id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 05 september 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190905.4 Rolnummer: C.18.0463.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Familierecht - Constitutioneel recht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2019-10-01 Raadplegingen: 527 - laatst gezien 2026-06-29 03:26 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190905.4 Fiche 1 Met " voordelen " in de zin van de artikelen 299 (oud en nieuw) en 300 Burgerlijk Wetboek worden bedoeld, enerzijds, alle schenkingen tussen echtgenoten en, anderzijds, de huwelijksvoordelen die tegelijk overlevingsrechten zijn; het beding in een huwelijkscontract met scheiding van goederen volgens hetwelk iedere echtgenoot titularis is van een vordering die hem, bij de ontbinding van het huwelijk, recht geeft op een aandeel in de aanwinsten van het vermogen van de mede-echtgenoot, verleent geen huwelijksvoordeel dat tegelijk een overlevingsrecht is in de zin van deze artikelen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: ECHTSCHEIDING EN SCHEIDING VAN TAFEL EN BED - GEVOLGEN T.A.V. DE PERSONEN - T.a.v. de echtgenoten Vrije woorden: Beding in een huwelijkscontract met scheiding van goederen - Echtgenoot tegen wie de echtscheiding wordt toegestaan - Verlies van voordelen - Begrip - Gevolg Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Artt. 299, oud en nieuw, en 300 Fiches 2 - 3 Een nieuwe wet is in beginsel niet alleen van toepassing op toestanden die na haar inwerkingtreding ontstaan, maar ook op de toekomstige gevolgen van de onder de vroegere wet ontstane toestand, die zich voordoen of voortduren onder vigeur van de nieuwe wet, voor zover die toepassing geen afbreuk doet aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten; inzake overeenkomsten blijft de oude wet van toepassing op de toekomstige gevolgen, tenzij de nieuwe wet van openbare orde of van dwingend recht is of uitdrukkelijk de toepassing ervan oplegt op de lopende overeenkomsten; de regels betreffende de echtscheiding betreffen een wettelijk statuut met openbare orde karakter waarvan de gevolgen vermogensrechtelijk doorwerken
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE Vrije woorden: Nieuwe wet - Toepassing in de tijd - Voorwaarde Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Art. 2 Wet - 27-04-2007 - Art. 42 - 00 ELI link Pub nr 2007009493 Thesaurus CAS: OVEREENKOMST - ALGEMENE BEGRIPPEN Vrije woorden: Werking in de tijd - Toepassing - Voorwaarde - Gevolg Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Art. 2 Wet - 27-04-2007 - Art. 42 - 00 ELI link Pub nr 2007009493 Tekst van de conclusie C.18.0463.N Conclusie van advocaat-generaal Van Ingelgem: I. SITUERING
- Onder artikel 7 van het huwelijkscontract dat op 13 juli 1996 tussen eiser en verweerster werd afgesloten, is een verrekenbeding opgenomen dat (in een eerste alinea) luidt dat iedere echtgenoot titularis is van een vordering die hem, bij de ontbinding van het huwelijk, recht geeft op een aandeel in de aanwinsten van het vermogen van de mede-echtgenoot, zoals hierna bepaald, (...), en (in een laatste alinea) bepaalt dat deze vordering enkel door de echtgenoten zelf kan worden uitgeoefend, met uitzondering, in geval van echtscheiding, van de echtgenoot tegen wie de echtscheiding werd uitgesproken.
- Voormeld verrekenbeding voorziet m.a.w. in een uitsluitingsgrond in geval van echtscheiding op grond van fout in het nadeel van de echtgenoot tegen wie de echtscheiding werd uitgesproken.
- Bij vonnis van 26 juni 2014 sprak de rechtbank van eerste aanleg de echtscheiding wegens onherstelbare ontwrichting van het huwelijk uit en oordeelde in dat verband dat de onherstelbare ontwrichting van het huwelijk afdoende bleek uit het overspel van verweerster (hetwelk ook niet werd betwist).
- In het kader van de vereffening-verdeling van het huwelijksvermogen rees als zodanig een tussengeschil omtrent de vraag of en in welke mate verweerster het voordeel van het verrekenbeding kan genieten (en of in welke mate eiser zich op de uitsluitingsgrond wegens fout van verweerster kan beroepen), nu de echtscheiding - gelet op de hervorming van het echtscheidingsrecht in 2007 - niet werd uitgesproken op grond van fout (overspel van verweerster), maar wel wegens onherstelbare ontwrichting van het huwelijk (waarbij die onherstelbare ontwrichting volgens de echtscheidingsrechter zou blijken uit het overspel van verweerster), vermits de zinsnede "de echtgenoot tegen wie de echtscheiding werd uitgesproken" duidelijk zou alluderen op de vroegere echtscheiding op grond van fout (dewelke door de hervorming van 2007 werd afgeschaft).
- Het bestreden arrest beslecht dit tussengeschil door (in de lijn met het standpunt van de notaris-vereffenaar) voor recht te zeggen dat (ook) verweerster op basis van het verrekenbeding in artikel 7 van het huwelijkscontract aanspraak kan maken op een aandeel in de aanwinsten van het vermogen van eiser.
- Tegen deze beslissing voert eiser een enig middel tot cassatie aan dat op vier onderdelen berust. II. BESPREKING VAN HET MIDDEL
- In het eerste onderdeel werpt eiser een miskenning op van de bewijskracht van het echtscheidingsvonnis, nu de appelrechter heeft geoordeeld dat niet bewezen is dat het overspel van verweerster de oorzaak van de onherstelbare ontwrichting van het huwelijk is, terwijl de echtscheidingsrechter oordeelde dat het "bewijs van overspel in juni 2013 wettelijk en afdoende is, waardoor de onherstelbare ontwrichting van het huwelijk vaststaat en de echtscheiding dient te worden uitgesproken", en hij volgens eiser aldus het overspel van verweerster als afdoende oorzaak van de onherstelbare ontwrichting van het huwelijk bestempelde. 1.
- Dit onderdeel lijkt mij evenwel niet te kunnen aangenomen worden in zoverre het oordeel van de echtscheidingsrechter dat de onherstelbare ontwrichting van het huwelijk blijkt uit het overspel van verweerster daarom echter nog niet noodzakelijk inhoudt dat volgens hem het overspel van verweerster ook de oorzaak is van de onherstelbare ontwrichting. Het overspel van verweerster kan in dat kader immers ook een symptoom zijn van de onherstelbare ontwrichting, eerder dan de oorzaak. 1.
- In deze context kan meer bepaald worden verwezen naar de memorie van toelichting bij de wet van (27 april) 2007
(1)waarin wordt vooropgesteld dat de meeste auteurs en personen die zich in de praktijk met het familierecht bezighouden, vaststellen dat het debat over de fout vaak nutteloos is. De reden voor de ontwrichting (van het huwelijk) is immers zeer vaak moeilijk uit te maken en leidt meestal tot een complexe ingewikkeldheid van de dagdagelijkse problemen, in de mate dat de huwelijksproblemen zich voortslepen met de tijd en tussen vier muren, terwijl het recht zich juist richt op de feiten die publiek zijn en die zich net hebben voorgedaan. Soms is het volgens de memorie van toelichting zelfs de meest perverse van de echtgenoten die het laken naar zich toe trekt, want de pijn die hij of zij veroorzaakt door diens houding is niet bewezen, omdat het mettertijd en in huiselijke kring gebeurt, terwijl hij of zij er niet in slaagt een eenmalig - of zelfs incidenteel - gedrag te bewijzen dat kan worden beschouwd als een grove belediging vanwege de andere partner. 1.
- Vanuit voormelde benadering lijkt het onderdeel dan ook op een onjuiste lezing of interpretatie van de bestreden beslissing te berusten, en derhalve feitelijke grondslag te missen. 1.
- Bovendien rijst hier tevens de vraag naar de relevantie van het onderdeel. Zelfs al zou de echtscheidingsrechter hebben geoordeeld dat het overspel van verweerster als oorzaak van de onherstelbare ontwrichting van het huwelijk moet worden beschouwd, dan nog heeft hij daarmee m.i. niet gezegd dat er sprake is van een fout in de zin van de oude echtscheidingswetgeving of dat de echtscheiding wordt uitgesproken "tegen" de overspelige echtgenoot, terwijl de uitsluitingsgrond voorzien in het verrekenbeding naar de oude foutscheiding refereert. Aldus heeft de in het onderdeel aangevoerde grief m.i. dan ook geen invloed op de wettigheid van de beslissing van de appelrechter en kan hij, ook al was hij gegrond, niet tot cassatie leiden. In die zin zou het eerste onderdeel, bij gebrek aan belang, dan ook niet ontvankelijk zijn.
- In het tweede onderdeel voert eiser een schending aan van de artikelen 299 (oud) Burgerlijk Wetboek
(2), 300 (oud) Burgerlijk Wetboek
(3)en 299 (nieuw) Burgerlijk Wetboek
(4). Het verwijt het bestreden arrest de wil van de wetgever te hebben miskend om bepalingen die voordelen verstrekken aan de ene of de andere echtgenoot ongewijzigd te laten niettegenstaande de invoering van de schuldloze echtscheiding door de wet van 27 april
- Het onderdeel is daarbij gebaseerd op de veronderstelling dat de uitsluitingsgrond zoals voorzien in het verrekenbeding een louter contractuele toepassing is van de artikelen 299 en 300 (oud) Burgerlijk Wetboek. 2.
- Die veronderstelling lijkt mij evenwel onjuist. Luidens (vaststaande) rechtspraak van uw Hof zijn de beide artikelen immers enkel van toepassing op de schenkingen tussen echtgenoten en de huwelijksvoordelen die tegelijk overlevingsrechten zijn
(5). Dat geldt in het raam van de wetsgeschiedenis m.i. onverminderd ook voor het artikel 299 (nieuw) Burgerlijk Wetboek. Zo wordt in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel van 13 december 2017 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat het huwelijksvermogensrecht betreft en tot wijziging van diverse andere bepalingen ter zake
(6)melding gemaakt dat volgens de traditionele opvatting, die teruggaat op een arrest van het Hof van Cassatie van 23 november 2001, met "voordelen" in de zin van artikel 299 BW worden bedoeld, enerzijds, alle schenkingen tussen echtgenoten, en anderzijds, de voordelen die tegelijk overlevingsrechten zijn. Overigens werd dit recentelijk nog door de wetgever bevestigd middels de hervorming van het huwelijksvermogensrecht in 2018, doordat de wetgever het thans uitdrukkelijk zo voorziet in het huidig artikel 299 Burgerlijk Wetboek. 2.2. Een verrekenbeding opgenomen in een huwelijkscontract met scheiding van goederen kan trouwens niet als een overlevingsrecht worden beschouwd. In dat kader stelde dezelfde memorie van toelichting bij het wetsvoorstel van 13 december 2017
(7)voorop dat onder "overlevingsrechten" moeten worden verstaan de rechten die onder voorwaarde van overleving tussen echtgenoten zijn overeengekomen, nl. de contractuele erfstellingen, de begunstigingen bij levensverzekering en bepaalde huwelijksvoordelen (met name het beding van vooruitmaking, het beding van ongelijke verdeling en het verblijvingsbeding). Andere voordelen, zoals het verrekenbeding, vallen, nog steeds volgens de memorie van toelichting, buiten het toepassingsgebied van deze bepaling en zullen dus ook in geval van echtscheiding uitwerking krijgen. Het wetsvoorstel kadert weliswaar in de hervorming van het huwelijksvermogensrecht 2017, in de context waarvan artikel 299 Burgerlijk Wetboek andermaal wordt gewijzigd, maar voormelde overwegingen gaan evenzeer op voor de redactie van artikel 299 BW zoals van toepassing tussen 2007 en 2018
(8). 2.
- De uitsluitingsgrond zoals voorzien in het verrekenbeding is derhalve geen contractuele bevestiging van de toenmalige wettelijke regeling, maar past de regels voorzien in de wettelijke regeling toe op een beding waarop voormelde artikelen niet van toepassing zijn. Van een eventuele schending van deze artikelen kan dan ook geen sprake zijn. 2.
- In zoverre het (tweede) onderdeel m.i. aldus uitgaat van een andere juridische stelling, faalt het derhalve naar recht. Nu de overige als geschonden aangevoerde wetsbepalingen naar mijn aanvoelen uit voormelde vergeefs betwiste grieven zijn afgeleid, komt het mij voor dat het onderdeel verder niet ontvankelijk lijkt.
- Het derde onderdeel voert een schending aan van de artikelen 1134 en 1156 Burgerlijk Wetboek, nu het huwelijkscontract volgens eiser zou moeten geïnterpreteerd worden overeenkomstig de bedoeling van de partijen ten tijde van de contractsluiting en dus noodzakelijkerwijs in het licht van de toenmalige vigerende regelgeving (m.n. het oud artikel 229 BW). 3.
- Krachtens artikel 1156 BW is de rechter verplicht de gemeenschappelijke bedoelingen van de contracterende partijen na te gaan. Het is echter niet omdat een overeenkomst moet worden geïnterpreteerd conform de gemeenschappelijke bedoeling van de partijen op het ogenblik van contractsluiting dat per definitie de link moet worden gelegd met de regelgeving die op het ogenblik van contractsluiting van toepassing was. 3.
- Eén en ander betekent m.i. dus dat de rechter verplicht is de werkelijke bedoeling van de partijen na te gaan, zelfs indien hij hierbij moet afwijken van de gebruikelijke, normale betekenis van de aangewende bewoordingen. Zo oordeelde uw Hof
(9)in die context dat de verbindende kracht van een overeenkomst door de rechter niet wordt miskend wanneer hij met verwijzing naar de gemeenschappelijke bedoeling van de partijen veeleer dan naar de letterlijke zin van de bewoordingen, aan de overeenkomst de gevolgen toekent die deze (...) volgens zijn uitlegging ervan, wettig tussen partijen heeft. 3.3. Waar het bestaan en de draagwijdte van deze bedoeling op onaantastbare wijze door de feitenrechter wordt beoordeeld
(10), gaat het appelgerecht in deze, in navolging van de hoger vermelde rechtsregel, na wat de context is waarbinnen artikel 7 van het huwelijkscontract dient geïnterpreteerd te worden om de werkelijke bedoeling van de partijen te verifiëren. In dat kader kan de rechter o.a. rekening houden met buiten de overeenkomst liggende extrinsieke elementen
(11). 3.
- In zoverre de appelrechter in deze (p. 10, al. 1 en 2) oordeelt dat de partijen ten tijde van de redactie van het huwelijkscontract in 1996 de wetswijziging van 2007 moeilijk konden voorzien (...), voorts kan worden aangenomen dat de subjectieve werkelijke partijbedoeling voorgaat op de verklaarde wil en het past de werkelijke intentie van de partijen te achterhalen zoals die bestond op het ogenblik van de rechtshandeling (...), het niet afdoende blijkt dat het in casu de bedoeling van de partijen (bij het verrekenbeding ten tijde van het schuldechtscheidingsrecht) was om, wars de gebeurlijke tussenkomst van een schuldloos echtscheidingsrecht, de (onaangepaste) uitsluitingsgrond (gelet op de bewoordingen ervan) te handhaven lastens de foutieve echtgenoot, komt het mij voor dat hij met die redenen zijn beslissing - die een onaantastbare beoordeling in feite van de bedoeling van de partijen op het ogenblik van het afsluiten van hun huwelijkscontract door de feitenrechter betreft, waaraan uw Hof niet kan raken - naar recht verantwoordt. Het onderdeel lijkt mij dan ook niet te kunnen aangenomen worden.
- In het vierde (en laatste) onderdeel voert eiser een schending aan van de regels omtrent de werking van de wet in de tijd. Hij verwijt het bestreden arrest nieuwe wetgeving te hebben toegepast op contracten die vóór de wetswijziging waren overeengekomen. Eiser refereert aan het uitgangspunt volgens hetwelk inzake contracten de nieuwe wet een eerbiedigende werking heeft ten aanzien van oude contracten (i.e. het beginsel volgens hetwelk de oude wet van toepassing blijft op de gevolgen van contracten die onder de oude wet zijn tot stand gekomen), tenzij de openbare orde is geschonden of tenzij de wetgever uitdrukkelijk anders heeft voorzien
(12). 4.1. Ook inzake huwelijksvermogensrecht geldt inderdaad bij wijze van uitgangspunt dat nieuwe wetten met betrekking tot het huwelijksvermogen geen impact hebben op bestaande huwelijkscontracten, maar dat de oude wet (zoals die van toepassing was op het ogenblik van het sluiten van het huwelijkscontract) op het contract van toepassing blijft
(13). 4.2. Wat betreft artikel 299 Burgerlijk Wetboek heeft de wetgever in 2007 niet in een specifieke overgangsregeling voorzien, als gevolg waarvan bovenvermelde uitgangspunten principieel van toepassing zijn
(14). 4.3. Evenwel komt het mij voor dat de discussie in casu niet zozeer de werking in de tijd van het huwelijksvermogensrecht betreft (i.e. het verrekenbeding en de uitsluitingsgrond), maar wel de werking in de tijd van het echtscheidingsrecht (i.e. de vraag of men in het nieuwe kader van een foutloos echtscheidingsrecht nog kan verwijzen naar de oude regels inzake echtscheiding op grond van fout). De regels inzake echtscheiding raken aan de staat van de persoon en zijn derhalve van openbare orde
(15). Zij hebben bijgevolg (zoals reeds hoger gesteld) onmiddellijke werking. Derhalve moet m.i. geoordeeld worden dat de eiser zich niet langer op de uitsluitingsgrond voorzien in het verrekenbeding kan beroepen. Op patrimoniaal vlak moet men de gevolgen van het nieuwe echtscheidingsrecht ondergaan: men kan niet door middel van een vermogensrechtelijk beding in een bestaand huwelijkscontract de facto alsnog een echtscheiding op grond van fout trachten te bekomen, wanneer de wetgever omwille van redenen die de openbare orde aanbelangen, de duidelijke keuze heeft gemaakt om de echtscheiding op grond van fout af te schaffen. 4.4. In een toelichtende nota bij het wetsontwerp van 2007 die specifiek ingaat op de vraag naar overgangsrecht, wordt dienovereenkomstig overwogen dat met de inwerkingtreding van de nieuwe wet huwelijksvoordelen die krachtens de oude wet werden verleend ten gunste van de "schuldloze" echtgenoot, zullen komen te vervallen, aangezien het vermogensrechtelijke gevolgen betreft van de wettelijke situatie waarvan de gevolgen doorwerken
(16). 4.5. Ook kan inzake worden verwezen naar een stroming in de rechtsleer volgens dewelke een onderscheid moet worden gemaakt tussen "wetten over contracten" en "wetten die een wettelijk statuut aanbelangen". Wetten over contracten betreffen normen die een geheel van rechten en plichten tot stand brengen voor de partijen bij een overeenkomst waarvan de inhoud door henzelf wordt bepaald. Normen belangen daarentegen een wettelijke statuut aan wanneer zij een geheel van rechten en plichten tot stand brengen voor al wie tot een bepaald rechtsinstituut toetreedt. Het beginsel volgens hetwelk een nieuwe wet inzake contracten een eerbiedigende werking heeft, zou enkel gelden voor wetten over contracten, maar niet voor wetten over een wettelijk statuut. Wetten over een wettelijk statuut zouden een onmiddellijke werking hebben vanaf de datum van de inwerkingtreding van de wet
(17). Hoewel uw Hof tot nog toe geen toepassing maakte van dit onderscheid, zijn in de rechtspraak van het Franse Hof van Cassatie evenwel een aantal toepassingen te vinden
(18). 4.6. In de optiek van voormelde benadering betreft het echtscheidingsrecht (en meer in het bijzonder de afschaffing van de echtscheiding op grond van fout) derhalve een wettelijk statuut en bijgevolg zouden wetswijzigingen inzake echtscheiding een onmiddellijke werking hebben
(19), ook voor wat situaties betreft die door een overeenkomst tot stand zijn gebracht onder de oude wet maar die zich in dat nieuw wettelijk statuut inschrijven. De uitsluitingsgrond voorzien in het verrekenbeding dewelke alludeert op echtscheiding op grond van fout zou bijgevolg niet meer kunnen worden toegepast
(20)in het kader van een echtscheiding uitgesproken na 1 september 2007
(21). 4.7. Om die redenen lijkt ook het vierde onderdeel derhalve naar recht te falen. III. CONCLUSIE: VERWERPING. _______________________
(1)Wetsontwerp van 15 maart 2006 betreffende de hervorming van de echtscheiding, Parl.St. Kamer, Doc 51.2341/001, p. 8, nr. 3, Behouden van de fout?
(2)Overeenkomstig artikel 299 (oud) BW - zoals van toepassing vóór de wijziging ervan door artikel 5 van de wet van 27 april 2007 betreffende de hervorming van de echtscheiding - verloor, behalve in geval van onderlinge toestemming, de echtgenoot tegen wie de echtscheiding, op welke grond ook, is toegestaan, alle voordelen die de andere echtgenoot hem, hetzij bij hun huwelijkscontract, hetzij sinds het aangaan van het huwelijk, verleend heeft.
(3)Artikel 300 (oud) BW - zoals van toepassing vóór de opheffing ervan door artikel 6 van de wet van 27 april 2007 betreffende de hervorming van de echtscheiding - bevestigde dat de echtgenoot die de echtscheiding verkregen heeft, (...) de voordelen behoudt hem door de andere echtgenoot verleend, al waren die wederkerig bedongen en al heeft geen wederkerigheid plaats.
(4)In de geest van de "schuldloze" echtscheiding hief de wet van 27 april 2007 artikel 300 op en wijzigde artikel 299 BW (vóór de wijziging ervan bij wet van 22 juli 2018 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek en diverse andere bepalingen wat het huwelijksvermogensrecht betreft en tot wijziging van de wet van 31 juli 2017 tot wijziging van het Burgerlijke Wetboek wat de erfenissen en de giften betreft en tot wijzigingen van diverse bepalingen ter zake) als volgt: behoudens overeenkomst in tegenovergestelde zin, verliezen de echtgenoten alle voordelen die ze elkaar bij huwelijksovereenkomst en sinds het aangaan van het huwelijk hebben toegekend.
(5)Cass. 12 januari 2017, AR C.12.0380.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170112.1, AC 2017, nr. 26; Cass. 23 november 2001, AR C.99.0012.N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011123.4, AC 2001, nr. 641.
(6)Parl.St. Kamer, Doc 54. 2848/001, 29.
(7)Parl.St. Kamer, Doc 54.2848/001, 30.
(8)Zie ook R. BARBAIX, Familiaal vermogensrecht in essentie, Antwerpen, Intersentia, 2018, 141.
(9)Cass. 24 september 1992, AR nr. 9399, AC 1991-92, nr. 627.
(10)Cass. 20 november 2009, AR C.08.0507.F ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091120.1, AC 2009, nr. 681.
(11)Cass. 27 november 2015, AR C.14.0389.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151127.3, AC 2015, nr. 709.
(12)Zie o.a. Cass. 4 januari 2013, AR C.11.0679.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130104.2, AC 2013, nr. 7, met concl. OM; Cass. 28 februari 2003, AR C.00.0603.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030228.5, AC 2003, nr. 141.
(13)P. ROUBIER, Le droit transitoire (conflits des lois dans le temps), Parijs, Dalloz, 1960, 393-394.
(14)A. PAULUS en Y-H LELEU, La déchéance des institutions contractuelles entre époux à l'épreuve du droit transitoire de la réforme du divorce (L. du 27 avril 2007), Rev. Not. B. 2015, 503-504.
(15)P. ROUBIER, o.c., 394-396 en 423.
(16)Y-H LELEU, Oriëntatienota inzake het overgangsrecht, bijlage bij het Wetsontwerp betreffende de hervorming van de echtscheiding d.d. 9 februari 2007, Parl.St. Kamer, Doc 51.2341/018, 105; zie ook J-C BROUWERS, La réforme du droit de divorce (loi du 27 avril 2007), Rev. Not. B. 2007, 629-630.
(17)P. POPELIER, Toepassing van de wet in de tijd: vaststelling en beoordeling van temporale functies, Gent, Story-Scientia, 1999, 56; P. ROUBIER, Le droit transitoire (conflits des lois dans le temps), Parys, Dalloz, 1960, 423 e.v; T. VAN COPPERNOLLE, Intertemporaal recht, onuitg. Doctoraatsthesis KU Leuven, 2018, 51.
(18)Voor een overzicht: zie het Franse Hof van Cassatie, Rapport annuel 2014, Le temps dans la jurisprudence de la Cour de cassation, 331-332.
(19)P. ROUBIER, Le droit transitoire (conflits des lois dans le temps), Parijs, Dalloz, 1960, 394-395; T. VAN COPPERNOLLE, Intertemporaal recht, onuitg. Doctoraatsthesis KU Leuven, 2018, 51.
(20)Zie ook Y-H LELEU, Le droit transitoire, in Y-H LELEU en D. PIRE (eds.), La réforme du divorce - Première analyse de la loi du 27 avril 2007, Brussel, Larcier, 2007, 180, nr. 44.
(21)Krachtens artikel 42 van de wet van 27 april 2007 betreffende de hervorming van de echtscheiding is artikel 299 (nieuw) Burgerlijk Wetboek in werking getreden op 1 september 2007. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190905.4 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190905.4 citeert: ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011123.4 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030228.5 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091120.1 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130104.2 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151127.3 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170112.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div