening van een echtscheidingsconvenant, niet betwist. Zonder hieromtrent te worden bekritiseerd, beslist het bestreden vonnis dat het Nederlandse recht van toepassing is.
- Overeenkomstig vaststaande rechtspraak van uw Hof
(1)volgt uit artikel 15, § 1, Wetboek IPR, krachtens welke bepaling de inhoud van het door deze wet aangewezen buitenlands recht door de rechter wordt vastgesteld, dat het buitenlands recht wordt toegepast volgens de in het buitenland gevolgde interpretatie. De toets door uw Hof daaromtrent bestaat dus uit een conformiteitstoets waarin het nagaat of de uitlegging die de rechter aan een vreemde wetsbepaling geeft, overeenstemt met de uitlegging van die wet in het land van oorsprong
(2).
- Volgens artikel 3: 172 Nederlands Burgerlijk Wetboek delen de deelgenoten, tenzij een regeling anders bepaalt, naar evenredigheid van hun aandelen in de vruchten en andere voordelen die het gemeenschappelijke goed oplevert, en moeten zij in dezelfde evenredigheid bijdragen tot de uitgaven die voortvloeien uit handelingen welke bevoegdelijk ten behoeve van de gemeenschap zijn verricht.
- In het huidig geschil rijst aldus de vraag hoe de termen "in dezelfde evenredigheid" moeten worden uitgelegd. Moeten de deelgenoten bijdragen tot de uitgaven betreffende het gemeenschappelijke goed naar evenredigheid van hun aandelen in de eigendom, tenzij een regeling anders bepaalt, of naar evenredigheid van hun aandelen in de vruchten? In dat laatste geval zou de draagplicht voor de deelgenoten in de uitgaven m.b.t. het gemeenschappelijke goed het lot van de vruchten volgen.
- Volgens een vaste uitleg die in het Nederlandse recht aan artikel 3: 172 Nederlands Burgerlijk Recht gegeven wordt, is de draagplicht van de deelgenoten in de uitgaven evenredig aan hun aandeel in de eigendom, en niet aan hun aandeel in de eventuele vruchten
(3). 7. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat in de oorspronkelijke versie van artikel 3: 172 Nederlands Burgerlijk Wetboek de regel betreffende de uitgaven werd vooropgesteld en die betreffende de vruchten en voordelen slechts volgde. Het ontwerp luidde: tenzij de wet of een regeling het tegendeel bepaalt, moet ieder der deelgenoten in evenredigheid van zijn aandeel bijdragen tot de rechtmatig in het belang der gemeenschap gedane uitgaven en gemaakte schulden, en deelt hij in dezelfde evenredigheid in de vruchten van het goed
(4). Gelet op die oorspronkelijke volgorde lijkt de wetgever de draagplicht van de deelgenoten in de uitgaven m.b.t. het gemeenschappelijke goed te hebben willen koppelen aan het aandeel in de eigendom en niet aan het lot van de vruchten. 8. Ook de rechtbank te Assen oordeelde in een beslissing van 15 juni 2005
(5)dat zij uit artikel 172 BW wel degelijk afleidt dat elk van de mede-eigenaren voor 1/3 moet bijdragen in de kosten (van de woning). De stelling dat slechts moet worden bijgedragen naar evenredigheid van het aandeel in de vruchten, dus nihil, berust volgens deze rechtbank op een verkeerde lezing van dat artikel. Beslissend is het aandeel in de eigendom, niet het aandeel in de vruchten en voordelen. Bijgevolg moesten in die zaak de erfgenamen van de cujus (nl. de twee kinderen en de langstlevende echtgenote in haar hoedanigheid van deelgenoot) naar evenredigheid van hun aandeel in de eigendom bijdragen in de kosten. Het was niet de langstlevende echtgenote die, in haar hoedanigheid van vruchtgebruikster/rechthebbende op het gebruik en genot van de woning, alle kosten moest dragen.
- Van de bovenstaande wettelijke regel kunnen partijen afwijken door een andere regeling overeen te komen (cf. het begin van artikel 3: 172 Nederlands Burgerlijk Wetboek: tenzij een regeling anders bepaalt). Ook de rechter kan uitzonderlijk van die regel afwijken op grond van de redelijkheid en de billijkheid. Krachtens artikel 3: 166, lid 3, Nederlands Burgerlijk Wetboek is op de rechtsbetrekkingen tussen de deelgenoten artikel 2 van Boek 6 immers van overeenkomstige toepassing. Artikel 6: 2 Nederlands Burgerlijk Wetboek bepaalt, in lid 1, dat schuldeiser en schuldenaar verplicht zijn zich jegens elkaar te gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid. Lid 2 bepaalt dat een tussen hen krachtens wet, gewoonte of rechtshandeling geldende regel niet van toepassing is, voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.
- De rechter zou aldus, op grond van de redelijkheid en billijkheid, uitzonderlijk van de regel in artikel 3: 172 Nederlands Burgerlijk Wetboek kunnen afwijken, wanneer na ontbinding van het huwelijk aan één van de echtgenoten het uitsluitend gebruik en genot van een gemeenschappelijk onroerend goed wordt toegekend
(6). 11. In beginsel geldt ook in dat geval de regel dat beide echtgenoten krachtens artikel 3: 172 Nederlands Burgerlijk Wetboek naar evenredigheid van hun aandeel in het gemeenschappelijke goed (in principe elk de helft) bijdragen in de kosten en de lasten die op dit goed drukken
(7). De rechter zal evenwel de bijzondere feiten en omstandigheden kunnen afwegen en uitzonderlijk van deze regel kunnen afwijken, indien die tot een onredelijk of onbillijk resultaat zou leiden
(8). 12. Die afwijking van de regel in artikel 3: 172 Nederlands Burgerlijk Wetboek op grond van de redelijkheid en billijkheid wanneer één van de echtgenoten het exclusieve gebruik van de woning heeft, is echter geen automatisme. De feitenrechter zal steeds de concrete omstandigheden van het geval moeten beoordelen. Zo achtte de rechter het in verschillende gevallen weliswaar billijk dat de echtgenoot die het uitsluitend gebruik van de woning had, ook de lasten m.b.t. die woning voor zijn rekening nam. In die gevallen waren veelal evenwel nog andere bezwarende omstandigheden aanwezig
(9). 13. Wanneer één van de echtgenoten het exclusieve gebruik van de woning heeft, kan het nadeel dat voor de andere echtgenoot voortvloeit uit de toepassing van de regel in artikel 3: 172 Nederlands Burgerlijk Wetboek, nl. dat beide echtgenoten naar evenredigheid van hun aandeel bijdragen in de lasten van de woning, worden hersteld doordat de eerste echtgenoot aan de andere een gebruiksvergoeding moet betalen. Artikel 3: 169 Nederlands Burgerlijk Wetboek bepaalt immers dat tenzij anders overeengekomen, iedere deelgenoot in beginsel bevoegd is tot gebruik van een gemeenschappelijk goed, mits dit gebruik met het recht van andere echtgenoot te verenigen is. Dit artikel heeft dan ook tot strekking dat de deelgenoot die het goed met uitsluiting van de andere deelgenoot gebruikt, verplicht is om de deelgenoot die verstoken wordt van het gebruik en het genot waarop hij op grond van zijn deelgenootschap recht heeft, schadeloos te stellen door het betalen van een gebruiksvergoeding
(10).
- Indien de verweerder zich in de voorliggende zaak dus benadeeld acht omdat hij geen deel heeft aan het gebruik en genot van het gemeenschappelijk onroerend goed maar wel in de kosten moet bijdragen naar evenredigheid van zijn aandeel in de eigendom, krachtens artikel 3: 172 Nederlands Burgerlijk Wetboek, komt het mij in casu voor dat hij niet had moeten instemmen met de afwijkende regeling in het echtscheidingsconvenant, d.i. dat de eiseres geen vergoeding moest betalen voor het gebruik van de woning. Het was dan aan hem geweest om van de eiseres, krachtens artikel 3: 169 Nederlands Burgerlijk Wetboek, de betaling van een gebruiksvergoeding te eisen.
- In casu wordt in het echtscheidingsconvenant echter enkel overeengekomen dat de eiseres het gebruiksrecht van de woning krijgt. De partijen zijn aldus geen afwijkende regeling overeengekomen betreffende de draagplicht van de echtgenoten in de kosten en lasten m.b.t. de woning. Zoals hoger vermeld volgt die draagplicht immers niet het lot van de vruchten en de voordelen m.b.t. de woning, maar geldt dus krachtens artikel 3: 172 Nederlands Burgerlijk Wetboek de basisregel dat de eiseres en de verweerder, elk naar evenredigheid van hun aandeel in het gemeenschappelijk onroerend goed, bijdragen in de kosten ervan.
- In het licht van de hierboven toegelichte redenering ben ik dan ook de mening toegedaan dat de appelrechter die oordeelt dat de eiseres alle kosten moet dragen aangezien zij ook alle vruchten en voordelen van de woning heeft - en aldus dat op grond van artikel 3: 172 Nederlands Burgerlijk Wetboek de deelgenoten moeten bijdragen tot de uitgaven naar evenredigheid van hun aandeel in de vruchten - zijn beslissing niet naar recht verantwoordt. Als zodanig had de appelrechter slechts na afweging in concreto van alle feitelijke gegevens uitzonderlijk van de basisregel van artikel 3: 172 Nederlands Burgerlijk Wetboek kunnen afwijken, op grond van de redelijkheid en de billijkheid.
- Het middel
(11)komt mij aldus gegrond voor. CONCLUSIE: VERNIETIGING. _________________________________
(1)Cass. 9 oktober 1980, AC 1980-81, nr. 90; Cass. 12 januari 2009, AR C.07.0269.F ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090112.4 en C.07.0284.F, AC 2009, nr. 21; Cass. 20 april 2009, AR C.08.0465.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090420.2, AC 2009, nr. 259; Cass. 21 december 2009, AR C.09.0082.F ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091221.8, AC 2009, nr. 772; Cass. 4 november 2010, AR C.07.0191.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101104.3, AC 2010, nr. 653; Cass. 18 maart 2013, AR C.12.0031.F ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130318.5, AC 2013, nr. 192; Cass. 28 maart 2013, AR C.12.0330.F ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130328.10, AC 2013, nr. 216; Cass. 29 oktober 2015, AR C.14.0338.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151029.3, AC 2015, nr. 633; Cass. 22 februari 2018, AR C.17.0288.N.
(2)Ph. GERARD, H. BOULARBAH en J-F VAN DROOGHENBROECK, Pourvoi en cassation en matière civile, in RPDB, Brussel, Bruylant, 2012, 287.
(3)H.H. LAMMERS, Artikel 3: 172 BW, aantekening 5, in Groene Serie Vermogensrecht, 2017; A.R. DE BRUIJN m.m.v. W.G. HUIJGEN en B.E. REINHARTZ, Het Nederlandse huwelijksvermogenrecht, Deventer, Kluwer, 2012, 201-202, nr. 90; W.H.M. REEHUIS en A.H.T. HEISTERKAMP, Deel 3. Goederenrecht, in Pitlo, Het Nederlands Burgerlijk Recht, Deventer, Kluwer, 2006, 359, nr. 426; H.J. SNIJDERS en E.B. RANK-BERENSCHOT, Goederenrecht, Deventer, Kluwer, 2017, 220; A.I.M. VAN MIERLO en T. HARTLIEF (eds.); Artikel 3: 172 BW, in Sdu Commentaar Vermogensrecht, Den Haag, Sdu Uitgevers, 2015, 214; A.C. VAN SCHAICK, Kroniek van het zakenrecht (2001-2008), NTBR 2008, 45.
(4)C.J. VAN ZEBEN, Parlementaire geschiedenis van het Nieuwe Burgerlijk Wetboek, Boek 3, Vermogensrecht in het algemeen, Kluwer, Deventer, 1981, 592.
(5)ECLI:NL:RBASS:2005:AT8500.
(6)H.H. LAMMERS, Artikel 3: 172 BW, aantekening 5, in Groene Serie Vermogensrecht, 2017; S. PERRICK, Vermogensrecht algemeen, Deel V, Gemeenschap, in Mr. C. ASSERS, Handleiding tot de beoefening van het Nederlands burgerlijk recht, Deventer, Kluwer, 2015, 15; A.I.M. VAN MIERLO en T. HARTLIEF (eds.), Artikel 3:172 BW, in Sdu Commentaar Vermogensrecht, Den Haag, Sdu Uitgevers, 2015, 215.
(7)Zie o.a. Hof Den Haag 10 april 2013, ECLI:NL:GHDHA:2013:BZ9681; Hof Den Haag 15 oktober 2013, ECLI:NL:GHDHA:2013:3989; Hof 's Hertogenbosch 10 juni 2014, ECLI:NL:GHSE:2014:1731.
(8)Zie reeds in een arrest van 11 maart 1977 van de Hoge Raad (ECLI:NL:PHR:1977:AC1879).
(9)Hof Arnhem-Leeuwarden 31 maart 2015, ECLI:NL:GMARL:2015:2336; Hof Den Haag 8 september 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:3194; Hof Den Haag 24 maart 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:1669; voor een bespreking van die rechtspraak: zie H.H. LAMMERS, Artikel 3: 172 BW, aantekening 5, in Groene Serie Vermogensrecht, 2017.
(10)M.J.A. VAN MOURIK en L.C.A. VERSTAPPEN, Handboek Nederlands vermogensrecht bij scheiding, Deventer, Kluwer, 2006, 221; M.J.A. VAN MOURIK en F.W.J.M. SCHOLS, Gemeenschap, Deventer, Kluwer, 2015, 28.
(11)Het middel heeft op correcte wijze de schending van de verwijzingsregels aangevoerd. Volgens vaste rechtspraak van het Hof wordt de schending van de vreemde wet immers enkel via de verwijzingsregel bij het Hof aanhangig gemaakt. Het middel dat enkel schending aanvoert van het vreemd recht, maar geen schenking van de verwijzingsregel, is niet ontvankelijk (Cass. 20 april 2009, AR C.08.0465.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090420.2, AC 2009, nr. 259; Cass. 4 november 2010, AR C.07.0191.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101104.3, AC 2010, nr. 653. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190628.5 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190628.5 citeert: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090112.4 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090420.2 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091221.8 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101104.3 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130318.5 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130328.10 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151029.3 ECLI:NL:GHDHA:2013:3989 ECLI:NL:GHDHA:2013:BZ9681 ECLI:NL:GHDHA:2015:1669 ECLI:NL:GHDHA:2015:3194 ECLI:NL:GHSE:2014:1731 ECLI:NL:GMARL:2015:2336 ECLI:NL:PHR:1977:AC1879 ECLI:NL:RBASS:2005:AT8500 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div