id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 09 september 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190909.3 Rolnummer: C.18.0521.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Handelsrecht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2019-10-03 Raadplegingen: 654 - laatst gezien 2026-06-28 08:49 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190909.3 Fiches 1 - 2 Krachtens artikel 7 van het Decreet d'Allarde van 2-17 maart 1791 en artikel II.3 Wetboek van economisch recht, zoals te dezen van toepassing, staat het eenieder vrij om naar goeddunken elke handel te drijven of elk beroep, bedrijf of ambacht, respectievelijk economische activiteit uit te oefenen; deze bepalingen, die zich verzetten tegen een ongeoorloofde beperking van de vrijheid van ondernemen, zijn van openbare orde; het beding dat een onredelijke beperking van de concurrentie naar voorwerp, territorium of duur oplegt, is bijgevolg nietig
(1).
(1)Cass. 23 januari 2015, AR C.14.0324.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150123.4, AC 2015, nr. 60. Thesaurus CAS: HANDELSPRAKTIJKEN Vrije woorden: Vrijheid van handel en nijverheid - Verzet tegen een ongeoorloofde beperking - Aard van de bepaling - Gevolg Thesaurus CAS: OVEREENKOMST - BESTANDDELEN - Voorwerp Vrije woorden: Beding - Onredelijke beperking concurrentie - Gevolg Fiche 3 Indien een overeenkomst of een beding strijdig is met een bepaling van openbare orde en bijgevolg nietig is, kan de rechter indien een partiële nietigheid mogelijk is, de nietigheid, behalve als de wet dit verbiedt, beperken tot het met deze bepaling strijdige gedeelte van de overeenkomst of het beding, op voorwaarde dat het voortbestaan van de gedeeltelijk vernietigde overeenkomst of het gedeeltelijk vernietigde beding beantwoordt aan de partijbedoeling
(1).
(1)Cass. 23 januari 2015, AR C.14.0324.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150123.4, AC 2015, nr. 60. Thesaurus CAS: OVEREENKOMST - BESTANDDELEN - Algemeen Vrije woorden: Nietigheid - Beoordeling door de rechter - Beperking - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Artt. 6, 1156, 1234 en 1304 Fiche 4 De rechter die een met een bepaling van openbare orde strijdige overeenkomst of beding partieel nietig verklaart, wanneer die partiële nietigheid mogelijk is, niet verboden is door de wet en overeenstemt met de partijbedoeling, terwijl de partij enkel de algehele nietigverklaring ervan had gevorderd, wijzigt het voorwerp van de vordering niet, maar kent de eis slechts gedeeltelijk toe
(1).
(1)Zie andersluidende concl. OM. Thesaurus CAS: OVEREENKOMST - BESTANDDELEN - Voorwerp Vrije woorden: Nietigheid - Partiële nietigheid - Gevolg Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 09-10-1967 - Art. 1138, 2° Annotaties Publicaties: Revue de Droit Commercial Belge [R.D.C.] - LAGASSE, Stéphanie; Note "Un juge actif en cas de nullité partielle?" - 2020, n° 4, p. 513-
- Tekst van de conclusie C.18.0521.N Conclusie van de Advocaat-generaal Vanderlinden:
- Eiseres tot cassatie komt op tegen een arrest van het Hof van Beroep te Brussel gewezen op 28 juni
- Door eiseres wordt er één middel aangevoerd.
- Het eerste onderdeel. a. Probleemstelling. De problematiek die aan de orde is, betreft het beschikkingsbeginsel. De vraag die zich stelt, betreft het volgende: Zo, in een materie van openbare orde, door een partij de gehele nietigverklaring wordt gevorderd van een contractuele bepaling, met uitdrukkelijke uitsluiting van de partiële vernietiging, verantwoordt de rechter dan naar recht zijn beslissing door, nadat hij vastgesteld heeft dat een partiële nietigverklaring mogelijk is, de gestelde vordering in zijn geheel af te wijzen daar, gelet op de wijze waarop de vordering gesteld is, een matiging van de gevorderde nietigheid tot gevolg zou hebben dat ultra petita wordt geoordeeld. Anders geformuleerd, indien een clausule, partieel, nietig is, doch er enkel de gehele vernietiging wordt gevorderd, met uitdrukkelijke uitsluiting van de gedeeltelijke, mag de rechter dan de vordering afwijzen omdat, zo hij anders zou oordelen en de partiële nietigheid zou uitspreken, hij het beschikkingsbeginsel zou schenden. De appelrechters meenden van wel en wezen dienvolgens de gestelde vordering af. b. Beoordeling. Het voorwerp van de vordering wordt in de doctrine omschreven als datgene wat men in rechte wenst te verkrijgen. Te weten het moreel, sociaal of economisch voordeel dat men aan de rechter vraagt om toe te kennen. Het komt de rechter toe om de vordering te kwalificeren
(1). Wanneer we het hebben over het voorwerp van de vordering moet in herinnering worden gebracht dat de civiele procesvoering gekenmerkt wordt door het accusatoir karakter ervan
(2). Het zijn dus de partijen die, in principe, er de grenzen van bepalen
(3). Het is binnen deze grenzen dat de civiele rechter kan werken. Het is de rechter derhalve niet toegestaan om iets meer, ultra petita, of iets anders, extra petita, dan gevorderd toe te kennen. Dit geldt tevens indien de onderliggende rechtsgrond van de vordering de openbare orde betreft
(4). Wanneer de rechter evenwel minder toekent dan wat gevorderd werd dan is er, in principe, geen sprake van het feit dat de rechter iets anders toekent. De rechter is inderdaad niet gehouden om een gestelde eis geheel toe te kennen of af te wijzen. De vordering kan ook gedeeltelijk gegrond zijn. Zo kan een gevorderde schadevergoeding immers slechts gedeeltelijk gegrond verklaard worden
(5). In huidig geschil gaat het evenwel niet over een gevorderde schadevergoeding, maar wel over een eis tot nietigverklaring. Uw Hof oordeelde inzake nietigheden in zijn arrest van 23 januari 2015
(6): "Indien een overeenkomst of een beding strijdig is met een bepaling van openbare orde en bijgevolg nietig is, kan de rechter indien een partiële nietigheid mogelijk is, de nietigheid, behoudens de wet zulks verbiedt, beperken tot het met deze bepaling strijdig gedeelte van de overeenkomst of beding op voorwaarde dat het voortbestaan van de gedeeltelijk vernietigde overeenkomst of beding beantwoordt aan de partijbedoeling." De principes die in Uw arrest weerhouden zijn voor bepalingen van openbare orde zijn evenzeer van toepassing voor een strijdigheid met een regel van dwingend recht. Ook de aard van de nietigheid, relatief of absoluut, is niet relevant en staat een herleiding niet in de weg
(7). De appelrechters oordelen terecht
(8), en niet bekritiseerd, dat er drie voorwaarden zijn waaraan, voldaan moet worden opdat een partiële nietigheid door de rechter kan worden uitgesproken, meer in het bijzonder: - de partiële nietigheid moet mogelijk zijn; - ze moet beantwoorden aan de partijbedoeling; - ze mag niet door de wet verboden zijn. Het betreft cumulatieve voorwaarden. Uit de overwegingen van het bestreden arrest blijkt dat aan de voorwaarden voor een partiële nietigheid was voldaan. De appelrechters stellen immers, niet betwist, vast en oordelen dat, in casu
(9): - de partiële nietigheid niet onverenigbaar is met de eventuele absolute nietigheid van de in de managementovereenkomst opgenomen niet-afwervingsbeding en niet-concurrentiebeding; - de partijen in hun overeenkomst bepaald hebben dat mogelijks ongeldige of nietige bedingen zonder meer geldig blijven voor het gedeelte dat wettelijk toelaatbaar is; - de partiële nietigheid beantwoordt aan de wil van de partijen; - de partiële nietigheid niet verboden is door de toepasselijke wettelijk bepalingen. De appelrechters stellen verder vast dat eiseres de partiële nietigheid uitdrukkelijk uitsluit
(10). Zij beslissen vervolgens dat daar eiseres enkel de nietigheid van de beide bedingen in hun totaliteit vordert en niet de matiging, waardoor deze vordering moet worden afgewezen. Hierdoor oordelen zij, impliciet, maar zeker dat de beide bedingen behept zijn met een onredelijke beperking, doch dat enkel een partiële vernietiging moet worden uitgesproken. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Blijft thans enkel de vraag of de appelrechters door alzo te oordelen hun beslissing, dat de vordering van eiseres afgewezen dient te worden omdat, zo er anders over geoordeeld werd, het beschikkingsbeginsel zou geschonden worden, naar recht verantwoorden. Dit standpunt van de appelrechter dient te worden onderschreven. Het beschikkingsbeginsel verzet er zich, zoals boven reeds vermeld, inderdaad niet tegen dat een vordering gedeeltelijk toegekend wordt. Het verzet er zich wel tegen dat iets anders dan gevorderd toegekend zou worden. Het is dit laatste dat hier aan de orde is. Door eiseres werd uitdrukkelijk uitgesloten dat de partiële nietigheid zou worden uitgesproken. Zo de partiële vernietiging zou worden uitgesproken dan zouden de appelrechters iets toegekend hebben aan eiseres dat ze zelf uitdrukkelijk uitgesloten heeft. In zoverre het onderdeel de schending van het beschikkingsbeginsel aanvoert, kan het niet worden aangenomen. De overige grieven zijn afgeleid, in zoverre is het onderdeel niet-ontvankelijk. Volledigheidshalve wil ik nog opmerken dat ik meen dat het hanteren van het werkwoord "kan" in Uw beslissing van 23 januari 2015 niet betekent dat de rechter ter zake, indien de drie hoger aangehaalde voorwaarden vervuld zijn, vrij kan beslissen om alsnog tot de volledige vernietiging over te gaan. Een dergelijke volledige vernietiging tast immers het contractuele evenwicht verder aan dan nodig is
(11). Indien de voorwaarden vervuld zijn dan moet de rechter de gedeeltelijke vernietiging uitspreken. Hij heeft geen keuze op dat ogenblik. 3. Het tweede onderdeel. (...) Conclusie: verwerping. ______________________
(1)A. FETTWEIS, "Manuel de procédure civile", Liège, Fac. De Droit, 1987, p. 58; B. ALLEMEERSCH, "Taakverdeling in het burgerlijk proces", Antwerpen, Intersentia, 2007, p. 258 en P. THION, "Kwalificatie van oorzaak en voorwerp van de vordering". NJW, 2003, p. 732.
(2)B. Maes, "De bepaling van het voorwerp van de vordering tijdens het burgerlijk geding", in De respectievelijke rol van rechter en partijen in het burgerlijk geding, Brussel, Bruylandt, 1999, p. 50.
(3)H. BOCKEN,, "Verlies van een kans", NJW, 2009, p. 7; B. ALLEMEERSCH, oc, p. 243 en C. VAN SEVEREN, "Beschikkingsbeginsel vs. taak van de rechter", noot onder Antwerpen, 20 januari 2014, NJW, 2015, p. 20.
(4)B. ALLEMEERSCH, oc, pp. 233 en 260 en C. VAN SEVEREN, oc, p. 20.
(5)B. ALLEMEERSCH, oc, p. 362.
(6)AR C.13.0579.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150123.3, AC 2015, nr. 59.
(7)F. PEERAER, "Naar een nietigheid op maat: de principiële erkenning van de (mogelijkheid tot) reductie door het Hof van Cassatie", noot onder Cass. 23 januari 2015, RW, 2015-16, 1190.
(8)Bestreden arrest pagina 16; F. PEERAER, "Ook het Hof van Cassatie acht partiële nietigheid mogelijk bij bedrog", noot onder Cass 23 november 2017, TBBR, 2018, p. 209 en N. HALLEMEERSCH, "Matiging van concurrentiebedingen in het arbeidsrecht", NJW, 2018, p. 329 en 330.
(9)Bestreden arrest pagina 17.
(10)Verweerster van haar kant citeert op pagina 34, randnummer 66 van de aanvullende en synthesebesluiten, het "deelbaarheidsbeding" betreffende de herleiding van gebeurlijke nietige clausules. Zij vervolgt met het standpunt dat gezien eiseres enkel de nietigheid van het beding vordert en geen herleid beding voorstelt de vordering geheel moet worden afgewezen. Verweerster besluit verder dat het niet-concurrentiebeding geldig is en dat de eerste rechter dit terecht bevestigde.
(11)F. PEERAER, "Naar een nietigheid op maat: de principiële erkenning van de (mogelijkheid tot) reductie door het Hof van Cassatie", oc, p. 1192; N. HALLEMEERSCH, oc, p. 327. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190909.3 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190909.3 citeert: ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150123.3 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240606.1N.4 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241025.1N.5 precedenten: ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150123.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div