← België

ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20191003.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 03 oktober 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20191003.2 Rolnummer: C.17.0558.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2019-11-14 Raadplegingen: 776 - laatst gezien 2026-06-28 21:15 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191003.2 Fiche Een arbitrale uitspraak kan krachtens artikel 1717, §3, a), iv, Gerechtelijk Wetboek niet worden vernietigd indien de uitspraak tegenstrijdige bepalingen of een tegenstrijdigheid in de motivering bevat, die niet als een louter feitelijke tegenstrijdigheid is te aanzien, die met een afwezigheid van motivering gelijk te stellen is

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: ARBITRAGE Vrije woorden: Arbitrale uitspraak - Tegenstrijdigheid - Vernietiging - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1717, § 3, a), iv Tekst van de conclusie C.17.0558.N Conclusie van eerste advocaat-generaal Ria Mortier
  1. Feiten en procedure Tussen eerste en tweede verweerder enerzijds en derde verweerster anderzijds werd een aannemingsovereenkomst gesloten. Nadat een geschil was gerezen over de uitvoering van de overeenkomst werd door derde verweerster een aanvraag tot arbitrage gedaan maar nadien weer ingetrokken. Op 11 december 2013 werd door derde verweerster een nieuwe aanvraag tot arbitrage ingediend bij eiseres. Er werd een scheidsrechter aangesteld. Deze oordeelde op 7 juli 2014 dat er geen geldige arbitrageovereenkomst voorlag en verklaarde zich onbevoegd bij gebrek aan rechtsmacht. De procedurekosten werden ten laste gelegd van eerste en tweede verweerder. Deze gingen hierop over tot dagvaarding van derde verweerster en eiseres en vorderden de arbitrale beslissing te vernietigen. Tussen partijen bestond geen betwisting over het van toepassing zijn van de nieuwe arbitragewet van 24 juni
  2. De rechtbank van eerste aanleg verklaarde de eis toelaatbaar maar ongegrond. Op het hoger beroep van eerste en tweede verweerder oordeelde het hof van beroep te Brussel in het thans bestreden arrest van 16 mei 2017 dat de arbitrale uitspraak een manifeste tegenstrijdigheid bevat door enerzijds te oordelen dat er geen geldige arbitrageovereenkomst tot stand kwam en tegelijk te beslissen dat op grond van de regels van het "werkingsreglement" die de arbitrage beheersen de partij die geen arbitrageovereenkomst heeft gesloten tot de kosten wordt veroordeeld, zodat het hoger beroep om die reden gegrond is en de arbitrale beslissing van 7 juli 2014 vernietigd wordt. Tegen dit arrest voert eiseres 1 middel aan, bestaande uit vier onderdelen. Eiseres voert in het eerste onderdeel aan dat de appelrechter met dit oordeel het artikel 1717, §§2 en 3a, IV van het Gerechtelijk Wetboek, zoals gewijzigd bij de wet van 24 juni 2013, schendt nu een arbitrale uitspraak op grond van dit artikel enkel kan worden vernietigd wanneer zij niet met redenen omkleed is, maar deze vernietigingsgrond niet kan worden gelijkgesteld met een tegenstrijdigheid in de motivering. Verweerders voeren in de memorie van antwoord aan dat dit onderdeel berust op een verkeerde rechtsopvatting nu ingevolge de nieuwe arbitragewet een arbitrale uitspraak niet meer kan vernietigd worden wanneer zij tegenstrijdige beschikkingen bevat, maar dat zij wel nog kan vernietigd worden indien zij tegenstrijdige motieven bevat. Een tegenstrijdigheid in de motieven van een arbitrale uitspraak wordt in die zin beschouwd als een uitspraak die niet met redenen is omkleed. Bespreking 2.1.Krachtens artikel 1717, §2 Ger.W. kan een arbitrale uitspraak slechts worden bestreden voor de rechtbank van eerste aanleg en kan zij slechts worden vernietigd in de in dit artikel genoemde gevallen. De rechtbank van eerste aanleg beslist in eerste en laatste aanleg conform het bepaalde in artikel 1680, §5 Ger.W. Tegen deze beslissing staat wel een voorziening in cassatie open krachtens artikel 609, §1 Ger.W. maar geen "tweede" hoger beroep voor het hof van beroep. Dit is ingegeven door een zorg voor snelheid die ook in andere landen is terug te vinden
(1). Het middel van eiseres, oorspronkelijk geïntimeerde, betreft evenwel enkel de grond van de beslissing van de appelrechter zodat het aspect van de (on)ontvankelijkheid van het hoger beroep te dezen buiten beschouwing blijft. 2.2. De motiveringsplicht is een wezenlijke vereiste waaraan elk scheidsgerecht moet voldoen. Een arbitrale uitspraak moet "met redenen worden omkleed" zoals bepaald in de artikelen 1701, §6, en 1704, §2, i) Ger.W. zoals van toepassing vóór de wijziging bij wet van 24 juni 2013 (de "oude arbitragewet") en in de artikelen 1713, §4, en 1717, §3, a), iv, Ger.W. zoals gewijzigd bij wet van 24 juni 2013 (de "nieuwe arbitragewet"). Deze regel volgt uit artikel 149 GW. De motiveringsverplichting heeft een algemene draagwijdte en is een essentieel element van elke gerechtelijke beslissing
(2). Het scheidsgerecht vervult, overeenkomstig de wet, een gerechtelijke taak, zodat ook op dit gerecht een motiveringsplicht rust
(3). De motivering is een vereiste van interne openbare orde
(4). Zij raakt aan het wezen zelf van de arbitrale uitspraak, zodat de partijen er geen afstand van kunnen doen, evenmin nadat het geschil is ontstaan
(5). 2.3. Waar artikel 1704, §2, Gerechtelijk Wetboek onder de oude arbitragewet bepaalde dat een arbitrale uitspraak slechts kan worden vernietigd (
  1. i)"indien de uitspraak niet met redenen is omkleed" en (
  2. j)"indien de uitspraak tegenstrijdige bepalingen bevat", bepaalt het, ingevolge de nieuwe arbitragewet van 24 juni 2013, nieuw artikel 1717, §3, a), iv, Gerechtelijk Wetboek dat een arbitrale uitspraak kan worden vernietigd indien de partij die de vordering instelt, het bewijs levert dat "de uitspraak niet met redenen omkleed is." (eigen onderlijning) De oude vernietigingsgrond, vervat in artikel 1704, §2, (j), Gerechtelijk Wetboek, namelijk de "tegenstrijdigheid van bepalingen", werd dus niet meer opgenomen in de nieuwe arbitragewet. De oude vernietigingsgrond, vermeld in artikel 1704, §2, (i), Gerechtelijk Wetboek, stemt daarentegen overeen met de nieuwe vernietigingsgrond in artikel 1717, §3, a), iv, Gerechtelijk Wetboek
(6). Onder de oude Arbitragewet bestond er verdeeldheid over de vraag of een tegenstrijdigheid in de motivering - namelijk hetzij tussen de motieven onderling, hetzij tussen de motieven en het beschikkend gedeelte - van een arbitrale uitspraak net zoals wat de beslissingen van hoven en rechtbanken betreft, eveneens een grond kon vormen om die uitspraak te vernietigen. In zijn advies bij de nieuwe arbitragewet wees de Raad van State ook op de verdeeldheid die hierover in de rechtsleer bestond
(7). Gelet op het ingenomen standpunt in de memorie van antwoord dient op deze controverse te worden ingegaan. 2.4. In het kader van de toetsing door het Hof van de beslissingen van hoven en rechtbanken, oordeelt het Hof in vaste rechtspraak dat er sprake is van een tegenstrijdige motivering, hetzij tussen de motieven in het overwegend gedeelte van de beslissing, hetzij tussen de motieven en het beschikkend gedeelte van de beslissing, wanneer die motieven elkaar onderling opheffen, zodat de beslissing geacht wordt geen enkele motivering te bevatten. Op die manier komt een tegenstrijdigheid in de motivering overeen met een gebrek aan redenen en maakt zij een schending uit van artikel 149 Grondwet
(8). Het dient evenwel te gaan om een feitelijke tegenstrijdigheid, die een louter vormgebrek uitmaakt en geen uitlegging vereist van de rechtsregels. Het Hof oordeelt in vaste rechtspraak dat een aangevoerde tegenstrijdigheid waarvan de beoordeling een uitlegging of toetsing van de toepassing van wetsbepalingen veronderstelt, vreemd is aan de vormvereiste van artikel 149 Grondwet. Zulke juridische tegenstrijdigheid betreft immers de schending van de rechtsregels ten gronde
(9). Op die manier wordt een onderscheid gemaakt tussen de zuiver feitelijke tegenstrijdigheid in de bestreden beslissing, die het Hof beteugelt onder de noemer van een motiveringsgebrek, en de juridische tegenstrijdigheid, die het Hof beteugelt onder de noemer van een schending van de rechtsregels ten gronde. Er bestaat evenwel een fundamenteel verschil in de toetsing van de motivering van rechterlijke beslissingen door het Hof, enerzijds, en de toetsing van de motivering van arbitrale uitspraken door de annulatierechter anderzijds. Dit verschil is te verklaren door de verschillende functies die de motivering in beide gevallen vervult
(10). Enerzijds heeft het Hof als taak om de wettigheid van de bestreden beslissingen te toetsen, met name ten gronde na te gaan of de bestreden beslissing in overeenstemming is met de betrokken wetsbepalingen en/of algemene rechtsbeginselen. De motivering van de rechterlijke beslissing heeft als functie het Hof toe te laten deze wettigheidstoets door te voeren
(11). Het Hof oordeelt in vaste rechtspraak dat de motiveringsplicht van artikel 149 Grondwet geschonden is, indien de redenen in de bestreden beslissing het Hof niet in staat stellen zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen. Anderzijds heeft de annulatierechter, in het kader van een vordering tot vernietiging van een arbitrale uitspraak, niet als taak om de wettigheid van de arbitrale uitspraak te toetsen
(12). De annulatierechter onderzoekt de arbitrale uitspraak niet ten gronde, m.a.w. hij beoordeelt niet of die uitspraak naar recht verantwoord is. Hij mag de arbitrale uitspraak slechts vernietigen op basis van de gronden die limitatief worden opgesomd in artikel 1704, §2, Gerechtelijk Wetboek (oude arbitragewet) en thans artikel 1717, §3, Gerechtelijk Wetboek (nieuwe arbitragewet). De toets door de annulatierechter is aldus beperkt tot de regelmatigheid van de procedure
(13). De omstandigheid dat de motivering van een arbitrale uitspraak de annulatierechter niet in staat stelt om een wettigheidstoezicht uit te oefenen, vormt dus geen schending van de motiveringsplicht, nu de annulatierechter in geen geval een normatieve toetsing van de arbitrale beslissing mag doorvoeren
(14). Hieruit volgt dat enkel gebreken in de motivering die geen verband houden met de wettigheidstoets - en die aldus geen onderzoek ten gronde vereisen - in aanmerking kunnen worden genomen door de annulatierechter en tot de vernietiging van een arbitrale uitspraak kunnen leiden
(15). Om de vraag te beantwoorden of de annulatierechter een arbitrale uitspraak mag vernietigen op grond van een tegenstrijdigheid van motieven, dient dus te worden beoordeeld of zulke tegenstrijdigheid een onderzoek van het geschil ten gronde veronderstelt. Onder de oude arbitragewet werden in dit verband twee opvattingen verdedigd in de rechtsleer
(16). Volgens een eerste opvatting betrof een tegenstrijdigheid in de motivering van de arbitrale uitspraak een zuiver vormgebrek ("un vice de forme"), dat geen verband hield met een wettigheidstoets. Analoog aan de rechtspraak van het Hof inzake de motivering van rechterlijk beslissingen, werd ervan uitgegaan dat tegenstrijdige motieven elkaar onderling konden opheffen, zodat een tegenstrijdigheid in de motieven van een arbitrale uitspraak overeenstemde met een afwezigheid van redenen in de zin van artikel 1704, §2, (i), Gerechtelijk Wetboek (oude arbitragewet). De annulatierechter mocht de arbitrale uitspraak op die grond vernietigen
(17). Evenwel werd, anders dan in de rechtspraak van het Hof betreffende de motivering van rechterlijke beslissingen, aangenomen dat elke tegenstrijdigheid van motieven in de arbitrale beslissing beteugeld kon worden onder de noemer van een motiveringsgebrek, zelfs indien zij betrekking had op motieven in rechte
(18). Aangezien de annulatierechter zich niet mag inmengen in de toepassing van een rechtsregel door het scheidsgerecht, is er volgens die opvatting geen risico op overlapping tussen de schending van de wet en de tegenstrijdigheid van motieven. Volgens een tweede opvatting betrof een tegenstrijdigheid in de motivering daarentegen een gebrek ten gronde ("un vice de fond"), waarvan de beoordeling raakte aan de grond van het geschil. De annulatierechter, wiens taak beperkt is tot de toetsing van de regelmatigheid van de procedure, vermocht de tegenstrijdigheid in de motivering niet te beoordelen. Een tegenstrijdigheid in de motieven van een arbitrale uitspraak stemde volgens die visie dus niet overeen met een afwezigheid van redenen in de zin van artikel 1704, §2, (i), Gerechtelijk Wetboek
(19). Omdat de annulatierechter geen wettigheidstoets van de arbitrale uitspraak mag doorvoeren, belet een tegenstrijdigheid in de motivering volgens deze tweede opvatting niet dat hij zijn (beperktere) toetsing kan doorvoeren, zodat zij geen vernietigingsgrond kon opleveren
(20). 2.5. Bij invoering van de nieuwe arbitragewet heeft de wetgever duidelijk gekozen voor deze tweede, strikte benadering. De annulatierechter mag slechts de regelmatigheid van de arbitrale procedure controleren binnen de strikte grenzen van artikel 1717, §3, Gerechtelijk Wetboek. In de parlementaire voorbereiding bij artikel 1717, §3, a), iv, Gerechtelijk Wetboek wordt in dit kader uitdrukkelijk vermeld dat "sommige gronden die momenteel in het Gerechtelijk Wetboek zijn opgenomen, niet voorzien zijn in de Modelwet, zo min als in de voorgestelde tekst. Men mag niet uit het oog verliezen dat het Gerechtelijk Wetboek de eenvormige wet van Straatsburg heeft overgenomen, die meer dan 40 jaar oud is. Dit betreft de vernietigingsgronden voorzien in artikel 1704, §2, h) en j), van het Gerechtelijk Wetboek. Deze laatste vernietigingsgrond betreft een arbitrale uitspraak die tegenstrijdige bepalingen bevat. De arbitrale uitspraak zal niet meer kunnen worden vernietigd omwille van tegenstrijdige bepalingen. In dezelfde lijn, moet een tegenstrijdigheid in de motivering niet leiden tot een vernietiging van de uitspraak"
(21). Uit de bewoordingen van artikel 1717, §3, a), iv, Gerechtelijk Wetboek en de wetsgeschiedenis, die de wil van de wetgever vertolkt, blijkt dus eenduidig dat een arbitrale uitspraak krachtens deze bepaling niet kan worden vernietigd indien de uitspraak tegenstrijdige bepalingen of een tegenstrijdigheid in de motivering bevat. Een tegenstrijdigheid in de motivering kan niet worden gelijkgesteld met een afwezigheid van redenen in de zin van artikel 1717, §3, a), iv, Gerechtelijk Wetboek en vormt dus geen vernietigingsgrond van de arbitrale beslissing. Een meerderheid in de rechtsleer keurt die benadering goed. Het onderzoek van de tegenstrijdigheid tussen redenen nodigde immers uit tot een onderzoek ten gronde, waarvoor de annulatierechter niet bevoegd was
(22). Waar de rechtspraak van Uw Hof
(23)aanneemt dat de motiveringsplicht voor het scheidsgerecht een gelijke invulling krijgt als de motiveringsplicht voor de gewone hoven en rechtbanken krachtens artikel 149 GW in zoverre de motiveringsplicht in beide gevallen slechts een vormvereiste is, sluit deze aan bij de opvatting dat de annulatierechter in het kader van een vordering tot vernietiging van een arbitrale uitspraak de motieven van die uitspraak niet ten gronde mag toetsen. In bepaalde rechtsleer wordt aangevoerd dat indien een zuiver feitelijke tegenstrijdigheid voorhanden is, de annulatierechter wel voor een afwezigheid van redenen staat en dus voor een onvoldoende met redenen beklede beslissing
(24). Op die manier zou, op een analoge wijze als in de rechtspraak van het Hof inzake de motivering van rechterlijke beslissingen, een onderscheid worden gemaakt tussen zuiver feitelijke tegenstrijdigheden die een louter vormgebrek uitmaken en kunnen gelijkgesteld worden met een afwezigheid van redenen van een arbitrale beslissing die dan door de annulatierechter zou kunnen vernietigd worden en tegenstrijdigheden waarvan de beoordeling een onderzoek van het geschil ten gronde vergt zodat zij niet overeenstemmen met het gebrek waarvan sprake in artikel 1717, §3, a) iv, Ger.W. Evenwel zal men zelden staan voor een zuiver feitelijke tegenstrijdigheid die geen enkele beoordeling van de inhoud van de motieven vergt. Dit is ook te dezen niet het geval. 2.6. De appelrechters oordelen dat de motivering van de arbitrale uitspraak tegenstrijdig is, doordat het scheidsgerecht enerzijds oordeelt dat er geen geldige arbitrageovereenkomst tot stand kwam, zodat de partijen - volgens een eigen juridische gevolgtrekking van de appelrechters - niet gebonden zijn door het werkingsreglement betreffende het verloop van de arbitrageprocedure, en het scheidsgerecht, anderzijds, de eerste en tweede verweerders tot de kosten veroordeelt op grond van de regels van dit werkingsreglement. Deze tegenstrijdigheid vraagt een onderzoek van het geschil ten gronde, waarvoor de annulatierechter niet bevoegd is. Uit wat voorafgaat volgt dat het bestreden arrest, dat de arbitrale uitspraak vernietigt wegens een tegenstrijdigheid in de motieven, artikel 1717, §3, a), iv, Gerechtelijk Wetboek schendt. Het eerste onderdeel is gegrond. Conclusie: Vernietiging met verwijzing. __________________________________
(1)Wetsontwerp tot wijziging van het zesde deel van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de arbitrage, Parl.St. Kamer, Doc 53-2743/001, 14.
(2)Cass. 21 januari 1974, Pas. 1974, I, 534; Cass. 8 april 1968, Pas. 1968, I, 974.
(3)E. KRINGS, "L'exécution des sentences arbitrales, Rev.dr.int.et comp., 1976, 190; G. KEUTGEN, G.-A. DAL, M. DAL en G. MATRAY, L'arbitrage en droit belge et international, I, le droit belge, Brussel, Bruylant, 2015, nr. 582.
(4)Memorie van toelichting bij de wet van 24 juni 2013, Parl.St., Kamer, 2012-2013, Doc. nr. 53, 2743/001, 40.
(5)G. KEUTGEN, G.-A. DAL, e.a., L'arbitrage en droit belge et international, I, Le droit belge, Brussel, Bruylant, 2015, nr. 583.
(6)L. DEMEYERE en H. VERBIST, "De nieuwe Belgische arbitragewet van 24 juni 2013", RW 2014-15, 99, nr. 66; H. VERBIST, "De vordering tot vernietiging van de arbitrale uitspraak na de hervorming van het Belgische arbitragerecht door de wet van 24 juni 2013" in M. PIERS (ed.), De nieuwe arbitragewet 2013, Antwerpen, Intersentia, 2013, 115, nr. 19.
(7)Adv. RvS nr. 52.657/2 bij de wet van 24 juni 2013 tot wijziging van het zesde deel van het Gerechtelijk wetboek betreffende de arbitrage, BS 28 juni 2013 (ed. 2).
(8)Cass. 11 december 1930, Pas. 1931, I, 11; Cass. 17 december 1970, Pas. 1971, I, 371; Cass. 10 maart 2000, C.97.0409.F ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000310.4-C.98.0211.F-C.98.0095.F ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000310.4, Pas. 2000, I, 167; Cass. 26 april 2010, AR C.09.0485.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100426.5, AC 2010, nr. 282; P. GÉRARD, H. BOULARBAH en J.-F. VAN DROOGHENBROECK in RPDB, t. XI, complément, Pourvoi en cassation en matière civile, Brussel, Bruylant, 2011, nr. 547.
(9)Zie Cass. 20 januari 2000, AR F.96.0084.N ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000120.3, AC 2000, nr. 50; Cass. 28 september 2001, AR F.99.0010.N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010928.3, AC 2001, nr. 503; Cass. 25 januari 2008, AR C.06.0595.F ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080125.2, AC 2008, nr. 63; Cass. 13 oktober 2008, AR S.08.0017.F ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081013.2, AC 2008, nr. 543; Cass. 24 oktober 2013, AR C.12.0288.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131024.3, AC 2013, nr. 547; P. GÉRARD, H. BOULARBAH en J.-F. VAN DROOGHENBROECK in RPDB, t. XI, complément, Pourvoi en cassation en matière civile, Brussel, Bruylant, 2011, nr. 548.
(10)Zie de conclusie van advocaat-generaal T. Werquin vóór Cass. 13 januari 2011, AR C.10.0302.F ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110113.10, Pas. 2011, nr. 33, r.o. 8.
(11)Zie de conclusie van advocaat-generaal T. Werquin vóór Cass. 13 januari 2011, AR C.10.0302.F ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110113.10, Pas. 2011, nr.33, r.o. 8; zie de conclusie van advocaat-generaal P. Leclercq vóór Cass. 11 december 1930, Pas. 1931, I, 11.
(12)Cass. 13 januari 2011, AR C.10.0302.F ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110113.10, AC 2011, nr. 33.
(13)O. CAPRASSE, "Les grands arrêts de la Cour de cassation belge en droit de l'arbitrage", b-Arbitra 2013/1, 156, nrs. 98-99; G. KEUTGEN, G.-A. DAL, M. DAL en G. MATRAY, L'arbitrage en droit belge et international, I, Le droit belge, Brussel, Bruylant, 2015, nrs. 645 en 664; G. DE LEVAL, Eléments de la procédure civile, Brussel, Larcier, 2008, 463; L. DEMEYERE en H. VERBIST, "De nieuwe Belgische arbitragewet van 24 juni 2013", RW 2014-15, 99, nr. 64; B. HANOTIAU en O. CAPRASSE, "L'annulation des sentences arbitrales", JT 2004, 413; Zie de conclusie van advocaat-generaal T. Werquin vóór Cass. 13 januari 2011, AR C.10.0302.F ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110113.10, Pas. 2011, nr. 33, r.o. 5.
(14)Zie de conclusie van advocaat-generaal T. Werquin vóór Cass. 13 januari 2011, AR C.10.0302.F ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110113.10, Pas. 2011, nr. 33, r.o. 8.
(15)Zie de conclusie van advocaat-generaal T. Werquin vóór Cass. 13 januari 2011, AR C.10.0302.F ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110113.10, Pas. 2011, nr. 33, r.o. 9.
(16)zie J. VAN COMPERNOLLE, "L'annulation de la sentence arbitrale pour défaut de motivation en droit belge" in A. SALETTI, J. VAN COMPERNOLLE en J.-F. VAN DROOGHENBROECK (eds.), L'arbitrage et le juge étatique, Brussel, Bruylant, 2014, 370-371, nrs. 6-7.
(17)In die zin, H. BOULARBAH, "Ouvertures à cassation des décisions judiciaires et causes d'annulation des sentences arbitrales: brèves comparaisons sur le contrôle de deux catégories d'actes juridictionnels" in Mélanges John Kirckpatrick, 2004, 106; M. STORME en M. VOORDECKERS, "Overzicht van Belgische rechtspraak. Arbitrage (1989-2005)", TPR 2005, 1304, nr. 85; Zie de conclusie van advocaat-generaal T. Werquin vóór Cass. 13 januari 2011, AR C.10.0302.F ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110113.10, Pas. 2011, nr. 33, r.o. 9.
(18)H. BOULARBAH, "Ouvertures à cassation des décisions judiciaires et causes d'annulation des sentences arbitrales" in Mélanges John Kirckpatrick, 2004, 107; I. VEROUGSTRAETE, "Le juge comme arbitre ou l'arbitre comme juge: la recherche d'un équilibre", Rev.dr.intern.comp. 1991, 349; Zie de conclusie van advocaat-generaal T. Werquin vóór Cass. 13 januari 2011, AR C.10.0302.F ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110113.10, Pas. 2011, nr. 33, r.o. 12.
(19)O. CAPRASSE, "Les grands arrêts de la Cour de cassation belge en droit d'arbitrage", b-Arbitra 2013/1, 157-159, nrs. 102-110; G. DE LEVAL, Eléments de la procédure civile, Brussel, Larcier, 2008, 504; A. FETTWEIS, Manuel de procédure civile, Luik, 1987, 709; B. HANOTIAU en O. CAPRASSE, "L'annulation des sentences arbitrales", JT 2004, 425, nr. 82; G. KEUTGEN en G-A. DAL, L'arbitrage en droit belge et international, Brussel, Bruylant, 2006, 480-481.
(20)E. GAILLARD, noot onder Cass. fr. civ. 11 mei 1999, Revue de l'Arbitrage 1999, 811-816, waarbij het Franse Hof van Cassatie oordeelde: "attendu que le moyen pris d'une contradiction de motifs de la sentence arbitrale et auquel il a été répondu par la Cour d'appel, tend, en réalité, à critiquer au fond la motivation de la sentence; qu'il est donc irrecevable".
(21)MvT, Parl.St., Kamer, 2012-2013, doc. nr. 53, 2743/001, 40-41.
(22)zie M. DRAYE, "A reason is a reason and a time limit a time limit. Or is it? - The arbitral tribunal's duty to provide reasons and abide by applicable time limits to render its award", b-Arbitra 2017/1, 135-136, nrs. 34-35; G. KEUTGEN, G.-A. DAL, M. DAL en G. MATRAY, L'arbitrage en droit belge et international, I, Le droit belge, Brussel, Bruylant, 2015, nr. 667; M. PIERS en M. STORME "Overzicht van rechtspraak. Arbitrage (2006-2014)", TPR 2014, 888, nr. 52; J.-F. TOSSENS en S. GOLDMAN, "Commentaire de l'arrêt de la Cour d'appel de Bruxelles du 3 décembre 2012 à la lumière de la nouvelle loi sur l'arbitrage", b-Arbitra 2013/2, 446-447, nr. 19; H. VERBIST, "Rechtsbescherming van partijen in arbitrageprocedures naar Belgisch recht - Een overzicht van rechtspraak", b-Arbitra 2014/2, 289, nr. 60; I. VEROUGSTRAETE, "De basisprincipes van de arbitrageprocedure" in M. PIERS (ed.), De nieuwe arbitragewet 2013, Antwerpen, Intersentia, 2013, 39-40, nr. 23.
(23)Deze arresten hebben betrekking op het oud artikel 1704, 2°, i) Ger.W. Cass. 7 november 2013, AR C.12.0193.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131107.13, AC 2013, nr. 592; Cass. 28 november 2014, AR C.12.0517.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141128.3, AC 2014, nr. 736.
(24)I. VEROUGSTRAETE, "De basisprincipes van de arbitrageprocedure" in M. Piers (ed.), De nieuwe arbitragewet 2013, Antwerpen, Intersentia, 2013, 40, nr. 23) PDF document ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20191003.2 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191003.2 citeert: ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000120.3 ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000310.4 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010928.3 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080125.2 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081013.2 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100426.5 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110113.10 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131024.3 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131107.13 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141128.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.