← België

ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190912.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 12 september 201

Art. 267

, eerste lid - 01 Link Justel databank 19570325-01 Decreet Vlaamse Raad - 17-07-2000 - Artt. 23, § 1, eerste lid, en 25 - 77 ELI link Pub nr 2000035898 Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Instellingen Vrije woorden: Hof van Justitie - Prejudiciële vraag - Arrest - Uitlegging van het unierecht - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag EG/

Art. 267

, eerste lid - 01 Link Justel databank 19570325-01 Decreet Vlaamse Raad - 17-07-2000 - Artt. 23, § 1, eerste lid, en 25 - 77 ELI link Pub nr 2000035898 Thesaurus CAS: ENERGIE Vrije woorden: Groenestroomcertificaten - Nationale regeling - Verenigbaarheid met het unierecht - Prejudiciële vraag Hof van Justitie - Arrest - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag EG/

Art. 267

, eerste lid - 01 Link Justel databank 19570325-01 Decreet Vlaamse Raad - 17-07-2000 - Artt. 23, § 1, eerste lid, en 25 - 77 ELI link Pub nr 2000035898 Tekst van de conclusie C.19.0005.N Conclusie van eerste advocaat-generaal Ria Mortier

  1. Feiten en procedure Uit de stukken waarop mag acht worden geslagen blijkt dat het geding tussen partijen betrekking heeft op een administratieve geldboete die verweerster aan eiseres had opgelegd wegens een tekortkoming aan haar verplichting tot voorlegging van groenestroomcertificaten. Dezelfde problematiek komt aan bod in vijf parallelle dossiers, telkens met betrekking tot een ander jaartal. De betwisting in onderhavige zaak heeft betrekking op het jaar
  2. De kern van de discussie betrof niet de berekeningswijze of het bedrag van de administratieve boete, maar wel de herkomst van de certificaten die in aanmerking werden genomen voor het beoordelen van het voldoen aan de quotumplicht. De eiseres had, om aan haar quota te voldoen, groenestroomcertificaten ingediend die gedeeltelijk afkomstig waren van producenten gelegen in het Vlaams Gewest en gedeeltelijk afkomstig waren van producenten gelegen in de andere gewesten en in andere lidstaten van de Europese Unie of derde landen van de EER via garanties van oorsprong. Verweerster stelde zich echter op het standpunt dat zij, volgens de huidige stand van de nationale regelgeving, bij het beoordelen of het vereiste quotum bereikt werd, enkel rekening mocht houden met de certificaten afkomstig van de producenten gelegen in het Vlaams Gewest. Gezien eiseres volgens die berekening niet voldeed aan de quotumplicht legde verweerster haar, krachtens artikel 37 "Elektriciteitsdecreet", een administratieve geldboete op. Eiseres vorderde voor de rechtbank van eerste aanleg dat deze administratieve geldboete onwettig zou verklaard worden. De eerste rechter stelde ter zake bij tussenvonnis een prejudiciële vraag aan het Europees Hof van justitie wat leidde tot een arrest van 11 september 2014 waarin werd geoordeeld dat de Vlaamse regeling, mits bepaalde voorwaarden, niet strijdig was met het Unierecht. Die voorwaarden betroffen het bestaan van mechanismen die verzekeren dat een daadwerkelijke certificatenmarkt tot stand komt waar vraag en aanbod elkaar kunnen ontmoeten en een evenwicht kunnen bereiken en dat de administratieve geldboetes niet verder gaan dan nodig. De vordering van eiseres om de opgelegde administratieve geldboete onwettig te horen verklaren werd door de eerste rechter ontvankelijk en gegrond verklaard op de grond dat de Vlaamse regeling niet voldoende toelaat dat vraag en aanbod elkaar ontmoeten zodat een schending van het Unierecht voorligt. Verweerster tekende hiertegen hoger beroep aan. Anders dan de eerste rechter oordelen de appelrechters dat de beslissing van verweerster niet onwettig is. Tegen dit arrest van 5 september 2018 van het hof van beroep te Brussel voert eiseres één middel aan bestaande uit twee onderdelen.
  3. Bespreking 2.
  4. Krachtens artikel 22 van het decreet van 17 juli 2000 houdende de organisatie van de elektriciteitsmarkt (hierna "Elektriciteitsdecreet") verleent de VREG groenestroomcertificaten op aanvraag van de producent, voor de groene stroom waarvan de producent aantoont dat deze in het Vlaams Gewest is geproduceerd. De appelrechters hebben de wettigheid van de beslissing van verweerster om een administratieve geldboete op te leggen - en dus om de groenestroomcertificaten uit het Waals en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de buitenlandse garanties van oorsprong niet te aanvaarden voor de eerbiediging van de quotumplicht - getoetst. Centraal hierbij staat artikel 25 Electriciteitsdecreet dat de Vlaamse regering machtigt om, na advies van de reguleringsinstantie, en rekening houdend met het bestaan van gelijke of gelijkwaardige garanties inzake de aflevering van dergelijke certificaten, certificaten te aanvaarden voor groene stroom die niet is geproduceerd in het Vlaams Gewest. De Vlaamse regering beschikt krachtens dit artikel dus over een vrije keuze om al dan niet van de machtiging gebruik te maken en dus om de groenestroomcertificaten uit het Waals of Brussels Hoofdstedelijk Gewest of de buitenlandse garanties van oorsprong al dan niet te aanvaarden. Tot noch toe heeft de Vlaamse regering geen gebruik gemaakt van die mogelijkheid. Zij heeft geen uitvoeringsbesluit genomen dat de gelijkheid of gelijkwaardigheid erkent van de aflevering van groenestroomcertificaten uit het Waals of Brussels Hoofdstedelijk Gewest of van garanties van oorsprong afkomstig uit andere lidstaten van de Unie of uit derde landen die partij zijn bij de EER-Overeenkomst De appelrechters hebben de beslissing van verweerster in twee fasen getoetst. Ten eerste hebben zij geoordeeld dat gezien de Vlaamse regering artikel 25 Elektriciteitsdecreet niet heeft uitgevoerd, de VREG - die ter zake geen discretionaire maar een gebonden bevoegdheid heeft - niet anders kon dan enkel rekening te houden met de certificaten afkomstig uit het Vlaams Gewest zodat deze beslissing in overeenstemming is met de huidige nationale regelgeving, met name dit artikel 25 Elektriciteitsdecreet. Ten tweede hebben de appelrechters beoordeeld of voormeld artikel 25 Elektriciteitsdecreet, in overeenstemming is met bepaalde hogere rechtsnormen. Zij beoordelen meer bepaald of de keuzevrijheid van de Vlaamse regering om al dan niet van de mogelijkheid gebruik te maken om groenestroomcertificaten uit andere gewesten of buitenlandse garanties van oorsprong te aanvaarden, - en dus de vrijheid om zoals in casu een gelijkheid of gelijkschakeling van dergelijke certificaten niet te aanvaarden - in overeenstemming is met de economische en monetaire unie van België en met het Unierecht. Zij komen tot het besluit dat voormelde bepaling strijdig is met het beginsel van de economische en monetaire unie van België, noch met het Unierecht. In het eerste onderdeel komt eiseres op tegen de beoordeling van de overeenstemming met de economische en monetaire unie van België. Het tweede onderdeel richt zich tegen de beoordeling betreffende de overeenstemming met het Unierecht. 2.
  5. Eerste onderdeel 2.2.
  6. Het Grondwettelijk Hof is overeenkomstig de artikelen 1, 1°, en 26, §1, 1°, bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, bevoegd om uitspraak te doen omtrent de schending door een wet, een decreet of een ordonnantie van "de regels die door of krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid van de Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten". Zulke bevoegdheidsverdelende regels zijn bepalingen die bevoegdheden toekennen aan de gemeenschappen of de gewesten of ze voorbehouden aan de federale overheid. Het Grondwettelijk Hof bepaalt zelf welke regels het als bevoegdheidsverdelend aanmerkt

(1). Een bevoegdheidsbeperkend principe is het beginsel van de Belgische economische en monetaire unie. In een princiepsarrest van 25 februari 1988, nr. 47/88 oordeelde het toenmalig Arbitragehof immers dat uit de verschillende grondwetsherzieningen en de wetten van 8 en 9 augustus 1980 tot hervorming der instellingen blijkt dat "het nieuwe Belgische staatsbestel berust op een economische en monetaire unie, d.i. het institutioneel kader van een uit deelgebieden opgebouwde economie, dat gekenmerkt wordt door een geïntegreerde markt (de zg. economische unie) en door de eenheid van de munt (de zg. monetaire unie). Het bestaan van een economische unie impliceert in de eerste plaats het vrij verkeer van goederen en productiefaktoren tussen de deelgebieden van de Staat. Wat het goederenverkeer betreft zijn niet bestaanbaar met een economische unie de maatregelen die autonoom door de deelgebieden van de Unie - in casu de gewesten - worden vastgesteld en het vrij verkeer belemmeren
(2)" (6.B.4). De uitoefening van de toegekende eigen fiscale bevoegdheid door een Gemeenschap of door een Gewest mag dus geen afbreuk doen aan de begrenzing die inherent is aan de globale staatsopvatting en derhalve niet het vrij verkeer van goederen en productiefactoren tussen de deelgebieden van de Staat belemmeren. In dit arrest heeft het Arbitragehof de Belgische economische en monetaire unie (E.M.U.) dus als algemeen bevoegdheidsbegrenzend beginsel erkend
(3). Dit concept van de economische en monetaire unie werd vervolgens verankerd door de bijzondere wetgever. Artikel 6, §1, VI, derde lid, bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen bepaalt immers dat "de Gewesten in economische aangelegenheden hun bevoegdheden uitoefenen met inachtneming van de beginselen van het vrije verkeer van personen, goederen, diensten en kapitalen en van de vrijheid van handel en nijverheid, alsook met inachtneming van het algemeen normatief kader van de economische unie en de monetaire eenheid, zoals vastgesteld door of krachtens de wet, en door of krachtens de internationale verdragen." Het Grondwettelijk Hof erkent evenwel in vaste rechtspraak, in lijn met zijn arrest van 25 februari 1988, dat de economische en monetaire unie niet alleen een beperking inhoudt op de gewestelijke economische bevoegdheden, maar een algemeen bevoegdheidsbeperkend beginsel is, dat ook alle andere bevoegdheden van de Gemeenschappen en de Gewesten beperkt
(4). Zo oordeelt het Grondwettelijk Hof in vaste rechtspraak dat de uitoefening door een Gewest/Gemeenschap van zijn/haar eigen toegekende bevoegdheid "geen afbreuk mag doen aan de algehele staatsopvatting, zoals die tot uiting komt in de opeenvolgende staatshervormingen en in de respectieve bijzondere en gewone wetten tot bepaling van de onderscheiden bevoegdheden van de federale overheid, de gemeenschappen en de gewesten. Uit het geheel van die bepalingen, inzonderheid uit artikel 6, §1, VI, derde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 (...) blijkt dat het Belgische staatsbestel berust op een economische en monetaire unie, die wordt gekenmerkt door een geïntegreerde markt en door de eenheid van de munt. Hoewel artikel 6, §1, VI, derde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 past in het kader van de toewijzing van bevoegdheden aan de gewesten wat de economie betreft, geldt die bepaling als de uiting van de wil van de bijzondere wetgever om een eenvormige basisregeling van de organisatie van de economie in een geïntegreerde markt te handhaven"
(5). Op die basis heeft het Grondwettelijk Hof in deze verschillende arresten getoetst of de betrokken bepalingen van decreten uitgevaardigd door de Gewesten en Gemeenschappen in het kader van de hun toegewezen bevoegdheden, bestaanbaar waren met het beginsel van de economische en monetaire unie. 2.2.
  1. Uit het bovenstaande volgt dat het beginsel van de E.M.U. een bevoegdheidsverdelende (bevoegdheidsbeperkende) regel is in de verhouding tussen de deelstaten en de federale overheid, in de zin van artikel 26, §1, 1°, bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof. Dit betekent dat het uitsluitend tot de bevoegdheid van het Grondwettelijk Hof behoort om uitspraak te doen over de schending van het beginsel van de E.M.U. door een decreet van de Gewesten of Gemeenschappen. Indien in het kader van een burgerlijk geschil de vraag rijst van de bestaanbaarheid van een decreet met voormeld principe, zijn de rechtscolleges, krachtens artikel 26, §2, bijzondere wet van 6 januari 1989, in beginsel dus verplicht om hieromtrent een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof. 2.2.
  2. De appelrechters oordelen dat artikel 25 Elektriciteitsdecreet die voorziet in de mogelijkheid voor de Vlaamse regering om certificaten te aanvaarden voor groene stroom die niet geproduceerd is in het Vlaamse Gewest, niet in strijd is met het beginsel van de economische en monetaire unie van België
(6)en verweerster terecht de certificaten uit een ander gewest en de garanties van oorsprong niet heeft aanvaard, nu zij, gelet op artikel 25 van het Electriciteitsdecreet - dat niet in strijd is met het beginsel van de economische en monetaire unie van België en gelet op het ontbreken van enig uitvoeringsbesluit niet over een discretionaire bevoegdheid beschikte om voormelde certificaten te aanvaarden in het kader van de quotumplicht
(7). Anders dan verweerster in de memorie van antwoord aanvoert hebben de appelrechters met dit oordeel wel degelijk de verenigbaarheid van artikel 25 Elektriciteitsdecreet - en de daaruit voortspruitende mogelijkheid voor de Vlaamse regering om geen gelijkheid of gelijkschakeling te aanvaarden van certificaten afkomstig van producenten uit het Waals of Brussels Hoofdstedelijk Gewest voor de eerbiediging van de quotumplicht - met de economische en monetaire unie getoetst zodat zij verplicht waren hieromtrent een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof. Door dit niet te doen, hebben zij zich verkeerdelijk de bevoegdheid van het Grondwettelijk Hof toegeëigend
(8). Zij verantwoorden de op die grond genomen beslissing dat het opleggen van een administratieve geldboete door verweerster wettig is, niet naar recht. Het eerste onderdeel komt bijgevolg gegrond voor. 2.
  1. Tweede onderdeel 2.3.
  2. Wat de overeenstemming van artikel 25 Elektriciteitsdecreet met het Unierecht betreft, heeft het Hof van Justitie op prejudiciële vraagstelling van de eerste rechter, in een arrest van 11 september 2014
(9), geoordeeld in het kader van een toets aan de artikelen 28 en 30 EG-Verdrag en 11 en 13 EER-Overeenkomst, dat de nationale regeling zoals hier aan de orde minstens indirect en potentieel de invoer van groene stroom uit andere lidstaten kan belemmeren
(10). Het Hof oordeelt dat wanneer de elektriciteitsleveranciers groene stroom uit andere lidstaten invoeren, die in rekening wordt gebracht voor hun quotumverplichting die, krachtens artikel 23, §2, Elektriciteitsdecreet, afhankelijk is van de totale hoeveelheid door hen in het Vlaams Gewest geleverde elektriciteit. Voor deze aangekochte elektriciteit zullen de leveranciers dus niettemin Vlaamse groenestroomcertificaten moeten aankopen en indienen, wat de invoer van groene elektriciteit uit andere lidstaten kan belemmeren
(11). Doordat de groenestroomproducenten hun groenestroomcertificaten samen met de door hen geproduceerde elektriciteit kunnen verkopen, zullen zij in de praktijk met de energieleveranciers lange termijncontracten sluiten voor de levering van elektriciteit geproduceerd in het Vlaams Gewest. De energieleverancier verkrijgt dan bij zijn aankoop onmiddellijk ook het certificaat dat noodzakelijk is om aan de quotumverplichting te voldoen. Ook dit kan de invoer van elektriciteit uit andere lidstaten belemmeren
(12). Het Hof van Justitie oordeelt dat de nationale regeling bijgevolg een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking vormt die in beginsel onverenigbaar is met de in artikel 28 EG-Verdrag opgelegde verplichtingen, tenzij deze regeling objectief kan worden gerechtvaardigd krachtens artikel 30 EG-Verdrag
(13). In dit licht erkent het Hof van Justitie dat deze nationale regeling noodzakelijk kan worden geacht ter verwezenlijking van de nagestreefde legitieme nationale doelstelling om een verhoging van het interne gebruik van hernieuwbare energiebronnen in de elektriciteitsproductie te bevorderen, wat de uitstoot van de broeikasgassen vermindert en dus het milieu beschermt
(14), en begrijpt het Hof dat de nationale regeling veeleer is opgezet om rechtstreeks ten goede te komen aan de productie van groene stroom dan aan het loutere verbruik ervan, omdat de groene aard van de elektriciteit slechts de productiewijze betreft en het dus voornamelijk in de productiefase is dat de met de vermindering van de broeikasgasuitstoot verbonden milieudoelstellingen daadwerkelijk kunnen worden nagestreefd
(15). Het Hof overweegt ook dat het de bedoeling is van de Uniewetgever dat elke lidstaat zijn nationale indicatieve streefcijfers voor de binnenlandse productie van groene stroom haalt, maar dat de beginsituaties, de mogelijkheden om uit hernieuwbare bronnen afkomstige energie te ontwikkelen en de energiemix verschillen van lidstaat tot lidstaat. Derhalve is het noodzakelijk dat elke lidstaat greep heeft op het effect en de kosten van zijn groenestroomregeling en tegelijk het vertrouwen van de investeerders in groene stroom kan bewaren, om de goede werking van de nationale groenestroomregeling te verzekeren
(16). Het Hof van Justitie preciseert evenwel dat de nationale regeling tot gevolg heeft dat leveranciers die uit andere lidstaten groene stroom importeren, Vlaamse groenestroomcertificaten moeten kopen in verhouding tot de ingevoerde hoeveelheid elektriciteit om te voldoen aan de quotumplicht
(17)en deze nationale regeling enkel verenigbaar is met de artikelen 28 en 30 EG-Verdrag en 11 en 13 EER-Overeenkomst, wanneer: - mechanismen zijn ingesteld die verzekeren dat een daadwerkelijke certificatenmarkt tot stand komt waar vraag en aanbod elkaar kunnen ontmoeten en een evenwicht kunnen bereiken, zodat de betrokken leveranciers (met name degene die groene elektriciteit hebben geïmporteerd uit andere lidstaten) daadwerkelijk de mogelijkheid hebben om zich op die markt onder billijke voorwaarden certificaten aan te schaffen; - de berekeningswijze en het bedrag van de administratieve geldboete die moet worden betaald door de leveranciers die niet aan die verplichting hebben voldaan, aldus zijn vastgesteld dat zij niet verder gaan dan nodig is om de producenten te stimuleren hun productie van groene stroom daadwerkelijk te verhogen en de quotumplichtige leveranciers ertoe aan te zetten zich daadwerkelijk de vereiste certificaten aan te schaffen en daarbij met name wordt vermeden dat deze leveranciers te zwaar worden bestraft
(18). 2.3.
  1. Uit dit arrest van het Hof van Justitie volgt aldus dat de nationale regeling - en met name de mogelijkheid voor de Vlaamse regering om krachtens artikel 25 Elektriciteitsdecreet geen gelijkheid of gelijkschakeling te aanvaarden van garanties van oorsprong afkomstig uit andere lidstaten van de Unie of EER-landen voor de eerbiediging van de quotumplicht - slechts in overeenstemming is met de artikelen 28 en 30 EG-Verdrag en 11 en 13 EER-Overeenkomst, voor zover de twee bovenstaande randvoorwaarden vervuld zijn. Het staat aan de nationale rechter om dit na te gaan. 2.3.
  2. Uit de stukken waarop mag worden acht geslagen blijkt dat de eerste rechter in dit kader uitvoerig heeft onderzocht of een goede werking van de marktmechanismen bestond, op grond waarvan quotumplichtige marktdeelnemers die buitenlandse stroom hebben ingevoerd en die nog niet over groenestroomcertificaten beschikken, in staat worden gesteld om op billijke en doeltreffende wijze Vlaamse groenestroomcertificaten te bekomen. Pas bij een daadwerkelijke ontmoeting van vraag en aanbod hebben de leveranciers volgens de eerste rechter ook daadwerkelijk de mogelijkheid om certificaten onder billijke voorwaarden te bekomen, dit is in de context van een vrije mededinging. De eerste rechter oordeelt dat, in de periode van 2005 tot en met 2009, een daadwerkelijke deelname tot de certificatenmarkt voor alle producenten en leveranciers onvoldoende verzekerd was, gezien de dominantie van Electrabel op de elektriciteitsmarkt en de vaststelling dat Electrabel in een dubbele hoedanigheid, namelijk als producent én leverancier van stroom, op de certificatenmarkt ageerde. Ook in de syntheseberoepsbesluiten hebben partijen uitvoerig gedebatteerd over de vraag of een daadwerkelijke certificatenmarkt tot stand kon komen. De appelrechters hebben, nadat zij nochtans de hierboven vermelde voorwaarden gesteld door het Hof van justitie citeerden, zich er evenwel toe beperkt te oordelen dat "een tussenkomst van de Vlaamse regering voor de aanvaarding van garanties van oorsprong uit een andere lidstaat ter voldoening van de quotumplicht geen schending van het Unierecht uitmaakt"
(19). Zij besluiten dat verweerster terecht de certificaten uit een ander gewest en de garanties van oorsprong uit het buitenland niet heeft aanvaard, artikel 25 van het Electriciteitsdecreet niet in strijd is met het Unierecht en zij niet meer in moeten gaan op de argumentatie of er sprake was van een markt van vraag en aanbod waar leveranciers daadwerkelijk de mogelijkheid hebben gehad om groenestroomcertificaten tegen billijke voorwaarden te bekomen, aangezien verweerster, die ter zake een gebonden bevoegdheid heeft, de garanties van oorsprong uit het buitenland niet kon aanvaarden zonder schending van artikel 25 Elektriciteitsdecreet, dat geen schending inhoudt van een hogere rechtsnorm
(20). Evenwel hadden de appelrechters, om na te gaan of artikel 25 Elektriciteitsdecreet een schending inhoudt van het Unierecht, dienen na te gaan of aan de voornoemde randvoorwaarden zoals gesteld door het Hof van Justitie was voldaan en met name, in lijn met de toetsing die de eerste rechter had doorgevoerd en met de argumentatie van partijen in de syntheseconclusies, of er daadwerkelijk een certificatenmarkt van vraag en aanbod bestond, waarop de leverancier die groene stroom uit andere lidstaten had ingevoerd op billijke en doeltreffende wijze Vlaamse groenestroomcertificaten kon kopen. Enkel in dat geval is het gebrek aan gelijkschakeling door de Vlaamse regering van de garanties van oorsprong afkomstig uit andere lidstaten van de Unie of EER-landen voor de toepassing van de quotumverplichting, krachtens artikel 25 Elektriciteitsdecreet, immers gerechtvaardigd op grond van de artikelen 28 en 30 EG-Verdrag en 11 en 13 EER-Overeenkomst. Een op een prejudiciële vraag gewezen arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie bindt immers niet slechts de verwijzende rechter, maar ook elke andere nationale rechter, wat betreft de uitleg van de in het geding zijnde bepalingen van Unierecht, onder voorbehoud van de mogelijkheid voor deze nationale rechter om een nieuwe vraag te stellen aan het Hof van Justitie
(21). In elk geval is een prejudiciële uitlegging bindend voor de verwijzende rechter én voor alle andere rechterlijke instanties die van het hoofdgeding kennisnemen
(22). De appelrechters hebben zich dus mijns inziens in die omstandigheden niet gehouden aan de bindende uitleg van de artikelen 28 en 30 EG-Verdrag en 11 en 13 EER-Overeenkomst door het Hof van Justitie. Zij verantwoorden bijgevolg hun beslissing dat artikel 25 Elektriciteitsdecreet het Unierecht niet schendt en de beslissing van de verweerster tot oplegging van een administratieve geldboete wettig is, niet naar recht, zodat ook het tweede onderdeel gegrond voorkomt. Conclusie: vernietiging met verwijzing. _____________________
(1)A. ALEN en K. MUYLLE, Handboek van het Belgisch Staatsrecht, Mechelen, Kluwer, 2011, 495, nrs. 442-443; S. SOTTIAUX, Grondwettelijk recht, Antwerpen, Intersentia, 2016, 453.
(2)Arbitragehof, nr. 47/1988,25 februari 1988, 6.B.4.
(3)A. ALEN en K. MUYLLE, Handboek van het Belgisch Staatsrecht, Mechelen, Kluwer, 2011, 405-406, nr. 368; S. SOTTIAUX, Grondwettelijk recht, Antwerpen, Intersentia, 2016, 260.
(4)A. ALEN en K. MUYLLE, Handboek van het Belgisch Staatsrecht, Mechelen, Kluwer, 2011, 406-407, nr. 369; S. SOTTIAUX, Grondwettelijk recht, Antwerpen, Intersentia, 2016, 260; M. VERDUSSEN, Justice constitutionnelle, Brussel, Larcier, 2012, 91.
(5)Arbitragehof nr. 55/96, 15 oktober 1996, B.4.2.5; Arbitragehof nr. 34/97, 12 juni 1997, B.7.5; Arbitragehof nr. 53/99, 26 mei 1999, B.6.1 en B.6.3; Arbitragehof nr. 132/2005, 19 juli 2005, B.4.2; GwH nr. 123/2010, 28 oktober 2010, B.5.2; GwH nr. 104/2014, 10 juli 2014, B.16.2.
(6)Overweging 64.2 in fine van het bestreden arrest.
(7)Overweging65 in fine van het bestreden arrest.
(8)Zie Cass. 9 juni 1999, AR P.99.0117.F ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990609.18, AC 1999, nr. 339.
(9)HvJ, 11 september 2014, C-204/12 tot C-208/12, Essent Belgium nv / VREG.
(10)HvJ, 11 september 2014, C-204/12 tot C-208/12, r.o. 83.
(11)HvJ, 11 september 2014, C-204/12 tot C-208/12, r.o. 84 en 85.
(12)HvJ, 11 september 2014, C-204/12 tot C-208/12, r.o. 86.
(13)HvJ, 11 september 2014, C-204/12 tot C-208/12, r.o. 88.
(14)HvJ, 11 september 2014, C-204/12 tot C-208/12, r.o. 97.
(15)HvJ, 11 september 2014, C-204/12 tot C-208/12, r.o. 98.
(16)HvJ, 11 september 2014, C-204/12 tot C-208/12, r.o. 99-103.
(17)HvJ, 11 september 2014, C-204/12 tot C-208/12, r.o. 106.
(18)HvJ, 11 september 2014, C-204/12 tot C-208/12, r.o. 111-112 en 116.
(19)Overweging 64 in fine van het bestreden arrest.
(20)Overweging 70 van het bestreden arrest.
(21)Cass. 12 oktober 2017, AR C.17.0278.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171012.14 en C.17.0279.N, AC 2017, nr. 554.
(22)K. LENAERTS en P. VAN NUFFEL, Europees recht, Antwerpen, Intersentia, 2011, 656, nr. 859. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190912.4 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190912.4 citeert: ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990609.18 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171012.14 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.