← België

ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190912.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 12 september 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190912.2 Rolnummer: C.18.0381.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Unierecht - Internationaal publiekrecht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2019-10-02 Raadplegingen: 432 - laatst gezien 2026-06-28 18:30 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190912.2 Fiches 1 - 5 Een nietig verklaarde overeenkomst kan voor partijen geen grondslag van rechten en verplichtingen zijn

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: ECONOMIE Vrije woorden: Distributieovereenkomst - Beding van verticale prijsbeperking - Hardekernrestrictie - Nietigheid van rechtswege - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag van 25 maart 1957 tot oprichting van de Europese Gemeenschap, in de versie ervan geconsolideerd te Amsterdam op 2 oktober 1997, goedgekeurd bij de wet van 10 augustus 1998 - 25-03-1957 - Art. 81, tweede lid - 38 Link Justel databank 19570325-38 Verdrag van 25 maart 1957 betreffende de werking van de Europese Unie - 25-03-1957 - thans art. 101 - 01 Link Justel databank 19570325-01 Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Algemeen Vrije woorden: Artikel 81, tweede lid EG-verdrag (thans artikel 101 VWEU) - Distributieovereenkomst - Beding van verticale prijsbeperking - Hardekernrestrictie - Nietigheid van rechtswege - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag van 25 maart 1957 tot oprichting van de Europese Gemeenschap, in de versie ervan geconsolideerd te Amsterdam op 2 oktober 1997, goedgekeurd bij de wet van 10 augustus 1998 - 25-03-1957 - Art. 81, tweede lid - 38 Link Justel databank 19570325-38 Verdrag van 25 maart 1957 betreffende de werking van de Europese Unie - 25-03-1957 - thans art. 101 - 01 Link Justel databank 19570325-01 Thesaurus CAS: INTERNATIONALE VERDRAGEN Vrije woorden: Artikel 81, tweede lid EG-verdrag (thans artikel 101 VWEU) - Distributieovereenkomst - Beding van verticale prijsbeperking - Hardekernrestrictie - Nietigheid van rechtswege - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag van 25 maart 1957 tot oprichting van de Europese Gemeenschap, in de versie ervan geconsolideerd te Amsterdam op 2 oktober 1997, goedgekeurd bij de wet van 10 augustus 1998 - 25-03-1957 - Art. 81, tweede lid - 38 Link Justel databank 19570325-38 Verdrag van 25 maart 1957 betreffende de werking van de Europese Unie - 25-03-1957 - thans art. 101 - 01 Link Justel databank 19570325-01 Thesaurus CAS: OVEREENKOMST - EINDE Vrije woorden: Distributieovereenkomst - Beding van verticale prijsbeperking - Hardekernrestrictie - Nietigheid van rechtswege - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag van 25 maart 1957 tot oprichting van de Europese Gemeenschap, in de versie ervan geconsolideerd te Amsterdam op 2 oktober 1997, goedgekeurd bij de wet van 10 augustus 1998 - 25-03-1957 - Art. 81, tweede lid - 38 Link Justel databank 19570325-38 Verdrag van 25 maart 1957 betreffende de werking van de Europese Unie - 25-03-1957 - thans art. 101 - 01 Link Justel databank 19570325-01 Annotaties Publicaties: Rechtspraak Antwerpen Brussel Gent [RABG] - 2020, nr. 11/12, p. 897-
  1. - JACOBS, Piet; VAN DEN BROECK, Koen; Noot'Schadevergoeding bij nietigheid van de distributieovereenkomst wegens strijdigheid met het mededingingsrecht' Tekst van de conclusie C.18.0381.N Conclusie van eerste advocaat-generaal Ria Mortier
  2. Feiten en procedure 1.
  3. Uit de stukken waarop mag worden acht geslagen blijkt dat eiseres een producent is van medische producten die zij via verweerster verdeelt in België en Luxemburg. Tussen partijen werd een exclusief verdelingscontract gesloten waarin een niet-concurrentiebeding werd opgenomen. Eiseres stelde echter vast dat verweerster in België ook producten te koop aanbood die rechtstreeks concurreerden met de door haar geproduceerde producten en stelde om die reden een eind aan de overeenkomst. De gesprekken tussen partijen leverden niets op waarna verweerster overging tot dagvaarding. Nadat de eerste rechter oordeelde dat verweerster het niet-concurrentiebeding had geschonden en eiseres dienvolgens de overeenkomst kon beëindigen zonder aanspraak op vergoeding door verweerster, oordeelden de appelrechters dat de overeenkomst tussen partijen, nu zij een "hardcore" beperking bevat, onder het verbod valt van artikel 101, eerste lid VWEU en de overeenkomst, met inbegrip van het niet-concurrentiebeding, nietig moet worden verklaard. Eiseres wordt veroordeeld tot betaling van door verweerster gevorderde vergoedingen. 1.
  4. Tegen het arrest van 20 februari 2018 van het hof van beroep te Brussel voert eiseres één middel aan waarin zij zich richt tegen de rechtgevolgen die de appelrechters verbinden aan een door hen nietig verklaarde overeenkomst. 1.
  5. Verweerster werpt ten aanzien van dit middel twee gronden van niet-ontvankelijkheid op. Met de eerste grond van niet-ontvankelijkheid voert zij aan dat het middel geen belang vertoont nu de beslissing geschraagd wordt door een tweede zelfstandige, niet- bekritiseerde reden. In deze "ten overvoede" gegeven reden oordelen de appelrechters dat ook ingeval de overeenkomst niet nietig wordt verklaard er evenmin een grove tekortkoming kan worden weerhouden. De appelrechters onderscheiden dus twee verschillende situaties. De situatie waarin de overeenkomst wordt nietig verklaard en de situatie waarin dit niet het geval is. Het middel richt zich evenwel niet tegen het oordeel van de appelrechters dat de overeenkomst nietig wordt verklaard maar wel tegen de rechtsgevolgen die zij hieraan verbinden. De beslissing van de appelrechters met betrekking tot het niet nietig verklaren van de overeenkomst is dus geen zelfstandige reden ten aanzien van de aangevochten beslissing. De eerste grond van niet-ontvankelijkheid kan bijgevolg niet aangenomen worden. Uit de stukken waarop mag worden acht geslagen blijkt dat eiseres voor de appelrechters de nietigheid van de overeenkomst had betwist. In die omstandigheden is het middel dat zich richt tegen de rechtsgevolgen die de appelrechters verbinden aan de door hen nietig verklaarde overeenkomst, niet nieuw. Ook de tweede grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen.
  6. Bespreking 2.
  7. Partijen betwisten niet dat op het tussen hen gerezen geschil de Alleenverkoopwet
(1)van toepassing is. Krachtens artikel 1, §2 van de Alleenverkoopwet is een verkoopconcessie iedere overeenkomst krachtens welke een concessiegever aan een of meer concessiehouders het recht voorbehoudt in eigen naam en voor eigen rekening producten te verkopen, die hijzelf vervaardigt of verdeelt. De concessiehouder heeft dan op zijn beurt de verplichting om de goederen die het voorwerp uitmaken van de overeenkomst weder te verkopen. De Alleenverkoopwet biedt verregaande bescherming aan de concessiehouder en heeft dan ook een strikt toepassingsgebied in die zin dat zij enkel van toepassing is op concessieovereenkomsten die beantwoorden aan de definitie van artikel 1 van de wet. Op concessieovereenkomsten die buiten de toepassing van de Alleenverkoopwet vallen wordt het gemeen verbintenissenrecht toegepast
(2). 2.2. Ook de beëindiging van een concessie van alleenverkoop is onderworpen aan de Alleenverkoopwet die afwijkt van het gemeen recht. Hoewel krachtens artikel 1134, alinea 2 BW overeenkomsten niet kunnen worden herroepen dan met wederzijdse toestemming van de partijen of op gronden door de wet erkend, wordt evenwel aanvaard dat een overeenkomst die is aangegaan voor onbepaalde duur en die opeenvolgende prestaties bevat, in principe op gelijk welk ogenblik door elk van de partijen kan opgezegd worden, nu de openbare orde er zich tegen verzet dat partijen zich niet zouden kunnen losmaken van hun verbintenissen. Omwille van die opzegbaarheid "ad nutum" van overeenkomsten van onbepaalde duur met opeenvolgende prestaties achtte de wetgever het nodig in te grijpen om het statuut van verkoopconcessiehouder vast te stellen en aan dit soort contract een grotere stabiliteit te verlenen
(3). Artikel 2 Alleenverkoopwet voorziet dan ook dat iedere partij bij een concessieovereenkomst deze overeenkomst op elk ogenblik kan beëindigen. Die beëindiging wordt wel afhankelijk gemaakt van een redelijke opzeggingstermijn of een billijke vergoeding. 2.3. De hypothese van de grove tekortkoming van één van de partijen aan haar contractuele verplichtingen werd in de Alleenverkoopwet uitdrukkelijk geregeld. Elke partij heeft het recht de overeenkomst met onmiddellijke ingang te beëindigen indien deze beslissing gerechtvaardigd wordt door het foutieve gedrag van de tegenpartij. Nu de Alleenverkoopwet geen definitie bevat van wat onder "grove tekortkoming" moet worden verstaan, moet deze overeenkomstig het gemeen recht gedefinieerd worden. Een grove tekortkoming bestaat in de zin van artikel 1184 BW indien een partij één of meerdere van haar uit het contract voortvloeiende verplichtingen niet, foutief, onvolledig of slecht nakomt en indien dit als zodanig ernstig beschouwd wordt dat het onverenigbaar is met de verdere instandhouding van de overeenkomst
(4). Een grove tekortkoming aan een contractuele verplichting veronderstelt echter steeds het bewijs van het bestaan van een contractuele verplichting. Zonder dergelijke contractuele verplichting kan er immers geen sprake zijn van een tekortkoming. 2.4. Distributieovereenkomsten kunnen evenwel ook worden beëindigd door toepassing van het mededingingsrecht zelf. Artikel 81, tweede lid EG-Verdrag ( thans artikel 101 VWEU) bepaalt immers dat een overeenkomst die strijdig is met het eerste lid van dat artikel en die niet vrijgesteld kan worden op grond van het derde lid van rechtswege nietig is
(5). Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat de nietigheid van rechtswege van een overeenkomst in de zin van artikel 81 EG-Verdrag zich alleen uitstrekt tot de onderdelen van de overeenkomst die ingevolge artikel 81, eerste lid verboden zijn, of tot de overeenkomst in haar geheel wanneer de onderdelen niet van de overeenkomst zelf kunnen worden losgekoppeld
(6). Het staat daarbij aan de rechter om volgens het toepasselijke nationale recht de draagwijdte van de nietigheid van bepaalde bedingen en de gevolgen ervan voor de contractuele beperkingen in hun geheel te beoordelen
(7). Om de reikwijdte van de vernietiging te bepalen, wordt naar Belgisch recht traditioneel het criterium van het ondeelbaar of onverbrekelijk verband gehanteerd
(8). Wanneer een nietige bepaling een onverbrekelijke band met de overeenkomst vertoont, is bijgevolg de gehele overeenkomst nietig is. Dit is een feitenkwestie waarover de rechter onaantastbaar oordeelt. Indien echter de aanwezigheid van een "hardcorebeperking" uit artikel 4 van de Groepsvrijstelling in de overeenkomst wordt geïdentificeerd, wordt het voordeel van de groepsvrijstelling uitgesloten voor de hele overeenkomst. Verticale prijsbinding door het opleggen van minimumprijzen alsook het eenzijdig bepalen van de prijs welke de afnemer aan zijn klanten moet vragen vormt een dergelijke hardcorebeperking
(9)die niet kan gescheiden worden van de rest van de overeenkomst. 2.5. Gezien het absolute karakter van dergelijke nietigheid, heeft een krachtens artikel 81 EG-Verdrag nietige overeenkomst geen gevolgen in de betrekkingen tussen de partijen die de overeenkomst hebben gesloten en kan zij aan derden niet worden tegengeworpen. Op dat vlak verschilt de mededingingsrechtelijke nietigheidssanctie niet van de gemeenrechtelijke. Bovendien werkt een nietige rechtshandeling terug tot op het moment dat zij ontstond. Ook het Hof van Justitie bevestigde dit
(10). Gelet op die retroactieve werking moeten partijen bij nietigverklaring van een overeenkomst, zo mogelijk, in dezelfde toestand worden geplaatst als die waarin zij zich zouden bevinden indien zij niet hadden gecontracteerd. Hoewel restitutio in integrum praktisch denkbaar is in situaties waarin een overeenkomst nog niet is uitgevoerd behelzen distributieovereenkomsten een complex geheel van wederzijdse verbintenissen, niet zelden gespreid over een lange periode zodat een herstel in de oorspronkelijke toestand praktisch moeilijk haalbaar wordt. Hieraan kan desgevallend tegemoet worden gekomen via het uitspreken van een gedeeltelijke nietigheid of het toekennen van een herstel bij equivalent
(11). Indien echter een overeenkomst in zijn geheel nietig wordt verklaard kan deze, aldus Uw Hof
(12)voor partijen geen grondslag van rechten en verplichtingen zijn. Eens de nietigheid van de volledige overeenkomst wordt vastgesteld kan een partij bij de overeenkomst hieruit dus geen rechten meer putten. De vernietiging van een volledige overeenkomst verzet er zich bijgevolg ook tegen dat een schadebeding na vernietiging uitwerking krijgt
(13). 2.6. Gelet op wat voorafgaat kunnen de appelrechters wel gevolgd worden in hun oordeel dat de aanwezigheid van een beding van verticale prijsbeperking een hardcorebeperking uitmaakt zodat de overeenkomst niet kan genieten van de groepsvrijstelling. Zonder dat zij het ondeelbaar of onverbrekelijk verband van dit beding met de overeenkomst hebben nagegaan verklaren zij de overeenkomst geheel nietig. Zij oordelen verder (terecht) dat nu een nietig contract voorligt, er dus geen contractuele verplichtingen bestaan en verweerster in die zin geen grove tekortkoming heeft begaan. Zij kennen echter op grond van de redenering dat geen grove tekortkoming voorligt de door verweerster gevorderde vergoedingen toe, met name de gevorderde opzeggingsvergoeding en cliënteelvergoeding, met terugname van de voorraad en de betaling ervan, die evenwel gebaseerd zijn op de door hen nietig verklaarde alleenverkoopovereenkomst. Zij kennen in die omstandigheden dus aan een nietig verklaarde overeenkomst toch rechtsgevolgen toe. Het middel dat aanvoert dat de rechter die een verkoopconcessie nietig verklaart geen veroordeling op grond van de artikelen 2 en 3 van de Alleenverkoopwet kan uitspreken komt derhalve gegrond voor. Conclusie: vernietiging met verwijzing. ____________________
(1)Wet van 27 juli 1961 betreffende de eenzijdige beëindiging van de voor onbepaalde tijd verleende concessies van alleenverkoop.
(2)P. NAEYAERT en E. TERRYN, Beëindiging van overeenkomsten met handelstussenpersonen, P. NAEYAERT en E. TERRYN(Eds.), Business and Economics, 2009, p. 121, nr. 9.
(3)ARIANE DESTRYCKER, Beëindiging van de verkoopconcessie, in Beëindiging van overeenkomsten met handelstussenpersonen, P. NAEYAERT en E. TERRYN(Eds.), Business and Economics, 2009, p. 375.
(4)ARIANE DESTRYCKER, Beëindiging van de verkoopconcessie, in Beëindiging van overeenkomsten met handelstussenpersonen, P. NAEYAERT en E. TERRYN(Eds.), Business and Economics, 2009, p. 377.
(5)STIJN DE DIER en WOUTER DEVROE, Werking en einde van agentuur- en distributieovereenkomsten: mededingingsrechtelijke analyse in Beëindiging van overeenkomsten met handelstussenpersonen, P. NAEYAERT en E. TERRYN(Eds.), Business and Economics, 2009, 513.
(6)HvJ, Cepsa estaciones de servicio / LV Tobar e Hijos SL, C-279/06, r.o. 78 en 79; Cass. 28 juni 2012, AR C.10.0433.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120628.17, AC 2012, nr. 419 met concl. van advocaat-generaal C. VANDEWAL.
(7)HvJ, Cepsa estaciones de servicio / LV Tobar e Hijos SL, C-279/06, r.o. 78 en 79; Cass. 28 juni 2012, AR C.10.0433.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120628.17, AC 2012, nr. 419 met concl. van advocaat-generaal C. VANDEWAL.
(8)T. TANGHE, Gedeeltelijke ontbinding en vernietiging van overeenkomsten, Intersentia, 2015, 149.
(9)STIJN DE DIER en WOUTER DEVROE, Werking en einde van agentuur- en distributieovereenkomsten: mededingingsrechtelijke analyse in Beëindiging van overeenkomsten met handelstussenpersonen, P. NAEYAERT en E. TERRYN(Eds.), Business and Economics, 2009, 506.
(10)STIJN DE DIER en WOUTER DEVROE, Werking en einde van agentuur- en distributieovereenkomsten: mededingingsrechtelijke analyse in Beëindiging van overeenkomsten met handelstussenpersonen, P. NAEYAERT en E. TERRYN(Eds.), Business and Economics, 2009, 516 met aldaar vermelde verwijzingen naar de rechtspraak van het HvJ.
(11)STIJN DE DIER en WOUTER DEVROE, Werking en einde van agentuur- en distributieovereenkomsten: mededingingsrechtelijke analyse in Beëindiging van overeenkomsten met handelstussenpersonen, P. NAEYAERT en E. TERRYN(Eds.), Business and Economics, 2009, 517.
(12)Cass. 28 november 2013, AR C.12.0556.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131128.3, AC 2013, nr. 641.
(13)T. TANGHE, Gedeeltelijke ontbinding en vernietiging van overeenkomsten, Intersentia, 2015, 173. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190912.2 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190912.2 citeert: ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120628.17 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131128.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.