← België

ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190905.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 05 september 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190905.1 Rolnummer: C.18.0248.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Unierecht - Internationaal privaatrecht Invoerdatum: 2019-10-01 Raadplegingen: 306 - laatst gezien 2026-06-28 06:32 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190905.1 Fiches 1 - 2 Een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat kan in een andere lidstaat worden opgeroepen, ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad voor het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen; als plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan, moet, volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, worden begrepen hetzij de plaats van de veroorzakende gebeurtenis die aan de schade ten grondslag ligt, hetzij de plaats waar de schade is ingetreden; met het begrip "plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan" wordt niet gedoeld op de plaats waar de verzoeker woont enkel op grond dat deze aldaar financiële schade heeft geleden die voortvloeit uit het in een andere verdragsluitende staat ingetreden en door hem geleden verlies van onderdelen van zijn vermogen; daarentegen is de bevoegdheid van de gerechten van de woonplaats van de verzoeker gerechtigd voor zover deze woonplaats inderdaad de plaats is van de schadebrengende gebeurtenis of het intreden van de schade

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Beginsels Vrije woorden: Artikel 5.3 EEX-verordening - Gerecht van de plaats waar het schade brengende feit zich heeft voorgedaan - Hof van Justitie van de Europese Unie - Begrip Wettelijke bepalingen: Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken - 22-12-2000 - Art. 5.3 Thesaurus CAS: BEVOEGDHEID EN AANLEG - INTERNATIONALE BEVOEGDHEID Vrije woorden: Artikel 5.3 EEX-verordening - Gerecht van de plaats waar het schade brengende feit zich heeft voorgedaan - Hof van Justitie van de Europese Unie - Begrip Wettelijke bepalingen: Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken - 22-12-2000 - Art. 5.3 Fiche 3 Krachtens artikel 96, 2°, Wetboek IPR zijn de Belgische rechters bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen aangaande verbintenissen, naast de gevallen voorzien in de algemene bepalingen van deze wet, betreffende een verbintenis voortvloeiend uit een onrechtmatige daad, a) indien de schadelijke handeling zich geheel of gedeeltelijk in België heeft voorgedaan of dreigt zich te zullen voordoen of b) indien en voor zover de schade zich in België heeft voorgedaan of dreigt zich te zullen voordoen; uit voormeld artikel en de wetsgeschiedenis blijkt dat deze bepaling gebaseerd is op de interpretatieve rechtspraak van het Hof van Justitie bij artikel 5.3 EEX-Verordening, thans artikel 7.2 Brussel I bis Verordening
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BEVOEGDHEID EN AANLEG - INTERNATIONALE BEVOEGDHEID Vrije woorden: Artikel 96, 2°, Wetboek IPR - Vorderingen aangaande verbintenissen - Bevoegdheid van de Belgische rechters - Voorwaarden - Interpretatieve rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie - Artikel 5.3 EEX-verordening - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet 16 juli 2004 houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht - 16-07-2004 - Art. 96, 2° - 31 ELI link Pub nr 2004009511 Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken - 22-12-2000 - Art. 5.3 Annotaties Publicaties: Revue de Droit Commercial Belge [R.D.C.] - 2021, n° 1, p. 59-
  1. - DERVAL, Thomas; Note'La localisation du préjudice financier: application de la jurisprudence européenne par la Cour de cassation' Tekst van de conclusie C.18.0248.N Conclusie van advocaat-generaal Van Ingelgem: I. SITUERING
  2. De betwisting kadert (samengevat) in de vordering van de (talrijke) zich gedupeerd voelende beleggers (eisers) m.b.t. beleggingsfondsen, waarvan de dekkingswaarde bestond uit Amerikaanse levensverzekeringen en tegenverzekeringen, en waaromtrent zij de verweerders verwijten, nagelaten te hebben de premies te betalen en de dekkingswaarden niet naar behoren te hebben beheerd, waardoor aanzienlijke schade werd geleden.
  3. In het raam van deze vordering tot betaling van een schadevergoeding uit hoofde van de aansprakelijkheid van verweerders wegens slecht beheer van een beleggingsproduct, oordeelde het bestreden arrest, in navolging van de eerste rechter, zonder rechtsmacht te zijn.
  4. Tegen deze beslissing omtrent de rechtsvraag over de rechtsmacht van de Belgische rechtbanken, voeren eisers twee middelen tot cassatie aan. II. BESPREKING VAN DE MIDDELEN.
  5. In het eerste onderdeel van het eerste middel voeren eisers aan dat t.a.v. de verweerders met woonplaats (zetel) in de Europese Unie voor de bepaling van de internationale rechtsmacht van de Belgische rechter, de Verordening nr. 44/2001 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (afgekort Brussel I - verordening) gold, en dat er toepassing diende te worden gemaakt van de bijzondere bevoegdheidsregel, vervat in artikel 5.3, waaruit volgt dat de verweerder, naar keuze van de verzoeker, kan worden opgeroepen voor de rechter, hetzij van de plaats waar de schade is ingetreden, hetzij van de plaats van de veroorzakende gebeurtenis die aan de schade ten grondslag ligt. 1.
  6. In zoverre het onderdeel focust op de elementen die als aanknopingspunt ter bepaling van de internationale rechtsmacht van de rechter kunnen gelden, zetten eisers in dat kader het onderscheid uiteen tussen de locus dammi of "Erfolgsort", zijnde de plaats waar de schade is ingetreden, en de locus acti of "Handlungsort", zijnde de plaats van de veroorzakende gebeurtenis die aan de schade ten grondslag ligt. 1.
  7. In casu voeren eisers aan dat zij in hun conclusies als plaats van het "Handlungsort" de plaats aanvoerden waar de belangen van de beleggers door het fonds en zijn beheerders dienden te worden geïdentificeerd, met name daar waar de beleggingen in België werden beheerd. Die plaats was volgens hen gelegen op de zetel van de maatschap (Quality Investments Collectief), die zij daartoe hadden opgericht en waarin hij zich verenigd hadden, en ondergeschikt op de woonplaats van de individuele beleggers. 1.
  8. In zover het bestreden arrest bij de beoordeling van zijn internationale rechtsmacht op grond van artikel 5.3 van de Brussel I-verordening enkel rekening houdt met de plaats waar feitelijk werd gehandeld, maar niet waar de schadeveroorzaker diende te handelen bij een aangevoerde fout die bestaat uit een niet-handelen, nl. het niet beheren van de dekkingswaarde in het uitsluitend belang van de beleggers, kon het volgens eiser niet wettig oordelen dat het geen rechtsmacht had op basis van de voornoemde bepaling. 1.
  9. Uit de vaststelling dat de beleggingen van de "maten" niet op de zetel van de maatschap QIC beheerd werden, kon het arrest volgens hen bijgevolg niet naar recht afleiden dat het "niet beheren van de dekkingswaarden in het uitsluitende belang van de beleggers" niet diende plaats te vinden in België en bijgevolg de Belgische rechter niet bevoegd was. 1.
  10. In het verlengde van voormelde grieven besluiten eisers dat uit dit alles volgt dat het bestreden arrest nalaat om, met het oog op de bepaling van het zgn. "Handlungsort", de plaats vast te stellen waar de beleggingen dienden te worden beheerd, wat in deze vereist was om zijn internationale rechtsmacht te bepalen op grond van artikel 5.3 van de Brussel I-verordening, zodat het zijn beslissing niet naar recht zou verantwoorden en artikel 5.3 zou schenden. 1.
  11. In het raam van de m.b.t. de in dit eerste onderdeel aangevoerde schending van artikel 5.3 van de Brussel I-verordening, dient te worden opgemerkt dat het Hof van Justitie van de Europese Unie in vaste rechtspraak oordeelt dat als "plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan", in de zin van artikel 5.3 EEX-Verordening c.q. Brussel I-Verordening, moet worden begrepen hetzij de plaats van de veroorzakende gebeurtenis die aan de schade ten grondslag ligt (d.i. de fout), hetzij de plaats waar de schade is ingetreden
(1). 1.7. De eisers (beleggers) voeren in dat kader als fout aan dat de verweerders het beleggingsfonds gebrekkig hebben beheerd, met name dat zij hebben nagelaten te handelen in het uitsluitende belang van de beleggers. Aan de verweerders wordt aldus een nalatigheid door niet-handelen verweten, nalatigheden die volgens de resultaten ook een onrechtmatige daad in de zin van artikel 5.3 EEX-Verordening kunnen vormen
(2). Het Hof van Justitie heeft in een arrest van 18 juli 2013
(3)in die zin trouwens geoordeeld dat voor vorderingen die ertoe strekken een bestuurslid en een aandeelhouder van een vennootschap ten gevolge van de niet-nakoming van hun wettelijke verplichtingen m.b.t. het toezicht op de financiële situatie van de vennootschap, de (in de zin van artikel 5.3 van verordening nr. 44/2001) "plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen, zich bevindt in de plaats waarmee de door die vennootschap verrichte werkzaamheden en de financiële situatie met betrekking tot die werkzaamheden verband houden"(r.o. 55). 1.8. De rechtsleer leidt uit dit arrest af dat in geval van een onrechtmatige daad door nalatigheid (omissie) in plaats van verkeerdelijk handelen (commissie) de locus delecti commisi in de zin van artikel 5.3 EEX-Verordening, de plaats is waar de handeling had moeten plaatshebben had men de verbintenis in onrechtmatige daad willen vermijden
(4). Volgens diezelfde rechtsleer is dit een feitelijke afweging die de feitenrechter dus soeverein moet uitvoeren. Veelal is de plaats waar gehandeld diende te worden om de verbintenis uit onrechtmatige daad te vermijden dan ook de plaats waar de vennootschap haar activiteiten ontplooit of haar beslissingen neemt
(5). In het arrest ÖFAB van het Hof van Justitie, waarvan hoger sprake, is de locus delicti commissi bijvoorbeeld daar waar het toezicht op de vennootschap had moeten worden uitgeoefend. 1.9. In een arrest van 28 januari 2015 oordeelde het Hof van Justitie
(6)bovendien, betreffende een beweerde niet-nakoming door een bank van haar wettelijke verplichtingen op het gebied van het prospectus en informatie van de belegger, dat het handelen of het nalaten dat een dergelijke niet-nakoming kan opleveren niet kan worden gesitueerd in de woonplaats van de beweerdelijk benadeelde belegger, daar niets in het dossier erop wijst dat de besluitvorming voor de door deze bank voorgestelde investeringsmodaliteiten en voor de inhoud van de desbetreffende prospectussen heeft plaatsgevonden in de lidstaat waar die belegger woont, noch dat die prospectussen oorspronkelijk elders dan in de lidstaat van vestiging van genoemde bank zijn opgesteld en uitgegeven (r.o. 53). Het Hof van Justitie lijkt bij een beweerd foutief niet-handelen aldus opnieuw de plaats in aanmerking te nemen waar de handeling had moeten plaatsvinden indien men de verbintenis uit onrechtmatige daad had willen verhinderen, nl. daar waar de bank haar informatieplichten jegens de beleggers had moeten nakomen. 1.
  1. Wanneer nu in deze het onderdeel aanvoert dat de appelrechters enkel rekening houden met de plaats waar "feitelijk" werd gehandeld, maar niet met de plaats waar de schadeveroorzaker diende te handelen bij een aangevoerde fout die bestaat uit een nalatigheid, en het met name opwerpt dat uit de feitelijke vaststelling dat de verweerders hun professionele activiteiten waarin hen een fout wordt verweten, uitvoerden buiten België, niet wettig kon worden afgeleid of de aangevoerde onrechtmatige daad - die bestond uit een niet-handelen - al dan niet in België had plaatsgevonden, in de mate dat hieruit volgens het onderdeel niet kon worden afgeleid dat de plaats waar de verweerders dienden te handelen indien zij een verbintenis uit onrechtmatige daad hadden willen vermijden, niet in België was gelegen, komt het mij evenwel voor dat - rekening houdend met de hierboven toegelichte rechtspraak en rechtsleer - het onderdeel op een verkeerde lezing lijkt te berusten en aldus feitelijke grondslag mist. 1.
  2. Met overname van de redenen van de eerste rechter oordelen de appelrechters immers dat 1) de fout, in casu de nalatigheid bestaande in een gebrekkig beheer van de Amerikaanse levensverzekeringen, gelegen is in de professionele activiteiten van de verweerders, en 2) deze professionele activiteiten zich buiten België situeerden. Hiermee geven zij m.i. aldus eenduidig te kennen dat de handeling die had moeten worden verricht wilde men een verbintenis uit onrechtmatige daad vermijden (d.i. een correct beheer van de Amerikaanse verzekeringen) niet in België had moeten plaatsvinden.
  3. Om dezelfde reden mist ook het derde onderdeel van het eerste middel m.i. feitelijke grondslag, waar dit een motiveringsgebrek aanvoert in zover het bestreden arrest overweegt dat de beweerde tekortkomingen niets met België (het Belgisch grondgebied) te maken hebben, nu ze hetzij in Ierland, hetzij het Verenigd Koninkrijk of de Verenigde Staten van Amerika zouden plaatsgevonden hebben, en het daaruit afleidt dat het "Handlungsort" niet in België gelegen is, zodat de aangevochten beslissing steunt op vage en onnauwkeurige redenen en aldus niet regelmatig zou zijn gemotiveerd, nu ze de uitoefening door uw Hof van zijn wettigheidstoezicht onmogelijk maakt. Met de hierboven door de appelrechters vermelde redengeving kan het Hof m.i. aldus immers wel degelijk zijn wettigheidstoezicht uitoefenen en nagaan waarom zij oordelen dat de beweerde fout, bestaande in een niet-handelen, buiten België gesitueerd moet worden.
  4. In het tweede onderdeel van het eerste middel voeren eisers aan dat de door hen geleden schade bestaat uit de aantasting van de vordering waarover zij ten aanzien van de beheerder van de beleggingsfondsen beschikken, met als voorwerp de opbrengsten van het beheer van de dekkingswaarden van die fondsen (nl. de Amerikaanse levensverzekeringen). Eisers gaan ervan uit dat zij t.g.v. de waardevermindering van de Amerikaanse verzekeringspolissen immers verlies hebben geleden en geen aanspraak meer kunnen maken op de voordelen van de resultaten van het beheer van de fondsen. Volgens eisers vormt dit rechtstreekse vermogensschade die in België heeft plaatsgevonden, waar de meerderheid van de eisers wonen of gevestigd zijn en waar hun vermogen gesitueerd is. Daarom heeft de Belgische rechter volgens hen wel rechtsmacht. 3.
  5. In de context van voormelde benadering komt het mij voor dat dit onderdeel tevergeefs argumenten tracht te putten uit het reeds hoger (m.b.t. het eerste onderdeel) vernoemde arrest Kolossa van het Hof van Justitie van 28 januari
  6. In dit arrest oordeelt het Hof van Justitie uitsluitend dat de rechter van de woonplaats van de verzoeker rechtsmacht heeft, indien de woonplaats van de verzoeker de plaats is waar de schade daadwerkelijk is ingetreden (d.i. waar de schade zich rechtstreeks heeft voorgedaan). In het arrest Kolossa heeft het Hof van Justitie echter geenszins willen afwijken van zijn vorige rechtspraak (in Marinari of in Kronhofer). 3.
  7. In zijn arrest Kronhofer van 10 juni 2004
(7)oordeelde het Hof van Justitie dat "de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan" niet ook de plaats omvat waar de verzoeker woont (...) enkel op grond dat deze aldaar financiële schade heeft geleden die voortvloeit uit het in een andere verdragsluitende staat ingetreden en door hem geleden verlies van onderdelen van zijn vermogen (r.o. 21). In casu was een persoon die woonachtig was in Oostenrijk, ingegaan op een aanbod om een beleggingsrekening te openen in Duitsland en hij had naar deze rekening een bedrag overgemaakt. Hij had de investeringen dus geplaatst in Duitsland. Ten gevolge van zeer risicovolle beleggingen, was een deel van het overgemaakte bedrag evenwel verloren gegaan op zijn rekening in Duitsland. Bijgevolg had het verlies van de vermogensbestanddelen (namelijk het debiteren van de rekening) plaatsgevonden in Duitsland. De financiële gevolgen waren daarentegen voelbaar in Oostenrijk, de lidstaat waar de verzoeker woonachtig was. In dit geval was de rechtstreekse schade, namelijk het verlies van de vermogensbestanddelen, dus in een andere lidstaat ingetreden (Duitsland) dan de lidstaat van de woonplaats van de verzoeker, waar de financiële gevolgen voelbaar waren (Oostenrijk). In dat kader oordeelde het Hof van Justitie dat het uitsluitende feit dat de verzoeker financiële gevolgen ondervindt in de lidstaat van zijn woonplaats, geen voldoende aanknopingspunt vormt om deze lidstaat bevoegd te maken krachtens artikel 5.3 EEX-Verordening, wanneer het intreden van de schade zich op het grondgebied van een andere lidstaat voordoet (r.o. 20). De gerechten van de lidstaat waar de rechtstreekse schade was ingetreden, namelijk het verlies van vermogensbestanddelen, hadden bijgevolg rechtsmacht (Duitsland). 3.
  1. In het arrest C-375/13, Harald Kolossa, 28 januari 2015, verwijst het Hof van Justitie naar de principes van voormeld arrest (r.o. 48-49). In deze zaak had een consument, woonachtig in Oostenrijk, met tussenkomst van een Oostenrijkse bank geïnvesteerd in bepaalde certificaten die werden uitgegeven door een bank met vestiging in het Verenigd Koninkrijk. Bij de uitgifte van de certificaten had de Britse bank een basisprospectus verspreid, ook in Oostenrijk. De Oostenrijkse bank had de certificaten bij de Britse bank gekocht. De consument kon slechts aanspraak maken op de levering van de certificaten ter hoogte van zijn aandeel in het dekkingsfonds van de bank; de certificaten konden niet aan hem worden overgedragen. In deze zaak had de consument de investeringen dus geplaatst in de lidstaat van zijn woonplaats (Oostenrijk). Ten gevolge van een waardevermindering van de certificaten - en dus het verlies van de gelden waarmee in de certificaten was belegd - stelde de consument voor de Oostenrijkse rechter een vordering in tegen de Britse bank, waarin deze aansprakelijk werd gesteld voor het prospectus voor het certificaat en wegens niet-nakoming van wettelijke informatieverplichtingen. 3.3.
  2. Betreffende de bepaling van de plaats waar de schade is ingetreden, oordeelde het Hof van Justitie dat "de schade zich (in deze omstandigheden) voordoet op de plaats waar de belegger ze ondervindt" (r.o. 54). In dit geval was de rechtstreekse schade, namelijk het verlies van de vermogensbestanddelen ten gevolge van de nadelige belegging, in dezelfde lidstaat ingetreden als de lidstaat waar de financiële gevolgen voelbaar waren en waar de verzoeker zijn woonplaats had (nl. Oostenrijk). Het Hof van Justitie oordeelde in dat kader: "de gerechten van de woonplaats van de verzoeker zijn - uit hoofde van het intreden van de schade - bevoegd om van een dergelijke vordering kennis te nemen, onder meer wanneer die schade zich rechtstreeks voordoet op een bankrekening van die verzoeker bij een in het rechtsgebied van die gerechten gevestigde bank" (r.o. 55). In de omstandigheden van de zaak, namelijk wanneer vaststaat dat de schade, bestaande uit het verlies van vermogensbestanddelen, is ingetreden in de lidstaat van de verzoeker, doet deze schade zich - logischerwijze - rechtstreeks voor op de plaats van de bankrekening van de verzoeker zelf. Bijgevolg hebben de gerechten van de woonplaats van de verzoeker dan rechtsmacht. 3.
  3. Een ander arrest van 16 juni 2016, Universal Music International Holding BV
(8), moet opnieuw worden afgegrensd ten opzichte van het voormelde arrest Kolossa. In deze zaak was een platenmaatschappij, gevestigd in Nederland, met Tsjechische partners overeengekomen dat zij aandelen zou kopen in een andere vennootschap. Er werd een aandelenoptieovereenkomst gesloten in Tsjechië, waarin de verkoopprijs evenwel werd verveelvoudigd ten opzichte van de aanvankelijk beoogde verkoopprijs. Nadat een geschil aangaande de verkoopprijs werd voorgelegd aan een arbitragecommissie, sloten de partijen in Tsjechië een vaststellingsovereenkomst, waarin een bepaald bedrag werd vastgesteld (dat evenwel nog steeds hoger lag dan de oorspronkelijk voorziene prijs). Ter uitvoering van deze overeenkomst heeft de platenmaatschappij het vastgestelde bedrag voldaan door overschrijving ten laste van een bankrekening die zij aanhield in Nederland. De platenmaatschappij voerde aan dat zij schade had geleden wegens de te hoge koopprijs die zij had moeten betalen ten gevolge van de nalatigheid door de betrokken advocaten bij het opstellen van de overeenkomst. 3.4.
  1. Betreffende de bepaling van de plaats waar de schade was ingetreden, oordeelde het Hof van Justitie dat het verlies van de vermogensbestanddelen had plaatsgevonden in Tsjechië (r.o. 32). Aangezien de aandelenoptieovereenkomst in Tsjechië was gesloten, waren de rechten en verplichtingen van de partijen immers in die lidstaat bepaald, met inbegrip van de verplichting voor de platenmaatschappij om de aandelen aan het verhoogde bedrag te kopen. Bovendien is de schade voor de koper, de platenmaatschappij, zeker geworden ten gevolge van de vaststellingsovereenkomst, de datum waarop de daadwerkelijke verkoopprijs werd vastgesteld. Die overeenkomst was eveneens in Tsjechië gesloten (r.o. 30 en 31). Het verlies van de vermogensbestanddelen was dus reeds ingetreden ten gevolge van het akkoord dat de verzoeker had gegeven met de te hoge verkoopprijs. De enkele omstandigheid dat de platenmaatschappij, ter uitvoering van de vaststellingsovereenkomst, het schikkingsbedrag heeft voldaan door overmaking vanaf een bankrekening die zij aanhield in Nederland, kan hieraan volgens het Hof van Justitie geen afbreuk doen (r.o. 32). In deze zaak was de rechtstreekse schade, namelijk het verlies van de vermogensbestanddelen, dus in een andere lidstaat (Tsjechië) ingetreden dan de lidstaat waar de financiële gevolgen voelbaar waren en waar de verzoeker zijn woonplaats had (Nederland), net zoals in de zaak Kronhofer en anders dan in de zaak Kolossa. Bijgevolg hadden de gerechten van Tsjechië rechtsmacht. 3.4.
  2. Het Hof van Justitie verduidelijkte, met verwijzing naar de conclusie van advocaat-generaal, dat de oplossing in de zaak Kolossa werd gekozen in het bijzondere kader van de zaak die aanleiding had gegeven tot dat arrest (r.o. 37). De advocaat-generaal had in zijn conclusie opgemerkt dat er in de zaak Kolossa, in de lidstaat van de verzoeker, naast de zuivere financiële gevolgen die daar werden geleden, nog andere aanknopingspunten waren. Zo had de Britse bank de prospectus ook in Oostenrijk gepubliceerd en had de Oostenrijkse bank de certificaten gekocht (r.o. 44 en 45 van de conclusie). Het Hof van Justitie bevestigde, in lijn met zijn rechtspraak in Kronhofer, dat "zuiver financiële schade die rechtstreeks intreedt op de bankrekening van de verzoeker, zonder bijkomende omstandigheden, niet kan worden aangemerkt als een relevant aanknopingspunt uit hoofde van artikel 5, punt 3, EEX-Verordening" (r.o. 38). Het Hof van Justitie besloot: "uitsluitend in de situatie waarin de andere bijzondere omstandigheden van de zaak er eveneens toe bijdragen bevoegdheid toe te kennen aan het gerecht van de plaats waar zuiver financiële schade is ingetreden, zou dergelijke schade kunnen rechtvaardigen dat de verzoeker zijn zaak bij dit gerecht aanbrengt" (r.o. 39). 3.
  3. In een recent arrest van 12 september 2018, Löber
(9), dat betrekking heeft op dezelfde feiten als in Kolossa, bevestigt het Hof van Justitie deze redenering. Het Hof van Justitie oordeelde dat in een situatie waarin een belegger tegen een bank - die een certificaat heeft uitgegeven waarin deze belegger heeft belegd - een vordering instelt wegens aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad ten gevolge van de prospectus betreffende dit certificaat, "de gerechten van de woonplaats van deze belegger als gerechten van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan (in de zin van artikel 5.3 EEX-Verordening), bevoegd zijn om kennis te nemen van deze vordering, wanneer de beweerde schade bestaat in financiële schade die zich rechtstreeks voordoet op een bankrekening van die belegger bij een in het rechtsgebied van deze gerechten gevestigde bank en de overige specifieke omstandigheden van deze situatie eveneens bijdragen tot toekenning van bevoegdheid aan die gerechten" (r.o. 36). Het Hof van Justitie oordeelde dat die bijzondere omstandigheden voorhanden waren, nu alle betalingen betreffende de beleggingstransactie via bankrekeningen van het land van de woonplaats van de belegger (d.i. Oostenrijk) waren verricht, te weten de persoonlijke bankrekening van de belegger en de speciaal voor de uitvoering van deze transactie bestemde afwikkelingsrekeningen (r.o. 32). Daarnaast had de belegger de certificaten via de Oostenrijkse secundaire markt verkregen; was van de prospectus betreffende de certificaten kennis gegeven aan de Oostenrijkse toezichthoudende bank en had de belegger er zich in Oostenrijk toe verbonden om te beleggen, op basis van die informatie (r.o. 33). 3.
  1. Er blijkt bijgevolg dat het land waar de belegger zijn investering heeft geplaatst (dit is bv. waar de gelden op een beleggingsrekening worden gestort) en de plaats waar die investering wordt beheerd relevant zijn om uit te maken waar de belegger rechtstreeks verlies van zijn vermogensonderdelen heeft geleden. In Kronhofer werd de investering in Duitsland geplaatst en beheerd, zodat de rechtstreekse schade aldaar was ingetreden en de Duitse rechtbanken rechtsmacht hadden. In Kolossa en Löber werd de investering daarentegen geplaatst bij en mede beheerd door een bank in de lidstaat van de woonplaats van de verzoeker (Oostenrijk), zodat de schade rechtstreeks op de Oostenrijkse bankrekening van de verzoeker was ingetreden en de Oostenrijkse rechtbanken rechtsmacht hadden. 3.
  2. Op basis van bovenstaande analyse, moet worden besloten dat de zaak Kolossa in de voorliggende zaak geen precedent kan vormen. Uit de vaststellingen van de appelrechters blijkt immers dat de rechtstreekse schade, namelijk het verlies van de vermogensbestanddelen ten gevolge van het gebrekkig beheer door de verweerders van de activa van de beleggingsfondsen, zijnde de Amerikaanse levensverzekeringen, in een andere staat is ingetreden dan de staat waar de financiële gevolgen voor de eisers, als beleggers, voelbaar waren (nl. België, waar het grote merendeel van de eisers gevestigd was en hun vermogen gesitueerd was). Uit de vaststellingen van de appelrechters blijkt immers dat het verlies van de vermogensbestanddelen voor de eisers als beleggers rechtstreeks is ingetreden in de Verenigde Staten. De appelrechters stellen vast dat:
(1)de eisers hun investering in de beleggingsfondsen in de Verenigde Staten geplaatst hebben (door 50.000 euro op de rekening van de Amerikaanse trustee Peck te storten);
(2)de investering in de eerste plaats in de Verenigde Staten beheerd werd nu de verzekeringspolissen, zoals de eisers wisten, in Amerikaanse trusts waren ondergebracht en
(3)de vermindering van de dekkingswaarden in de Verenigde Staten heeft plaatsgevonden. 3.
  1. Anders dan waarvan het tweede onderdeel lijkt uit te gaan, hebben de appelrechters zich dus niet uitsluitend op de plaats van het beleggingsobject/de dekkingswaarden gebaseerd, om de schade te lokaliseren (zie voorziening, nrs. 4 en 8). Zij houden daarentegen rekening met de plaats waar de eisers rechtstreeks verlies van hun vermogensonderdelen hebben ondervonden, namelijk de plaats waar zij hebben geïnvesteerd in de beleggingsfondsen door geld op de Amerikaanse bankrekening van trustee Peck te storten en waar de fondsen, die in Amerikaanse trusts waren ondergebracht, werden beheerd. Het initiële verlies van de gelden waarmee in de fondsen was belegd - ten gevolge van de waardevermindering van het beleggingsobject - is dus in de Verenigde Staten ingetreden. In dit licht is het dan ook kunstmatig dat de eisers stellen dat hun rechtstreekse schade bestaat in de aantasting van hun aanspraak op de uitkeringen van de opbrengsten uit het beheer van het fonds in België. Deze schade lijkt mij in werkelijkheid slechts gevolgschade te vormen van het rechtstreeks verlies door de eisers van vermogensbestanddelen, dat zijn oorsprong vindt in de Verenigde Staten. 3.
  2. Indien alle beleggers de plaats waar zij zulke reflectieschade hebben geleden als bijkomend forum mochten beschouwen, zou dit naar mijn aanvoelen de procesinrichting niet ten goede komen. Ten eerste zou dit m.i. leiden tot een veelvoud van vorderingen, die de beleggers instellen voor rechters van verschillende landen en zou dit de transparantie vertroebelen en met name het risico op tegenstrijdige uitspraken vergroten
(10). Ten tweede zou dit ertoe leiden dat de eiser (de belegger) een forum zou krijgen in zijn eigen woonplaats, een fenomeen waar het Europese bevoegdheidsrecht geheel afkerig tegenover staat. Een forum in de lidstaat van de eiser zou namelijk maken dat deze de bevoegde rechter zou kunnen bepalen door zijn woonplaats te verplaatsen. Deze mogelijkheid zou strijdig zijn met het doel van het Europese bevoegdheidsrecht om een zekere en voorzienbare bevoegdheidstoewijzing te garanderen
(11). 3.10. Een duidelijk precedent van uw Hof schept het arrest van 24 mei 2018
(12). In deze zaak stelde een concessiehouder voor de Belgisch-Luxemburgse markt van Saab-voertuigen een vordering tot betaling van een schadevergoeding in tegen de 100 %-aandeelhouder in de concessiegever (Saab Automobile AB), die zijn aandelen aan een verlieslatend bedrijf had verkocht, met het faillissement van de concessiegever als gevolg. Hierdoor werden de Saab-distributierechten van de concessiehouder plots beëindigd. De appelrechters (eveneens het hof van beroep te Antwerpen) oordeelden dat de aangevoerde schade - namelijk het verlies van de vermogensbestanddelen voor de concessiehouder - rechtstreeks was ingetreden, hetzij in Zweden, d.i. de plaats van het faillissement van de concessiegever, hetzij in de Verenigde Staten, d.i. de plaats van de verkoop van de aandelen. Het feit dat de concessiehouder de beweerde schade voelde in zijn vermogen in België, was volgens de appelrechters niet voldoende, opdat de schade in België was ingetreden. Op grond daarvan oordeelden zij dat de Belgische rechtbanken geen rechtsmacht hadden. 3.11. Uw Hof oordeelde dat die beslissing naar recht verantwoord was, met een duidelijke verwijzing naar de hierboven uiteengezette rechtspraak, met name het arrest Kolossa: "hieruit volgt dat de plaats waar de schade is ingetreden krachtens (artikel 5.3 EEX-Verordening) niet doelt op de woonplaats van de verzoeker, enkel op grond dat hij aldaar financiële schade heeft geleden die voortvloeit uit een in een andere staat ingetreden en door hem geleden verlies van vermogensonderdelen. Daarentegen hebben de gerechten van de woonplaats van de verzoeker rechtsmacht indien de schade aldaar rechtstreeks is ingetreden." 3.12. Ook in eerdere arresten van 28 februari 2002
(13)en 6 oktober 2006
(14)oordeelde uw Hof reeds dat met name uit het arrest van het Hof van Justitie van 19 september 1995, Marinari
(15), blijkt dat "als plaats waar de schade is ingetreden moet worden begrepen de plaats waar de veroorzakende gebeurtenis rechtstreeks schadelijke gevolgen heeft gehad voor degene die hierdoor direct is gelaedeerd". Het Hof besloot dat een vordering tot schadevergoeding op grond van een verbintenis uit onrechtmatige daad aldus niet kan worden ingesteld voor de rechter van de plaats waar de schadelijke gevolgen voelbaar zijn van een feit dat reeds elders daadwerkelijk ingetreden schade heeft veroorzaakt of waar de eiser de vermogensrechtelijke gevolgen ondervindt van in een andere lidstaat toegebrachte lichamelijke schade. 3.
  1. In het licht van deze analyse moet m.i. dan ook worden besloten dat de appelrechters hun beslissing naar recht verantwoorden, door zich op de precedenten Kronhofer en Universal Music te baseren en te oordelen dat de Belgische rechter geen rechtsmacht heeft, nu de schade niet rechtstreeks is ingetreden op de woonplaats of plaats van vestiging van de eisers, maar in de Verenigde Staten, waar het vermogensverlies van de eisers is ingetreden, en het niet voldoende is dat de financiële gevolgen bij weerkaatsing konden worden gevoeld in het vermogen van voor een groot deel in België wonende of gevestigde eisers. 3.
  2. Het tweede onderdeel lijkt mij derhalve niet te kunnen aangenomen worden.
  3. Waar in het vierde onderdeel eisers stellen dat het bestreden arrest de bewijskracht van hun conclusies miskent, aangezien zij geenszins inriepen dat de schade werd veroorzaakt aan het beleggingsobject bestaande uit Amerikaanse levensverzekeringen die in de Amerikaanse trusts ondergebracht werden, maar integendeel dat de schade werd veroorzaakt aan de vordering waarover zij als beleggers beschikten met als voorwerp de opbrengsten van het beheer van de dekkingsvoorwaarden, staat het mij voor dat, zoals de memories van antwoord terecht aanvoeren, de appelrechters geen uitlegging geven van de syntheseberoepsconclusies van de eisers. Zij geven naar mijn oordeel uitsluitend hun juridisch oordeel over de vraag of de door de eisers aangevoelde schade - nl. de aantasting van hun vordering met als voorwerp de opbrengsten van het beheer van de dekkingswaarden van het beleggingsfonds - wel gekwalificeerd kon worden als "rechtstreekse schade" in de zin van artikel 5.3 EEX-Verordening, dan wel loutere reflectieschade vormde. In dat kader oordelen zij met name dat de rechtstreekse schade voor de eisers bestaat in het verlies van hun vermogensonderdelen in de Verenigde Staten ten gevolge van de aantasting van de waarde van de activa van het beleggingsfonds, zijnde Amerikaanse levensverzekeringen, en dat de weerslag die de eisers hiervan ondervinden in hun vermogen in België, slechts indirecte schade is. 4.
  4. Als zodanig lijkt ook het vierde onderdeel derhalve feitelijke grondslag te missen.
  5. In het tweede middel voeren eisers aan dat, door voor de invulling van het begrip "plaats van de schade" in artikel 96, 2°, b) WIPR terug te grijpen naar de rechtspraak van het Hof van Justitie over artikel 5.3 van de Brussel I-verordening, het bestreden arrest de artikelen 4.1 Brussel I-verordening en 96, 2°, WIPR zou hebben geschonden, in zover het daaruit niet wettig kon afleiden dat de Belgische rechtbanken niet bevoegd waren om van de vordering van de schadelijders kennis te nemen, aangezien de leer van de indirecte schade of reflectieschade - zoals ontwikkeld in de rechtspraak van het Hof van Justitie bij de interpretatie van artikel 5.3 Brussel I-verordening - te dezen geen toepassing vindt. 5.
  6. Wat deze problematiek - en de weerlegging van de erin door eisers verdedigde stelling - betreft, meen ik in die zin uitdrukkelijk te kunnen verwijzen naar de beoordeling inzake (eerste onderdeel) door het reeds hoger aangehaalde arrest van uw Hof van 24 mei 2018
(16), teneinde voorop te stellen dat, om de daarin aangehaalde redenen, ook dit middel m.i. lijkt te falen naar recht. III. CONCLUSIE: VERWERPING. ______________________
(1)HvJ arresten C-21/76, Bier, 30 november 1976; C-51/97, Réunion européenne SA, 27 oktober 1998; C-375/13, Harald Kolossa, 28 januari 2015; C-12/15, Universal Music International Holding BV, 16 juni 2016.
(2)U. MAGNUS en P. MANKOWSKI, European Commentaries on Private International Law, volume I, Brussels I bis Regulation, Keulen, Otto Schnidt, 2016, 287, nr. 277.
(3)HvJ, C-147/12, ÖFAB, 18 juli 2013.
(4)U. MAGNUS en P. MANKOWSKI, o.c., 287, nr. 277; M. TEN WOLDE en K. HENCKEL, The ECJ's Interpretation of Article 5
(3)Brussels I Regulation: A Carefully Balanced System of Jurisdictional Rules, IJPL 2013, 216; G. VAN CALSTER, ÖFAB: de niet steeds heldere verhouding tussen de EEX en de Insolventieverordening, TBH 2015, 66.
(5)M. TEN WOLDE en K. HENCKEL, o.c., 217.
(6)HvJ, C-375/13, Kolossa, 28 januari 2015.
(7)HvJ, C-168/02, Kronhofer, 10 juni 2004.
(8)HvJ, C-12/15, Universal Music International Holding BV, 16 juni 2016.
(9)HvJ, C-304/17, Löber, 12 september 2018.
(10)HvJ 11 januari 1990, C-220/88, Dumez, r.o. 18.
(11)HvJ 11 januari 1990, C-220/88, Dumez, r.o. 19; HvJ 19 september 1995, C-364/93, Marinari, r.o. 13; zie ook D. ELOOT, Belgische rechter onbevoegd tegenover Luxemburgse beleggingsvennootschap, TBH 2016, 94-95.
(12)Cass. 24 mei 2018, AR C.17.0514.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180524.4, AC 2018, nr. 329 met concl. OM.
(13)Cass. 28 februari 2002, AR C.98.0065.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020228.10-C.00.0013.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020228.10, AC 2002, nr. 145.
(14)Cass. 6 oktober 2006, AR C.05.0580.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061006.2, AC 2006, nr. 466.
(15)HvJ 19 september 1995, C-364/93, Marinari.
(16)Cass. 24 mei 2018, AR C.17.0514.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180524.4, AC 2018, nr. 329 met concl. OM; zie ook reeds: Cass. 6 oktober 2006, AR C.05.0580.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061006.2, AC 2006, nr. 466; Cass. 28 februari 2002, AR C.98.0065.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020228.10-C.00.0013.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020228.10, AC 2002, nr. 145. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190905.1 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190905.1 citeert: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020228.10 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061006.2 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180524.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.