← België

ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190912.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 12 september 201

Art. 75

, tweede lid - 67 ELI link Pub nr 2006A11405 Fiche 4 Die volle rechtsmacht van het hof van beroep te Brussel impliceert, gelet op de specifieke rol in de handhaving van de wet over de mededinging, dat het hof niet verplicht is de in beslag genomen gegevens zelf opnieuw te onderzoeken en het de toetsing mag beperken

(1).
(1)Zie concl. OM Thesaurus CAS: HANDELSPRAKTIJKEN Vrije woorden: Wet tot bescherming van de economische mededinging - Raad voor de Mededinging - Onderzoeksprocedure betreffende restrictieve mededingingspraktijken - Handeling of beslissing van het auditoraat - Beroep - Hof van beroep te Brussel - Volle rechtsmacht - Draagwijdte Wettelijke bepalingen:

Art. 75, tweede lid - 67 ELI link Pub nr 2006A11405 Fiches 5 - 6 Het onderzoek betreffende het bestaan van restrictieve mededingingspraktijken is geen strafonderzoek

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - ALLERLEI Vrije woorden: Wet tot bescherming van de economische mededinging - Raad voor de Mededinging - Auditoraat - Onderzoeksprocedure betreffende restrictieve mededingingspraktijken - Aard Wettelijke bepalingen:

Art. 75

, tweede lid - 67 ELI link Pub nr 2006A11405 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 131 en 235bis - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: HANDELSPRAKTIJKEN Vrije woorden: Wet tot bescherming van de economische mededinging - Raad voor de Mededinging - Auditoraat - Onderzoeksprocedure betreffende restrictieve mededingingspraktijken - Aard Wettelijke bepalingen:

Art. 75

, tweede lid - 67 ELI link Pub nr 2006A11405 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 131 en 235bis - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 7 - 8 De mogelijkheid voor een partij, ten aanzien waarvan bij tussenarrest werd geoordeeld dat zij een nadeel heeft geleden maar die geen herstel onder de vorm van schadevergoeding heeft gevorderd, om na tussenarrest een vordering te stellen tot het bekomen van schadevergoeding, impliceert dat de appelrechters hun rechtsmacht om over deze vordering te oordelen nog niet hebben uitgeput

(1).
(1)Zie andersluidende concl. OM. Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Algemeen Vrije woorden: Tussenarrest - Oordeel dat partij nadeel heeft geleden maar geen vergoeding vordert - Vordering in schadevergoeding na tussenarrest - Uitputting van rechtsmacht - Toepassing Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 19 Thesaurus CAS: VORDERING IN RECHTE Vrije woorden: Tussenarrest - Oordeel dat partij nadeel heeft geleden maar geen vergoeding vordert - Vordering in schadevergoeding na tussenarrest - Uitputting van rechtsmacht - Toepassing Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 19 Fiche 9 De bekendmaking op de website van de Belgische Mededingingsautoriteit van de integrale versie van een arrest van het hof van beroep betreffende een betwisting in het kader van een onderzoeksprocedure inzake restrictieve mededingingspraktijken maakt geen straf uit in de zin van artikel 14 Grondwet
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: STRAF - ALLERLEI Vrije woorden: Betwisting in het kader van een onderzoeksprocedure inzake restrictieve mededingingspraktijken - Arrest van het hof van beroep - Beslissing tot het bekendmaken van de integrale versie van het arrest op de website van de Belgische Mededingingsautoriteit - Aard Wettelijke bepalingen: Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 14 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de conclusie C.18.0250.N Conclusie van eerste advocaat-generaal Ria Mortier
  1. Feiten en procedure 1.
  2. Uit de stukken waarop mag acht worden geslagen blijkt dat bij eerste verweerster klacht werd neergelegd wegens beweerde schending door eiseressen van de toenmalige Mededingingswet en de voorzitter van eerste verweerster in dit kader een machtiging verleende tot huiszoeking in de lokalen van eiseressen. Hierbij werden documenten in beslag genomen en gekopieerd waarop een proces-verbaal werd opgemaakt met vermelding dat de inbeslaggenomen documenten als "out of scope" werden behandeld en werden verzegeld. Nadien volgde verzegeling, ontzegeling en opnieuw verzegeling. Op 10 juni 2013 werd van de verzegeling een proces-verbaal opgesteld. Verder werd briefwisseling gevoerd tussen eiseressen met de auditeur van de Raad voor de Mededinging betreffende het "out of scope" karakter van de inbeslaggenomen documenten en volgde een nota van eiseressen met diverse voorbehouden in verband met de integriteit van het gevoerde onderzoek en de niet-verzegeling van diverse documenten. Eiseressen vorderden voor het hof van beroep te Brussel de vernietiging van het proces-verbaal van verzegeling van 10 juni
  3. Bij tussenarrest van 26 november 2014 werd het beroep van eiseressen ontvankelijk maar ongegrond verklaard, behoudens wat het "out of scope" karakter betreft van de door eiseressen betwiste bestanden. Het hof van beroep beval met betrekking tot die documenten een verificatietraject en verwees de zaak naar de bijzondere rol voor het geval in het verificatietraject geen overeenstemming wordt bereikt. Gezien geen overeenstemming werd bereikt volgt een eindarrest op 13 december 2017 waarbij het hof van beroep oordeelt dat er geen reden is de rechtspleging op te schorten. De vordering tot schadevergoeding van eiseressen tegen eerste verweerster wordt niet ontvankelijk verklaard voor de periode tot aan het tussenarrest en ongegrond voor de periode erna. 1.
  4. Tegen de arresten van 26 november 2014 en 13 december 2017 van het hof van beroep te Brussel voeren eiseressen vier middelen aan
  5. Eerste middel 2.
  6. In het eerste middel voeren eiseressen aan dat de appelrechters weliswaar vaststellen dat een voorafgaande machtiging tot huiszoeking werd verleend door de voorzitter van de Raad voor de Mededinging in toepassing van artikel 44, §3, vijfde lid, 2° WBEM, maar dat zij nalaten vast te stellen dat deze machtiging een rechterlijke machtiging is die voldoet aan het vereiste van artikel 15 GW zodat zij niet wettig besluiten tot de rechtsgeldigheid van de gedane huiszoeking. 2.
  7. Zoals in de memorie van antwoord terecht wordt aangevoerd leidt een strikte, formalistische lezing van het middel tot de niet ontvankelijkheid ervan. Eisers voeren immers de schending aan van artikel 22, §3, vijfde lid, 2°, van de gecoördineerde wet van 15 september 2006 tot bescherming van de economische mededinging (WBEM 2006), welke bepaling de regels over de algemene vergadering van de Raad voor de Mededinging betreft en bijgevolg vreemd is aan de aangevoerde grief met betrekking tot de rechtsgeldigheid van huiszoekingen. Gezien aangevoerd wordt dat de appelrechters met hun oordeel artikel 15 GW schenden, is de vermelding van de correcte wetsbepaling waarop de voorafgaande machtiging gebaseerd is noodzakelijk, bij gebreke waaraan het middel niet ontvankelijk voorkomt. 2.
  8. Het middel lijkt mij alleszins feitelijke grondslag te missen. Het gaat er in zijn geheel van uit dat de appelrechters niet hebben onderzocht of de voorafgaande machtiging die door de Voorzitter van de Raad voor de Mededinging werd verstrekt een rechterlijke machtiging is, dit is een machtiging gegeven door een onafhankelijk magistraat. Nadat de appelrechters evenwel in het arrest van 26 november 2014 onder punt 3 en met verwijzing naar stuk 1 van verweerder hebben geoordeeld dat een voorafgaande machtiging tot huiszoeking met toepassing van artikel 44, §3, vijfde lid, 2° WBEM 2006 werd verleend door de Voorzitter van de Raad voor de Mededinging, zodat zij minstens impliciet oordelen dat deze machtiging aan de (grond)wettelijke vereisten voldoet, bevestigen zij in hun arrest van 13 december 2017 onder punt 3.1.
  9. expliciet dat de huiszoeking was onderworpen aan de machtiging door de Voorzitter van de Raad en de voorzitter van de Raad een magistraat was, met name Stefan Raes. Uit de samenhang tussen beide arresten blijkt bijgevolg dat de appelrechters wel degelijk hebben onderzocht dat een rechterlijke machtiging voorlag.
  10. Tweede middel 3.
  11. Eiseressen voeren in het tweede middel aan dat het oordeel van de appelrechters om slechts over te gaan tot een marginale toetsing van de door het Auditoraat gegeven "in scope" kwalificatie van inbeslaggenomen documenten en niet tot een volledige toetsing, een schending inhoudt van artikel 75 WBEM
  12. Krachtens dit artikel 75, eerste lid kan tegen beslissingen van de Raad voor de Mededinging en van de voorzitter beroep ingesteld worden bij het hof van beroep te Brussel, behalve wanneer de Raad voor de Mededinging een beslissing neemt met toepassing van artikel
  13. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat het hof van beroep uitspraak doet met volle rechtsmacht inzake de vermeende restrictieve praktijken en desgevallend inzake de opgelegde sancties (...). Krachtens het derde lid kan het hof van beroep geldboetes en dwangsommen opleggen volgens de bepalingen zoals bedoeld in afdeling 8 van Hoofdstuk IV. 3.
  14. In zoverre wordt aangevoerd dat de schending van artikel 75 voor zoveel als nodig in samenhang dient gelezen te worden met de artikelen 131 en 235bis van het Wetboek van strafvordering, en het middel er dus van uit lijkt te gaan dat de regels inzake de strafvordering onverkort van toepassing zijn op een onderzoek betreffende het bestaan van restrictieve mededingingspraktijken, faalt het middel mijns inziens naar recht. Bij arrest van 3 juni 2011
(1)heeft Uw Hof gesteld dat "het onderzoek gebaseerd op de artikelen 44 tot 54 Wet Economische Mededinging 2006 geen strafrechtelijk onderzoek is" en dat "de vervolgingen op grond van het mededingingsrecht civielrechtelijk van aard zijn, ook al verloopt de procedure inquisitoriaal" en heeft uw Hof dus geoordeeld dat een onderzoek betreffende het bestaan van restrictieve marktpraktijken geen strafonderzoek is zodat de regels van het wetboek van strafvordering hierop niet van toepassing zijn. Dit oordeel vindt steun in de parlementaire voorbereiding en het advies van de Raad van State dat vermeldt dat "de indruk wordt gecreëerd dat aan de auditeurs en de ambtenaren van de Dienst voor de Mededinging bevoegdheid tot opsporing van misdrijven wordt toegekend. Ook de verwijzing naar de bevoegdheden van de officieren van de gerechtelijke politie schept ten onrechte de indruk dat de genoemde bevoegdheden binnen een strafrechtelijke context dienen te worden geplaatst"
(2). Hoewel het Grondwettelijk Hof in zijn arrest nr. 197/2011 van 22 december 2011, in het kader van een hoger beroep tegen beslissingen van het auditoraat inzake beslagleggingen die werden uitgevoerd tijdens een huiszoeking in de onderzoeksfase, heeft geoordeeld dat artikel 75 WBEM 2006 op een grondwettige manier wordt geïnterpreteerd indien het aan het hof van beroep te Brussel toelaat de modaliteiten te bepalen van de jurisdictionele toetsing waarin artikel 75 WBEM 2006 voorziet, rekening houdend met, in voorkomend geval, de artikelen 131 en 235bis Wetboek van strafvordering, kan hieruit niet worden afgeleid dat de artikelen 131 en 235bis Wetboek van Strafvordering sowieso rechtstreeks en onverkort van toepassing zijn in het kader van een hoger beroep bij het hof van beroep tegen een beslissing van het auditoraat. De procedure tot opsporing en vaststelling van mededingingsinbreuken blijft immers een specifieke procedure sui generis, waarop de regels inzake volle rechtsmacht van het strafprocesrecht niet zonder meer getransponeerd kunnen worden. Een rechtstreekse toepassing van de vermelde artikelen van het Wetboek van Strafvordering bij de invulling van het begrip "volle rechtsmacht" in een mededingingsrechtelijke context zou dan ook geen rekening houden met de bijzondere rol van het hof van beroep te Brussel, dat niet te vereenzelvigen is met de Raad voor de Mededinging of het auditoraat. 3.3. Immers in voormeld arrest van 3 juni 2011 heeft het Hof, gelet op de specifieke rol van het hof van beroep te Brussel, in het kader van een hoger beroep tegen een beslissing ten gronde van de Raad voor de Mededinging tot vaststelling van een mededingingsinbreuk en tot oplegging van een geldboete, geoordeeld dat "wanneer een onbeperkt hoger beroep wordt ingesteld tegen een beslissing van de Raad over een restrictieve mededingingspraktijk waarbij een restrictieve praktijk wordt vastgesteld en een boete wordt opgelegd, het hof van beroep te Brussel niet verplicht is een nieuw onderzoek te voeren of te beslissen om uit eigen beweging elementen uit het onderzoek aan een debat te onderwerpen met het oog op de vaststelling van de inbreuk. Het mag, wat de rechtspleging betreft, de toetsing beperken tot onder meer de vragen of de procedurevoorschriften en de motiveringsvereiste in acht zijn genomen. Het mag ook, wat de grond van de zaak betreft, de toetsing beperken tot de vraag of de feiten juist zijn weergegeven, of er geen sprake is van een kennelijke onjuiste beoordeling van de feiten en of de juridische kwalificatie van de feiten juist is, waarbij het hof van beroep beoordeelt of de aangevoerde bewijsstukken het relevante feitenkader vormen voor de beoordeling van de inbreuk en de daaruit getrokken conclusies kunnen dragen. Het moet op grond van de door het hof van beroep zelf of door de raad als vaststaande aangenomen feiten oordelen of de restrictieve praktijk vaststaat of niet. Het moet zelf bepalen of op grond van de aangehouden gegevens een eventuele geldboete verschuldigd is en van welke omvang." De achterliggende gedachte van deze invulling van de volle rechtsmacht van het hof van beroep in het kader van een toetsing van een beslissing ten gronde van de Raad voor de mededinging inzake de vaststelling van een restrictieve mededingingspraktijk, is dat de mededingingsautoriteiten over de nodige mankracht beschikken om ingewikkelde economische analyses te maken en onderzoeken te verrichten inzake de mededinging, terwijl de rechter diezelfde mankracht niet heeft. Deze oplossing werd geënt op de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgens dewelke het Hof zich bij de toetsing van een ingewikkelde economische beoordeling zijdens de Commissie bij de vaststelling van een mededingingsinbreuk mag beperken tot de vragen of de procedurevoorschriften in acht zijn genomen, of de motivering afdoende is, of de feiten juist zijn weergegeven en of er geen sprake is van een kennelijk onjuiste beoordeling van de feiten dan wel van misbruik van bevoegdheid
(3). Uit de bijzondere rol van het hof van beroep te Brussel en het beginsel van scheiding der machten volgt dat de feitenrechter, in het kader van zijn volle rechtsmacht, de wettigheid van de bestreden beslissing van de mededingingsautoriteit en de proportionaliteit van de opgelegde maatregel moet toetsen. Hij mag evenwel geen standpunt innemen betreffende beleids- of opportuniteitsvragen. Hij moet aldus een zekere appreciatiemarge laten aan de mededingingsautoriteit
(4). Tegen die achtergrond oordeelde het Hof in zijn arrest van 20 december 2013 op prejudiciële vraagstelling van het hof van beroep te Brussel, dat de volheid van rechtsmacht impliceert dat het hof van beroep, in de mate waarin het gevat is krachtens de devolutieve werking van het hoger beroep in de zin van artikel 1068, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek, uitspraak doet over alle rechts- en feitelijke vragen zoals zij door de Raad voor de Mededinging werden onderzocht. 3.4. Dezelfde principes moeten mijns inziens worden doorgetrokken om de volheid van rechtsmacht te bepalen waarmee het hof van beroep een beslissing van het auditoraat bij de Raad voor de Mededinging toetst in de onderzoeksfase, betreffende de aanwending in het onderzoek van tijdens een huiszoeking in beslag genomen gegevens met het oog op de vaststelling van een mededingingsinbreuk. Te dezen betreft dit de kwalificatie als "in scope" of "out of scope" van bepaalde in beslag genomen documenten. Gezien de specifieke rol die het hof van beroep vervult, is dit hof, voortbouwend op de principes vastgelegd in het arrest van 3 juni 2011 van Uw Hof, niet verplicht om de in beslag genomen documenten zelf opnieuw te onderzoeken. Het hof van beroep heeft hiertoe trouwens ook niet de nodige mankracht. Het hof mag de toetsing beperken tot de vragen of de auditeur de procedurevoorschriften in acht heeft genomen, of de beslissing inzake de kwalificatie van de documenten afdoende gemotiveerd is, of de feiten juist zijn weergegeven en of er geen sprake is van een kennelijk onjuiste beoordeling van de feiten dan wel van een misbruik van bevoegdheid. Het hof van beroep moet echter op grond van de door dit hof zelf of door het auditoraat als vaststaand aangenomen feiten oordelen of de beslissing van het auditoraat inzake de kwalificatie van de in beslag genomen documenten met het oog op de vaststelling van een restrictieve praktijk al dan niet gerechtvaardigd is. Deze oplossing vindt opnieuw steun in de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie in het kader van een toetsing door het Gerecht van een besluit van de Commissie waarbij een inspectie werd gelast tijdens de onderzoeksfase. Zo oordeelde het Gerecht van de Europese Unie in zijn arrest van 8 maart 2007
(5)dat "het in beginsel aan de Commissie staat om te beoordelen of een inlichting noodzakelijk is om een inbreuk op de mededingingsregels op te sporen". Het Gerecht laat dus ruimte voor de appreciatiebevoegdheid van de mededingingsautoriteit. Het Gerecht oordeelde in dit licht in zijn arrest van 6 september 2013
(6)dat "toetsing van de motivering van een besluit de rechter de mogelijkheid biedt erop toe te zien dat het beginsel tegen willekeurig en onevenredig optreden en het recht van verweer worden nageleefd, waarbij hij rekening houdt met de noodzaak om de Commissie een zekere flexibiliteit te laten, bij gebreke waarvan de bepalingen van Verordening nr. 1/2003 elk nuttig effect zou worden ontnomen. Het Hof van Justitie oordeelde in een beroep tegen deze beslissing in een arrest van 18 juni 2015
(7)"dat het Hof bevoegd is om het door de Commissie vastgestelde inspectiebesluit op zijn legitimiteit te toetsen". Het Hof oordeelde dat dit toezicht impliceert "dat de rechter van de Unie op basis van de gegevens die de verzoekende partij tot staving van haar middelen aanvoert, een volledige toetsing uitvoert, waarbij hij namelijk alle factoren, zowel in rechte als in feite, beoordeelt". Volgens dit arrest gebeurt de toetsing dus op basis van de feiten die partijen ter staving van hun middelen aanvoeren en op basis van de motivering van het besluit van de Commissie. Hieruit blijkt niet dat de rechter zelf alle achterliggende documenten opnieuw moet onderzoeken. Volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie heeft de motivering van een inspectiebesluit tot doel om duidelijk te maken dat het voorgenomen optreden in de gebouwen van de betrokken ondernemingen gerechtvaardigd is. De Commissie is echter niet gehouden een precieze juridische kwalificatie van de feiten/vermoede inbreuken te geven
(8). De Commissie moet evenmin uit voorzorg reeds gedetailleerd aangeven welke documenten de inspecteurs mogen inzien en welke niet
(9). Dit wijst opnieuw op de flexibiliteit die de Commissie bij haar beoordeling heeft. Anders dan bij de toetsing van een beslissing ten gronde van de Raad voor de Mededinging, moet het hof van beroep bij de toetsing van een beslissing van het auditoraat in de onderzoeksfase dus niet "nagaan of de juridische kwalificatie van de feiten juist is, waarbij het hof van beroep beoordeelt of de aangevoerde bewijsstukken het relevante feitenkader vormen voor de beoordeling van de inbreuk en de daaruit getrokken conclusies kunnen dragen", zoals geoordeeld in het voormeld arrest van 3 juni 2011 van Uw Hof. 3.
  1. Het tweede middel gaat er echter geheel van uit dat de appelrechters geen volledige toetsing hebben doorgevoerd, maar slechts een "marginale toetsing", om de enkele reden dat het hof van beroep de inhoud van de in beslag genomen documenten niet opnieuw zonder beperking heeft onderzocht. Het middel lijkt hierdoor aan te nemen dat de appelrechters exact dezelfde taak hebben als de Raad voor de Mededinging. Uit het bovenstaande blijkt evenwel dat, anders dan waarvan het middel uitgaat, de appelrechters wel een volledige toetsing hebben doorgevoerd, ook al hebben zij de in beslag genomen documenten niet zonder beperking beoordeeld. 3.
  2. Daarnaast kan worden opgemerkt dat de toetsing van de beslissing van het auditoraat betreffende de kwalificatie van de in beslag genomen documenten, die de appelrechters in casu hebben doorgevoerd, de artikelen 131 en 235bis Wetboek van strafvordering niet lijkt te schenden. Deze artikelen vereisen, zoals blijkt uit het arrest van 2 september 2015 van uw Hof, dat "een volledig toezicht" wordt uitgeoefend door respectievelijk de raadkamer of de kamer van inbeschuldigingstelling
(10). In dit arrest oordeelde uw Hof dat de Kamer van inbeschuldigingstelling met de beoordeling dat het bevel tot onderzoek voldoende was gemotiveerd en de inlichtingen in het proces-verbaal voldoende duidelijk om aanwijzingen op te leveren die de onderzoeksmaatregel rechtvaardigen, een volledig toezicht had uitgeoefend, ook al omschreef zij dit toezicht verkeerdelijk als een toezicht "prima facie". Er werd hier dus evenmin vereist dat de Kamer van inbeschuldigingstelling opnieuw een gedetailleerd onderzoek zou voeren met betrekking tot alle mogelijke relevante gegevens. Deze toets is vergelijkbaar met de toets die de appelrechters hebben gehanteerd in de zaak die voorligt en die zij mijns inziens correct hebben gedaan. Zij oordelen terecht dat het hof niet noodzakelijk van de inhoud van de afzonderlijke documenten kennis moet nemen en, ongeacht het gebruik van de term "marginale toetsing", oordelen zij hiermee enkel dat zij geen standpunt zullen innemen over beleids- of opportuniteitsvragen en zij de appreciatieruimte van het auditoraat betreffende de kwalificatie van de documenten eerbiedigen. Zij doen hiermee echter geen afbreuk aan hun volle rechtsmacht. Wanneer zij dan oordelen dat de motivering van de auditeur voldoende duidelijk is om de kwalificatie van de documenten als "in scope" te rechtvaardigen, hebben zij hierdoor met volle rechtsmacht geoordeeld
(11). Het tweede middel dat er geheel van uitgaat dat het hof van beroep te Brussel geen volledige toetsing heeft doorgevoerd om de enkele reden dat dit hof de inhoud van de in beslag genomen gegevens niet onbeperkt opnieuw heeft beoordeeld faalt bijgevolg naar recht.
  1. Derde middel 4.
  2. Eerste onderdeel 4.1.
  3. In het eerste onderdeel voeren eiseressen aan dat de appelrechters in het tussenarrest ten onrechte geen uitspraak hebben gedaan over de schending van de redelijke termijn in de zin van artikel 6.
  4. EVRM om reden dat dergelijke schending dient onderzocht te worden in het licht van het gehele onderzoek tot aan de eindbeslissing. Een lange periode van inactiviteit in de procedure volstaat immers op zich om een overschrijding van de redelijke termijn uit te maken. Uit de rechtspraak van het EHRM en van uw Hof volgt dat de rechter onaantastbaar oordeelt of de redelijke termijn in de zin van artikel 6.1 EVRM, binnen dewelke een vervolgd persoon het recht heeft dat zijn zaak wordt berecht, is overschreden. Hij beoordeelt dit over de hele duur van de rechtspleging en neemt daartoe de concrete omstandigheden van de zaak in aanmerking zoals de complexiteit van de zaak, de houding van de vervolgde persoon en de houding van de gerechtelijke overheid
(12)met name lange periodes van inactiviteit door die overheid, die slechts uitzonderlijke omstandigheden kunnen rechtvaardigen
(13). Het EHRM heeft in bepaalde rechtspraak geoordeeld dat de houding van de gerechtelijke overheid, namelijk lange periodes van inactiviteit, op zichzelf voldoende is om te besluiten tot een schending van artikel 6.1 EVRM wegens het overschrijden van de redelijke termijn
(14)maar het Hof beoordeelt de schending van artikel 6.1 EVRM wegens langere periodes van inactiviteit door de gerechtelijke overheid evenwel steeds aan het einde van de rechtspleging en in het licht van de gehele duur van die rechtspleging. In de aangehaalde rechtspraak definieert het EHRM vooreerst de gehele periode die in aanmerking moet worden genomen, waarna het beoordeelt of de redelijke termijn wordt overschreden volgens de daartoe ontwikkelde en reeds vermelde criteria. Het onderdeel dat er van uitgaat dat de rechter reeds tijdens het verloop van de rechtspleging kan beoordelen of langere periodes van inactiviteit op zich een schending uitmaken van artikel 6.1 EVRM wegens het overschrijden van de redelijke termijn, faalt naar recht. 4.1.
  1. Eiseressen voeren tevens aan dat de appelrechters in het eindarrest artikel 1138, 3° Ger.W. hebben geschonden waar zij ten onrechte beslissen dat hun rechtsmacht al uitgeput was voor de eerste periode die zich uitstrekte tot aan het tussenarrest en zij daarom geen uitspraak hebben gedaan op de vordering van eiseressen gesteund op de schending van de redelijke termijn. Uit de stukken waarop mag acht geslaan worden blijkt evenwel dat eiseressen in hun conclusie na tussenarrest hun vordering tot schadevergoeding wegens langdurige inactiviteit van de eerste verweerster niet hebben gegrond op een schending van artikel 6.1 EVRM. In zoverre eiseressen verwijten aan het eindarrest dat geen uitspraak werd gedaan over een punt van de vorering berust het op een verkeerde lezing en mist het onderdeel feitelijke grondslag. De appelrechters oordelen evenmin dat zij hun rechtsmacht hebben uitgeput met betrekking tot de vraag naar de schending van artikel 6.
  2. EVRM. Ook de aangevoerde schending van de artikelen 19, eerste en tweede lid Ger.W; en 1319, 1320 en 1322 BW missen feitelijke grondslag. 4.
  3. Tweede onderdeel 4.2.
  4. In het tweede onderdeel voeren eiseressen aan dat de appelrechters in het eindarrest ten onrechte hebben geoordeeld dat hun rechtsmacht was uitgeput met betrekking tot de periode tot aan het tussenarrest om reden waarvan zij de na het tussenarrest gestelde eis tot schadevergoeding hebben afgewezen als niet-ontvankelijk. Eiseressen voeren aan dat krachtens artikel 807 Ger.W. een vordering die voor de rechter aanhangig is kan worden uitgebreid of gewijzigd indien de nieuwe, op tegenspraak genomen conclusie berust op een feit of akte in de dagvaarding aangevoerd en dergelijke vordering, in samenhang gelezen met artikel 1138, 3° Ger.W., kan worden ingesteld tot aan de sluiting van het debat en de rechter verplicht is hierover uitspraak te doen. 4.2.
  5. Het voorwerp van de vordering is hetgeen door de eiser wordt gevorderd. Het is het economische, sociale of morele voordeel dat de eiser nastreeft en hetgeen de eiser dus in het beschikkend gedeelte van de rechterlijke beslissing wil zien staan
(15). Waar de inleidende vordering of hoofdvordering het rechtsgeding opent, vormt elke vordering die in de loop van het geding wordt ingesteld een tussenvordering, die zich ent op een reeds hangende procedure. Indien de tussenvordering ertoe strekt de hoofdvordering uit te breiden, te wijzigen of aan te vullen, krachtens de artikelen 807 en 808 Ger.W., sleutelt de oorspronkelijke eiser dus aan hetgeen hij vraagt, aan hetgeen hij in het beschikkend gedeelte wil zien staan
(16). De mogelijkheid om een aanvullende vordering in te stellen staat open in elke stand van het geding, met andere woorden vanaf de inleiding tot aan de sluiting van het debat. Indien de rechter evenwel zijn rechtsmacht heeft uitgeput dan kan omtrent hetgeen reeds is beslist geen tussenvordering meer worden ingesteld. Heeft de rechter zijn rechtsmacht uitgeput omtrent een bepaalde vordering, dan kan die vordering dus niet meer worden gebruikt om er een aanvullende vordering op te enten. De mogelijkheid om die aanvulling te enten is immers teloor gegaan
(17). De vordering is niet meer voor de rechter aanhangig en kan dus niet meer worden uitgebreid of aangevuld. 4.2.3. Uitputting van rechtsmacht vindt zijn grondslag in artikel 19 Ger.W. krachtens hetwelk een vonnis een eindvonnis is in zoverre daarmee de rechtsmacht van de rechter over een geschilpunt uitgeput is, behoudens de rechtsmiddelen bij wet bepaald en de rechter die zijn rechtsmacht over een geschilpunt heeft uitgeput, terzake niet meer kan worden geadieerd behoudens de bij wet bepaalde uitzonderingen. In die zin oordeelt Uw Hof dat uit de artikelen 19, eerste en tweede lid, 23, 616 en 1050 Gerechtelijk Wetboek volgt dat de exceptie van rechtsmacht verhindert dat de rechter in hoger beroep terugkomt op een definitieve beslissing waaromtrent zijn rechtsmacht is uitgeput
(18). Met andere woorden, wat eenmaal definitief werd beslecht staat voor de rechter die dit oordeel heeft geveld onwrikbaar vast. Desgevallend zal hij zelf de partijen hierop moeten attent maken door expliciet te weigeren zijn beslissing te herzien. Er wordt immers aangenomen dat de exceptie van uitputting van rechtsmacht de openbare orde raakt
(19). 4.2.
  1. In hun conclusies in hoger beroep, neergelegd op 20 januari 2014, hadden eiseressen aangevoerd dat de lange stilstand van het onderzoek tussen de huiszoeking en de ontzegeling een schending uitmaakte van artikel 6.1 EVRM en een miskenning van het recht van verdediging zoals gewaarborgd door artikel 6.
  2. EVRM. Zij vorderden op die grond bij wijze van herstel de vrijspraak, minstens de nietigverklaring/ ongeldigverklaring van de huiszoeking dan wel de inbeslagnames. Bij tussenarrest van 26 november 2014 hebben de appelrechters over deze vordering geoordeeld. Zij overwogen dat het auditoraat weliswaar niet heeft gehandeld zoals normaal voorzichtige onderzoekers in dezelfde omstandigheden zouden doen en eiseressen hierdoor een zeker nadeel hebben geleden, maar zij voor deze onrechtmatige vertraging geen herstel onder de vorm van schadevergoeding hebben gevorderd zodat de vraag naar de bepaling van de geleden schade zich in de huidige procedure niet stelt. In het dispositief van het arrest van 26 november 2014 verklaren de appelrechters het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Enkel wat betreft het "in of out of scope karakter" van de door eerste eiseres betwiste bestanden worden partijen uitgenodigd het verificatietraject, op te starten door eerste verweerster, te voltrekken binnen de dertig werkdagen na de uitspraak. De appelrechters oordelen dat bij ontstentenis van nader verstrekte motivering door eerste verweerster de betwiste bestanden uit het beslag worden gelicht en dienen te worden vrijgegeven en dat bij ontstentenis van bereikte overeenstemming over de verstrekte motivering het aan eerste eiseres staat een nieuwe vaststelling te vragen. De zaak wordt dienvolgens naar de bijzondere rol van de kamer verwezen. Voor het beoordelen van de exceptie van rechtsmacht in het geval van een gemengde beslissing, moeten de diverse onderdelen ervan worden uitgesplitst. Met betrekking tot definitief berechte geschilpunten heeft de rechter zijn rechtsmacht uitgeput, maar dit is niet het geval met die beschikkingen die als "alvorens recht te doen" moeten gekwalificeerd worden waarmee wordt bedoeld de door de rechter ten gronde bevolen voorafgaande maatregel om de toestand van partijen voorlopig te regelen
(20). Het arrest van 26 november 2014 kan als een gemengde beslissing worden aanzien, nu het zowel een definitieve beslissing bevat- in zoverre het hoger beroep ontvankelijk en ongegrond wordt verklaard-, als een maatregel alvorens recht te doen. De appelrechters beslissen weliswaar niet tot een heropening van het debat op vaste datum maar verwijzen de zaak naar de bijzondere rol en laten het aan het initiatief van eerste eiseres over zo nodig een nieuwe fixatie te vragen. Waar Uw Hof uitdrukkelijk stelt dat na heropening van het debat, dit debat enkel nog kan gaan over het door de rechter aangewezen onderwerp en geen enkele nieuwe vordering kan worden gesteld en de bestaande vorderingen die buiten het door de rechter bepaalde onderwerp vallen niet kunnen worden uitgebreid of gewijzigd, tenzij het debat, na de heropening ervan in zijn geheel wordt hernomen wegens wijziging van de samenstelling van het rechtscollege
(21), blijkt uit het dispositief van het tussenarrest van 26 november 2014 duidelijk dat de maatregel alvorens recht te doen enkel betrekking had op het verificatietraject met betrekking tot het in of out of scope karakter van de betwiste bestanden. dit arrest was dus voor het overige definitief, en dus ook voor wat betreft de beoordeling van de gestelde vordering met betrekking tot de niet-diligente houding van verweerster tijdens de eerste periode van stilstand. De appelrechters die in het eindarrest van 13 december 2017 oordelen dat hun rechtsmacht uitgeput is in de mate de vordering betrekking heeft op het tijdsverloop tussen de huiszoeking en de ontzegeling van de betwiste documenten, zodat het middel dat er toe strekt dit rechtspunt andermaal beslecht te zien niet ontvankelijk is, verantwoorden derhalve hun beslissing als naar recht. Het tweede onderdeel kan niet aangenomen worden.
  1. Vierde middel 5.
  2. In het vierde middel wordt aangevoerd dat de appelrechters in het eindarrest van 13 december 2017 ten onrechte de publicatie op de website van eerste verweerster hebben bevolen van zowel het beschikkend gedeelte als de integrale tekst van het arrest. Dit oordeel houdt aldus eiseressen een schending in van artikel 14 GW en artikel IV.66, §2, 2de lid WER. 5.
  3. De appelrechters oordelen vooreerst dat in het licht van artikel IV.66, §2, 2de lid WER aan de wettelijke vereisten van bekendmaking is voldaan mits het beschikkend gedeelte in het Belgisch staatsblad wordt gepubliceerd, maar dat het past dat de integrale versie van het arrest zou bekendgemaakt worden op de websites van eerste verweerster. Zij baseren zich dus niet op de bepalingen van het WER als rechtsgrond voor deze beslissing maar oordelen onaantastbaar dat het in het kader van een passende informatieverstrekking behoort dit arrest integraal op de website van eerste verweerster te publiceren. In zoverre het middel steunt op een schending van artikel IV.66, §2, 2de lid WER mist het feitelijke grondslag. Eiseressen voeren aan dat dergelijke publicatie als een straf moet worden beschouwd die niet bij wet is voorzien zodat een schending van artikel 14 GW voorligt. De beslissing tot publicatie van het arrest op de website van eerste verweerster heeft betrekking op een betwisting in het kader van een onderzoeksprocedure inzake restrictieve mededingingspraktijken. Dergelijk onderzoek betreft, zoals uitgebreid uiteengezet in het kader van het tweede middel, geen strafrechtelijk onderzoek waarop de strafrechtelijke procedure onverkort van toepassing is. Bovendien wordt de publicatie niet bevolen als reactie op een onrechtmatige gedraging, maar beoogt die, zoals eerder vermeld, passende informatieverstrekking en transparantie zodat de publicatie niet als sanctie, laat staan als straf kan worden beschouwd. In zoverre het middel een schending aanvoert van artikel 14 GW faalt het naar recht. Conclusie: verwerping. _______________________
(1)Cass. 3 juni 2011, C.09.0227.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110603.1, AC 2011, nr. 374; Cass. 20 december 2013, H.13.0001.F ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131220.1, AC 2013, nr. 702.
(2)Advies 38.503/1 Raad van State bij het wetsontwerp tot bescherming van de economische mededinging, Parl. St. Kamer, 2005-06, nr. 2180/001, 145.
(3)Zie o.a. HvJ, 7 januari 2004, Aalborg Portland e.a. t. Commissie, C 204/00 P, C 205/00 P, C 211/00 P, C 213/00 P, C 217/00 P en C 219/00 P, r.o. 279; GEU, 26 oktober 2000, Bayer t. Commissie, T 41/96, r.o. 62.
(4)Zie in die zin conclusie advocaat-generaal C. Vandewal vòòr Cass. 3 juni 2011, AR C.09.0227.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110603.1, AC 2011, nr. 374; Zie Wetsontwerp houdende invoeging van de bepalingen die een aangelegenheid regelen als bedoeld in artikel 77 Grondwet, in boek IV "Bescherming van de mededinging" en boek V "De mededinging en de prijsevoluties" van het Wetboek van economisch recht, Parl. St. Kamer, 2012-13, nr. 2591/001 en 2592/001, 166: "het hof van beroep te Brussel zal niet louter omwille van opportuniteitsredenen zijn beslissing in de plaats kunnen stellen van deze van het Mededingingscollege of de Voorzitter, doch wel omwille van gebreken in de wettigheid of de proportionaliteit van de opgelegde maatregel".
(5)GEU 8 maart 2007, France Télécom SA / Commissie, T-340/04, r.o. 148.
(6)GEU 6 september 2013, Deutsche Bahn AG, T-289/11, T-290/11 en T-521/11
(7)HvJ 18 juni 2015, Deutsche Bahn AG, C-583/13 P, r.o. 33-34.
(8)HvJ. 8 maart 2007, France Télécom SA t. Commissie, T-340/04, r.o. 50-51.
(9)Conclusie van advocaat-generaal Kokott van 3 april 2014 bij zaak C-37/13 P, Nexans SA, r.o. 60-62
(10)Zie Cass. 2 september 2015, AR P.15.1211.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150902.10, AC 2015, nr. 478.
(11)Zie in die zin uitdrukkelijk, Cass. 3 juni 2011, AR C.09.0227.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110603.1, AC 2011, nr. 374. Zie ook Cass. 20 december 2013, H.13.0001.F ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131220.1, AC 2013, nr. 702: "het hof van beroep heeft niet de hoedanigheid van mededingingsautoriteit. Het is een gerechtelijke beroepsinstantie die moet nagaan of de door de auditeur in aanmerking genomen gegevens een restrictieve mededingingspraktijk uitmaken en of de door hem verwoorde bezwaren bewezen zijn. Hij kan bijgevolg geen uitspraak doen over de bezwaren of gegevens waarover de Raad voor de Mededinging geen uitspraak heeft gedaan."
(12)Cass. 12 januari 2016, AR P.15.0514.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160112.2, AC 2016, nr. 22; EHRM 2 september 2010, Sergey Timofeyev t. Rusland, nr. 12111/04, r.o. 90 en 93; EHRM 14 oktober 2010, Veriter t. Frankrijk, nr. 31508/07, r.o. 64 en 69-70; EHRM 28 juni 2011, Ligeres t. Letland, nr. 17/02, r.o. 68 en 71-76.
(13)J. VELU en R. ERGEC, Convention européenne des droits de l'homme in RPDB, Brussel, Bruylant, 2014; EHRM 26 mei 1993, Bunkate t. Nederland, nr. 13645/88, r.o. 21-23; EHRM 23 juni 1994, De Moor t. België, nr. 16997/90, r.o. 68; EHRM 26 april 2001, Ferrarin t. Italië, nr. 34203/96, r.o. 25-27.
(14)EHRM 26 mei 1993, Bunkate t. Nederland, nr. 13645/88, r.o. 21-23; EHRM 26 april 2001, Ferrarin t. Italië, nr. 34203/96, r.o. 25-27.
(15)S. MOSSELMANS, Tussenvorderingen, APR, 2007, nr. 89.
(16)S. MOSSELMANS, Tussenvorderingen, APR, 2007, nr. 29 en 37.
(17)S. MOSSELMANS, Tussenvorderingen, APR, 2007, nr. 218.
(18)Cass. 8 maart 2019, AR C.16.0130.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190308.1, AC 2019, nr. 146.
(19)P. TAELMAN, "Enkele bedenkingen nopens rechtsmacht en gezag van het rechterlijk gewijsde", Proces en Bewijs, 1993, 110.
(20)P. TAELMAN, Enkele bedenkingen nopens rechtsmacht en gezag van het rechterlijk gewijsde, Proces en Bewijs, 1993, 116.
(21)Cass. 13 mei 2013, AR S.12.0045.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130513.2, AC 2013, nr. 293. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190912.1 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190912.1 citeert: ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110603.1 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130513.2 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131220.1 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150902.10 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160112.2 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190308.1 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250110.1N.2 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250110.1N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.