id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 19 september 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190919.2 Rolnummer: F.17.0047.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2019-10-10 Raadplegingen: 408 - laatst gezien 2026-06-28 06:35 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190919.2 Fiches 1 - 2 Uit de samenhang tussen de artikelen 23, § 2, 339, eerste lid, en 340 WIB92 volgt dat indien noch inkomsten noch beroepskosten bewezen worden, geen beroepsverliezen bewezen zijn
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - PERSONENBELASTING - Beroepsinkomsten - Bedrijfsverliezen Wettelijke bepalingen: Wetboek van Inkomstenbelastingen - 12-06-1992 - Artt. 23, § 2, 339, eerste lid, en 340 - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - PERSONENBELASTING - Beroepsinkomsten - Beroepskosten Vrije woorden: Beroepsverlies - Bewijs Wettelijke bepalingen: Wetboek van Inkomstenbelastingen - 12-06-1992 - Artt. 23, § 2, 339, eerste lid, en 340 - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Tekst van de conclusie F.17.0047.N Conclusie van advocaat-generaal J. Van der Fraenen: (...) DERDE ONDERDEEL (...) 2.
- Uit de artikelen 339, eerste lid, WIB92 en 340 WIB92 volgt dat de door de belastingplichtige aangegeven inkomsten en andere gegevens vermoed worden juist te zijn, en dat, indien de administratie der directe belastingen de aangegeven inkomsten en andere gegevens onjuist bevindt, zij dit moet bewijzen. Om het bewijs te leveren van het bestaan en het bedrag van de belastingschuld mag de administratie alle door het gemeen recht toegelaten bewijsmiddelen aanvoeren, met uitzondering van de eed. 2.
- Krachtens artikel 23, §2, WIB92, wordt onder het nettobedrag van de beroepsinkomsten verstaan het totale bedrag van die inkomsten met uitsluiting van de vrijgestelde inkomsten en na uitvoering van de volgende bewerkingen: 1° het brutobedrag van de inkomsten van iedere beroepswerkzaamheid wordt verminderd met de beroepskosten die op deze inkomsten betrekking hebben; 2° beroepsverliezen die tijdens het belastbare tijdperk zijn geleden uit hoofde van enige beroepswerkzaamheid, worden afgetrokken van de inkomsten van andere beroepswerkzaamheden; 3° van de beroepsinkomsten, bepaald overeenkomstig 1° en 2°, worden de beroepsverliezen van vorige belastbare tijdperken afgetrokken. Het is de belastingplichtige die de realiteit en het bedrag van deze beroepskosten en beroepsverliezen uit hoofde van enige beroepswerkzaamheid moet bewijzen. De term "beroepsverlies" wordt als dusdanig niet gedefinieerd in het WIB
- Algemeen wordt aangenomen dat onder dit begrip het verliessaldo moet worden verstaan dat voor een belastingplichtige over de duur van een bepaalde belastbare periode voortvloeit uit één of meer beroepswerkzaamheden
(1). De kwestie van het bewijs van het fiscale verlies is verbonden aan die van de bewijskracht van de boekhouding. Wanneer de boekhouding van een belastingplichtige niet bewijskrachtig is, zal hij met andere middelen van recht het bewijs van de beroepsverliezen moeten aantonen. 2.
- Uit wat voorafgaat, volgt m.i. dat bij gebrek aan bewijskrachtige boekhouding en in geval de administratie niet slaagt in de op haar rustende bewijslast om aan te tonen of er bruto-inkomsten zijn en in welke mate, en de belastingplichtige evenmin slaagt in het bewijs van zijn beroepskosten, er geen beroepsverlies van het belastbaar tijdperk bewezen kan zijn. Het resultaat lijkt mij dan noodzakelijkerwijs nul. 2.
- De appelrechter stelt vast dat noch de administratie noch eisers het bewijs leveren, respectievelijk van inkomsten en een beroepsverlies. Naar mijn mening wordt in het bestreden eindarrest derhalve op eiser niet de bewijslast gelegd van het resultaat van een aanslagjaar, en evenmin van het verlies als resultaat van het boekjaar. Op het vlak van de bewijslast oordeelde het eindarrest enkel dat eisers het bestaan en het bedrag van de beroepsverliezen die zij inroepen moeten bewijzen en dat het aan de administratie staat om de belastbare grondslag aan te tonen. Het onderdeel mist m.i. in zoverre feitelijke grondslag. 2.
- Uit de overwegingen p.11 vierde alinea tot en met p. 13 vijfde alinea van het eindarrest blijkt niet dat de appelrechter de bewijslastverdeling tussen administratie en belastingplichtige heeft miskend. De vaststelling dat een bewijskrachtige boekhouding ontbrak, was geen grond voor de appelrechter om de administratie vrij te stellen van het bewijs van het bestaan van belastbare inkomsten. Het feit dat de boekhouding van eiser niet bewijskrachtig was, heeft wel tot gevolg gehad dat de administratie er niet in slaagde op een niet-willekeurige manier de hoogte en het bedrag van de belastbare inkomsten te bepalen, precies omdat er geen betrouwbare onderliggende stukken voorhanden waren, zodat geen winsten werden weerhouden. Vanuit deze vaststellingen lijkt het mij niet tegenstrijdig, enerzijds, te oordelen dat de administratie het bewijs moet leveren van de belastbare grondslag, ook wanneer de boekhouding niet bewijskrachtig is, anderzijds, tot goedkeuring van de litigieuze subsidiaire aanslagen te besluiten, ondanks de vaststelling dat de administratie te dezen geen bewijsmiddelen heeft aangewend om aan te tonen of er dan wel brutowinst was en in welke mate. Het onderdeel kan m.i. in zoverre niet aangenomen worden.
- Besluit: Verwerping. __________________ (1- MAES, L., en PLETS, N., (ed.), Handboek personenbelasting, Wolters Kluwer, Mechelen, 2017, p.
- PDF document ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190919.2 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190919.2 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231026.1N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div