← België

ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190903.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 03 september 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190903.5 Rolnummer: P.19.0911.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2019-09-05 Raadplegingen: 555 - laatst gezien 2026-06-29 08:24 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190903.5 Fiche Een verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling is een geschrift waaraan rechtsgevolgen worden verbonden, zodat derhalve moet vaststaan dat het verzoek uitgaat van de verzoeker of zijn raadsman; die zekerheid vereist evenwel niet dat het verzoekschrift een originele handtekening bevat van de verzoeker of zijn raadsman en kan ook worden bereikt indien het geschrift met een aan de verzoeker of zijn raadsman toegeschreven handtekening wordt gefaxt en niet wordt betwist dat de handtekening wel degelijk die is van de verzoeker of zijn raadsman

(1).
(1)Zie concl. "in hoofdzaak" OM. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - VOORLOPIGE INVRIJHEIDSTELLING Vrije woorden: Verzoekschrift - Handtekening van de verzoeker of zijn raadsman - Vorm - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Wet betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 27, § 3, eerste lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Tekst van de conclusie P.19.0911.N Advocaat-generaal Luc Decreus heeft in hoofdzaak gezegd: 1. Het cassatieberoep van 19 augustus 2019 is gericht tegen het arrest van 16 augustus 2019 van de Gentse kamer van inbeschuldigingstelling dat het verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling van 14 augustus 2019 van eiser niet-ontvankelijk verklaarde bij gebrek aan originele handtekening op het verzoekschrift dat op laatstgenoemde datum per fax aan de griffie van de kamer van inbeschuldigingstelling werd toegezonden en ontvangen
(1). Eiser voert in zijn memorie tot cassatie van 26 augustus 2019 in een enig middel aan dat een dergelijk verzoekschrift per fax kan worden overgemaakt aan de bevoegde rechtsinstantie
(2)zodat de beslissing die het verzoekschrift niet-ontvankelijk verklaart omdat het op die wijze werd overgemaakt, waardoor de originele handtekening niet kan worden nagegaan, strijdig is met artikel 27 en 21, §2 Wet Voorlopige Hechtenis. 2. Omdat een verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling een handeling is waardoor een bijzondere procedure wordt in werking gesteld moet het worden ondertekend door de beklaagde of zijn raadsman, ingediend ter griffie van het gerecht dat bevoegd is om uitspraak te doen en wordt het daar ingeschreven in een bijzonder register zonder dat het kan worden ingediend op een terechtzitting van het betreffende gerecht of verstuurd naar de voorzitter van het gerecht
(3). 3. Voor wat betreft de wijze van toezending per fax is er een constante rechtspraak van het Hof dat er geen acht wordt geslagen op de memorie die per fax ter griffie van het Hof werd ontvangen
(4)net zo min als op een aldus overgemaakt geschrift
(5)of akte van afstand
(6). Het Hof oordeelde dat dergelijke faxen respectievelijk slechts een reproductie zijn
(7)en dat zij geen originele handtekening
(8)noch authentieke handtekening
(9)bevatten. De per fax ontvangen memorie kan wegens de technische eigenschappen van de fax geen originele handtekening bevatten
(10). Ook een per fax overgemaakte vordering tot wraking, zonder dat het dossier een origineel bevatte, werd onlangs nog door het Hof niet aanvaard omdat deze fax slechts bekleed is met de facsimile
(11)van de door de wet vereiste handtekening
(12). Nog liet volgens het Hof vooralsnog geen wettelijke bepaling toe dat een memorie per fax kan worden neergelegd
(13)terwijl het Wetboek van Strafvordering evenmin deze wijze van indiening voorziet
(14). Bij arrest van 27 september 2011 (waarnaar het bestreden arrest verwijst) besliste het Hof dat een verzoekschrift aan de onderzoeksrechter om bijkomende onderzoekshandelingen te verrichten overeenkomstig artikel 61quinquies Wetboek van Strafvordering een geschrift is "waaraan rechtsgevolgen worden verbonden door het aanbrengen van de handtekening van de verzoeker. De handtekening heeft een beveiligingsfunctie: het manuele, eigenhandige, creatieve en continue karakter van de handtekening die rechtstreeks op het geschrift wordt aangebracht biedt zekerheid omtrent de identiteit van de ondertekenaar. Een afdruk van een handtekening via fax is geen rechtsgeldige handtekening"
(15). In twee arresten van 12 februari 2016 in burgerlijke zaken oordeelde het Hof evenwel dat een (ondertekende) conclusie per fax ter griffie mag worden neergelegd binnen de vastgestelde conclusietermijn en dat zij binnen die termijn moet verzonden, en niet medegedeeld, worden aan de tegenpartij
(16). Een conclusie mag per fax ter griffie worden neergelegd binnen de vastgestelde conclusietermijn
(17). In de bedoelde casussen werd wel telkenmale na het faxen de originele conclusie neergelegd, zij het buiten de wettelijke termijn
(18). Bij arrest van 4 april 2017 oordeelde het Hof dat de zekerheid die moet bestaan over het gegeven dat de in het door artikel 204 Wetboek van Strafvordering bedoelde geschrift (verzoekschrift of grievenformulier hoger beroep) vermelde nauwkeurige grieven uitgaan van de appellant of zijn raadsman niet vereist dat dit geschrift een originele handtekening bevat van de appellant of zijn raadsman maar dat die zekerheid ook kan worden bereikt indien het geschrift met een aan de appellant of zijn raadsman toegeschreven handtekening tijdig wordt gefaxt en niet wordt betwist dat de handtekening wel degelijk die is van de appellant of zijn raadsman
(19). Het Hof besliste ook bij arrest van 14 november 2017 dat uit artikel 152, §1, tweede lid, laatste zin, Wetboek van Strafvordering en uit artikel 743, derde lid, Gerechtelijk Wetboek volgt dat de rechter een ter griffie neergelegde conclusie slechts in aanmerking moet nemen indien de partij welke die conclusie heeft ingediend, zich die heeft eigen gemaakt door ze ten laatste op de rechtszitting hetzij zelf te ondertekenen, of de rechter op grond van andere gegevens vaststelt dat de conclusie van die partij uitgaat
(20). In deze zaak werden op vraag van de eisers op de inleidingszitting van het hof van beroep conclusietermijnen bepaald waarna zij hun niet ondertekende conclusies tijdig en elektronisch overmaakten aan de griffie via het e-Deposit-systeem. 4. In de rechtsleer vond men achtereenvolgens dat dit laatste arrest getuigde van een "bijzonder formalisme" dat onbestaand is in het burgerlijk procesrecht
(21). Ook achtte men het arrest opmerkelijk onder meer omdat de raadsman het door de overheid aangeboden systeem van e-Deposit had gebruikt om zijn conclusie digitaal neer te leggen, weliswaar zonder het document eerst te printen, te ondertekenen en vervolgens in te scannen waarbij de vraag werd gesteld of die werkwijze het Hof wel zou overtuigd hebben gezien de rechtspraak van het Hof en meer bepaald het supra vermeld arrest van 27 september 2011 waarbij het Hof had besloten dat een afdruk van een handtekening via fax geen rechtsgeldige handtekening is
(22). Verder bestempelde men het als "paradoxaal" om enerzijds de geldigheid van conclusies neergelegd via e-Deposit te weigeren en anderzijds met de supra genoemde beide arresten van 12 februari 2016 gefaxte conclusies, bekleed met een handgeschreven, gemakkelijk na te bootsen, handtekening toe te laten
(23). Er werd ook voorgehouden dat het bezorgen van de akte per telefax de identificatie van de auteur aan de hand van de vermeldingen en de handtekening in beginsel evenzeer toelaat als de neerlegging van een origineel en de afsluitingsfunctie niet noodzakelijk vereist dat de handtekening eigenhandig en in handschrift wordt geplaatst en ook niet dat de akte ook in origineel wordt neergelegd
(24). Niettemin werd benadrukt dat de telefax of telekopie hoe dan ook een heel bijzondere vorm van kopie is, en dus geen origineel, nl. een kopie die eerst door de verzending van het origineel wordt geproduceerd, die vatbaar is voor manipulatie en dit des te meer wanneer de fax per computer wordt ontvangen en niet via een toestel dat rechtstreeks telefaxen uitprint waarbij de fax niet onder de definitie van de elektronische handtekening valt. En verder: "Bij de fax is er weliswaar geen openbaar ambtenaar of andere door de wet aangeduide derde die de conformiteit van het verzonden document met het verzonden document certificeert, maar het is wel met redelijke zekerheid bewijsbaar dat de kopie door de verzender werd gemaakt én voor de ontvanger werd bestemd. Wanneer de fax is verzonden door de ondertekenaar ervan, dient de uitwendige bewijskracht van de fax dan ook anders te worden beoordeeld dan bij een andere soort kopie: de ondertekenaar-afzender kan de gelijkstelling van de fax met het/een origineel enkel gemotiveerd betwisten. Hij zal moeten bewijzen dat de fax na de ontvangst werd gemanipuleerd dan wel aannemelijk maken dat hij voor de verzending werd vervalst"
(25). 5. Het dient te worden benadrukt dat de handtekening als juridische figuur een fundamentele rol speelt in het Belgische recht: het is de handtekening die een geschrift tot een akte maakt die de belangrijkste documentatievorm is van rechtsfeiten en rechtshandelingen
(26). Het begrip "handtekening" werd lange tijd nooit door de wetgever gedefinieerd. Het werd door de rechtspraak en rechtsleer traditioneel begrepen als het met de hand plaatsen van zijn naam op een papier om zich te identificeren en zich met de inhoud van het ondertekende stuk akkoord te verklaren
(27). In artikel 3 van de Wet van 13 april 2019 tot invoering van een Burgerlijk Wetboek en tot invoeging van boek 8 "Bewijs" in dat Wetboek wordt het begrip handtekening evenwel gedefinieerd als: "een teken of een opeenvolging van tekens, aangebracht met de hand, elektronisch of via ieder ander procedé, waarmee een persoon zich identificeert en waaruit zijn wilsuiting blijkt"
(28). Een schriftelijke handtekening heeft diverse functies: de identificatie en wilsuiting van de ondertekenaar, de beveiliging van informatie en een ceremoniële functie waarbij de beveiligingsfunctie zekerheid geeft over de identiteit van de ondertekenaar en het feit dat het teken niet bedrieglijk door een derde werd geplaatst. Precies het rechtstreeks plaatsen van de handtekening laat toe het origineel van de kopie te onderscheiden zodat het moeilijker wordt om de handtekening en het document ongemerkt te manipuleren
(29). 6. De vraag die zich hier in dit specifieke geval stelt is of de handtekening die het gefaxte verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling bevat kan of mag worden aanzien als een rechtsgeldige handtekening. Ik meen van niet. In de hierboven weergegeven rechtspraak en rechtsleer werd de gefaxte handtekening hoe dan ook beschouwd als een kopie, reproductie of facsimile van de originele handtekening en werd terecht gewezen op de rechtsgevolgen verbonden door het aanbrengen van de originele handtekening van de verzoeker en de beveiligingsfunctie daarvan. Ook is het niet onbelangrijk opnieuw te benadrukken dat het verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling een handeling is die een bijzondere procedure opstart door indiening ter griffie zonder dat de griffier een voorafgaande akte opstelt of de conformiteit van de gefaxte handtekening met het origineel certificeert of kan certificeren. Verder is er nog steeds geen sprake van een elektronisch dossier in het strafrecht waarin de elektronische handtekening ten volle tot zijn nut komt en kan uit het voorgaande niet worden afgeleid dat een gefaxte handtekening het equivalent is of de beveiligingsfunctie heeft van een originele handgeschreven aangebrachte handtekening of een elektronische handtekening. Ook verbaast het dat men alleen het gebruik van een handgeschreven handtekening blijft ervaren als formalistisch daar waar de zeer complexe elektronische technieken om de informatiebeveiliging en de handtekening te realiseren en uit te voeren, ter evenaring van de schriftelijke werkwijze, veel omslachtiger zijn en gericht op een totale beveiligde proceseconomie en -omgeving voor àlle stukken van de procedure (door creatie en gebruik van o.m. hardware, software, codes, wachtwoorden, identiteitsbewijzen, enz.). Daarnaast houdt de rechtspraak die stelt dat een gewoon gefaxt ondertekend geschrift of telekopie rechtsgeldige zekerheden biedt indien niet wordt betwist dat de handtekening wel degelijk die van de ondertekenaar is, het gevaar in dat een vorm van consensualisme tussen procespartijen en rechter groeit die het gebruik van authentieke procedurestukken mét de schriftelijke of elektronische beveiligingsfuncies gaandeweg zou kunnen gaan vervangen of overbodig maken. Volgens de heersende rechtspraak en de rechtsleer wordt een rechtsgeldige handtekening met de hand gesteld en dit volgens de rechtspraak van het Hof; slechts in uitzonderlijke gevallen kan een handtekening door een naamstempel worden vervangen. Daarbij wordt de handtekening ook rechtstreeks op het geschrift aangebracht wat betekent dat een afdruk van een handtekening via carbon, fax of fotokopie geen rechtsgeldige handtekening naar Belgisch recht is
(30). Ik concludeer dan ook tot de verwerping van het cassatieberoep. _____________________
(1)Ter motivering citeerde het bestreden arrest uit Cass. 27 september 2011, AR P.11.1115.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110927.5, AC 2011, nr. 503, ro 6-7, met concl. van eerste advocaat-generaal M. DE SWAEF.
(2)Eiser verwijst daarvoor naar Brussel 13 september 1999, AJT 1999-2000, 334.
(3)R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, 5de volledig herziene uitgave, Antwerpen, Maklu, 2012, 1059, nr. 2104.
(4)Cass. 15 februari 2012, AR P.11.1832.F ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120215.3, AC 2012, nr. 107; Cass. 28 november 2006, AR P.06.0930.N, arrest niet gepubliceerd; Cass. 28 oktober 2003, AR P.03.1068.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031028.10, AC 2003, nr. 537; Cass. 3 juni 2003, AR P.02.1664.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030603.7, AC 2003, nr. 330; Cass. 15 oktober 2002, AR P.02.0887.N, arrest niet gepubliceerd; M. REGOUT, "Enkele recente ontwikkelingen in de cassatieprocedure in burgerlijke zaken", Hof van Cassatie van België, Jaarverslag 2016,
(198)205; D. VANDERMEERSCH en M. NOLET DE BRAUWERE, "De rechtspraak van het Hof van Cassatie naar aanleiding van de hervormingen van de cassatieprocedure in strafzaken", Hof van Cassatie van België, Jaarverslag 2016,
(166)185.
(5)Cass. 17 mei 2016, AR P.16.0175.N, arrest niet gepubliceerd; Cass. 20 januari 2015, AR P.13.2065.N, arrest niet gepubliceerd; Cass. 20 mei 2014, AR P.12.2059.N, arrest niet gepubliceerd; Cass. 3 december 2013, AR P.13.1426.N, arrest niet gepubliceerd; Cass. 15 januari 2013, AR P.12.1589.N, arrest niet gepubliceerd; Cass. 30 oktober 2012, AR P.12.0423.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121030.8, AC 2012, nr. 574.
(6)Cass. 1 maart 2016, AR P.15.1708.N; Cass. 3 december 2013, AR P.13.0135.N; Cass. 11 juni 2013, AR P.13.0897.N; Cass. 28 mei 2013, AR P.12.1163.N; Cass. 3 juni 2008, AR P.08.0143.N, arresten niet gebubliceerd; Cass. 29 mei 2002, AR P.02.220.F ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020529.2, AC 2002, nr. 325; Cass. 19 februari 1992, AR 9752, AC 1992, nr. 323.
(7)Cass. 16 januari 1990, AR 3444, AC 1990, nr. 305.
(8)Cass. 21 april 2015, AR P.14.1718.N-P.14.1720.N, arrest niet gepubliceerd; Cass. 8 mei 2012, AR P.11.1908.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120508.9, AC 2012, nr. 282.
(9)Cass. 1 maart 2016, AR P.15.1708.N; Cass. 3 december 2013, AR P.13.0135.N; Cass. 11 juni 2013, AR P.13.0897.N; Cass. 28 mei 2013, AR P.12.1163.N; Cass. 3 juni 2008, AR P.08.0143.N, arresten niet gepubliceerd; Cass. 29 mei 2002, AR P.02.220.F ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020529.2, AC 2002, nr. 325; Cass. 19 februari 1992, AR 9752, AC 1992, nr. 323.
(10)Cass. 8 mei 2012, AR P.11.1831.N, arrest niet gepubliceerd.
(11)Volgens VAN DALE woordenboek, 14de uitgave, 2005: een fotografische reproductie, een nauwkeurige nabootsing of reproductie, in 't bijz. van handtekeningen, handschriften, prenten enz.
(12)Cass. 20 juni 2019, AR C.19.0266.F, arrest niet gepubliceerd.
(13)Cass. 29 april 2008, AR P.08.0496.N, arrest niet gepubliceerd.; Cass. 20 maart 2007, AR P.07.0283.N, arrest niet gepubliceerd.
(14)Cass. 18 november 2008, AR P.08.1086.N, arrest niet gepubliceerd.
(15)Cass. 27 september 2011, AR P.11.1115.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110927.5, AC 2011, nr. 503, ro 6-7, met concl. van eerste advocaat-generaal M. DE SWAEF.
(16)Cass. 12 februari 2016, AR C.15.0301.F ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160212.2, AC 2016, nr. 102 , met concl. van eerste advocaat-generaal A. HENKES; D. SCHEERS en P. THIRIAR, "De moeilijke weg naar een elektronisch dossier. Nieuwe procedureregels vanaf 1 januari 2013", RW 2012-13,
(1237)1239.
(17)Cass. 12 februari 2016, AR C.14.0414.F ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160212.1, AC 2016, nr. 101, met concl. van eerste advocaat-generaal A. HENKES.
(18)M. REGOUT, "Enkele recente ontwikkelingen in de cassatieprocedure in burgerlijke zaken", Hof van Cassatie van België, Jaarverslag 2016,
(198)205.
(19)Cass. 4 april 2017, AR P.17.0023.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170404.2, AC 2017, nr. 245, met nota ondertekend door A.W.
(20)Cass. 14 november 2017, AR P.17.0075.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171114.3, AC 2017, nr. 640, met concl. in hoofdzaak OM; D. MOUGENOT, "Conclusions déposées au greffe par voie électronique: la Cour de cassation souffle le chaud et le froid" (opmerkingen bij Cass. 14 november 2017), JT 2018, 504-507; J. VAN DRIESSCHE, "Cassatie struikelt over het zich toe-eigenen van conclusies neergelegd via e-deposit", Juristenkrant, 2018, afl. 367, 11; B. MEGANCK, "Om te besluiten: over conclusies en bindende en niet-bindende conclusietermijnen" (noot onder Cass. 19 september 2017), T.Strafr. 2018/1,
(30)38-39.
(21)P. THIRIAR, "Conclusies en conclusietermijnen in strafzaken na Potpourri II", NC 2018, 114-115.
(22)J. VAN DRIESSCHE, "Cassatie struikelt over het zich toe-eigenen van conclusies neergelegd via e-deposit", Juristenkrant, 2018, afl. 367, 11.
(23)D. MOUGENOT, "Conclusions déposées au greffe par voie électronique: la Cour de cassation souffle le chaud et le froid" (opmerkingen bij Cass. 14 november 2017), JT 2018,
(504)507.
(24)M.L. STORME en M.E. STORME, "De telefax in het procesrecht" in X., Liber Amicorum Marcel Briers, Gent, 1993, Mys & Breesch,
(377)383-384; D. SCHEERS en P. THIRIAR, "De moeilijke weg naar een elektronisch dossier. Nieuwe procedureregels vanaf 1 januari 2013", RW 2012-13,
(1237)1239.
(25)M.E. STORME, "De invoering van de elektronische handtekening in ons bewijsrecht - een inkadering van en commentaar bij de nieuwe wetsbepalingen", RW 2000-2001,
(1505)1513.
(26)P. VAN EECKE, "De elektronische handtekening in het recht", TBH 2009/4,
(322)323, nr. 2.
(27)P. VAN EECKE, "De elektronische handtekening in het recht", TBH 2009/4,
(322)326.
(28)BS 14 mei 2019, 46353-46365; voor de inwerkingtreding van deze wet: zie artikel 75 (BS 14 mei 2019, 46365).
(29)P. VAN EECKE, "De elektronische handtekening in het recht", TBH 2009/4,
(322)330.
(30)P. VAN EECKE, "De elektronische handtekening in het recht", TBH 2009/4,
(322)326-327, nr. 6. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190903.5 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190903.5 citeert: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020529.2 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030603.7 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031028.10 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110927.5 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120215.3 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120508.9 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121030.8 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160212.1 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160212.2 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170404.2 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171114.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.