id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 03 oktober 2019
Art. 1892
Fiche 2 Gelet op het doel van het vormvoorschrift uit artikel 1326 Burgerlijk Wetboek wordt het bewijs van de door de schuldenaar opgenomen verbintenis eveneens geleverd wanneer zij is opgenomen in een wederkerige overeenkomst die voldoet aan artikel 1325 Burgerlijk Wetboek
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BEWIJS - BURGERLIJKE ZAKEN - Geschriften - Algemeen Vrije woorden: Eenzijdige verbintenis - Opname in wederkerige overeenkomst - Gevolg Wettelijke bepalingen:
Artt. 1325 en 1326 Fiches 3 - 4 De terbeschikkingstelling van de geleende geldsom betreft een rechtsfeit dat door alle middelen van recht mag worden bewezen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: LENING Vrije woorden: Terbeschikkingstelling van geld - Aard - Gevolg Wettelijke bepalingen:
Art. 1892
Thesaurus CAS: BEWIJS - BURGERLIJKE ZAKEN - Algemeen Vrije woorden: Lening - Terbeschikkingstelling van geld - Aard Wettelijke bepalingen:
Art. 1892
Fiches 5 - 6 Een overeenkomst die door alle partijen werd ondertekend en waarbij elke partij verklaart een origineel, voor akkoord ondertekend exemplaar te hebben ontvangen, laat toe het aantal originelen te bepalen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: ONDERHANDSE AKTE Vrije woorden: Wederkerige overeenkomst - Aantal originelen - Toepassing Wettelijke bepalingen:
Art. 1325
Thesaurus CAS: BEWIJS - BURGERLIJKE ZAKEN - Geschriften - Algemeen Vrije woorden: Wederkerige overeenkomst - Aantal originelen - Toepassing Wettelijke bepalingen:
Art. 1325
Fiche 7 Vooraleer meerdere rechtsplegingsvergoedingen toe te kennen dient de rechter na te gaan of de samengevoegde zaken in hun geheel beschouwd niet eenzelfde geschil uitmaken, maar wel afzonderlijke geschillen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTSPLEGINGSVERGOEDING Vrije woorden: Samengevoegde zaken - Toekenning meerdere rechtsplegingsvergoedingen - Voorwaarde Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1017, eerste lid Koninklijk Besluit - 26-10-2007 - Art. 1, eerste en tweede lid - 35 ELI link Pub nr 2007009900 Tekst van de conclusie C.18.0585.N Conclusie van eerste advocaat-generaal Ria Mortier
- Feiten en procedure Tussen partijen werd een schriftelijke overeenkomst "geldlening/schuldbekentenis" opgesteld waarbij verweerders als uitleners werden vermeld en eerste eiser samen met een derde als ontleners. Tweede eiseres werd in de overeenkomst vermeld als de echtgenote van eerste eiser. In de schriftelijke overeenkomst werd opgenomen dat het bedrag in helften door elk van de verweerders zou gestort worden op een rekening op naam van de derde persoon en dat het ontleend bedrag uiterlijk tegen de erin vermelde datum zou worden terugbetaald inclusief de in de overeenkomst bedongen interest. De overeenkomst werd telkens met de vermelding "gelezen en goedgekeurd" ondertekend door alle betrokken partijen, waaronder eisers en verweerders. Bij gebreke aan tijdige terugbetaling werden eisers en de derde ontlener samen met diens echtgenote gedagvaard voor de rechtbank van eerste aanleg. De eerste rechter verklaarde de vordering ten opzichte van de derde ontlener en diens echtgenote gegrond, maar de vordering lastens eisers ongegrond nu wegens miskenning van het bepaalde in artikel 1326 BW geen afdoende bewijs van de verbintenis in hunnen hoofde voorligt. Op het hoger beroep van verweerders oordelen de appelrechters anders dan de eerste rechter dat de terugbetalingsverbintenis van de ontleners een eenzijdige overeenkomst is die opgenomen is in een wederkerige overeenkomst die beantwoordt aan het bepaalde in artikel 1325 BW zodat deze verbintenis wel ten genoege van recht wordt bewezen. Eisers worden veroordeeld tot de terugbetaling van 30.000 euro met interesten. Zij worden ook verwezen in de kosten van het geding vastgesteld op de RPV eerste aanleg en de RPV hoger beroep. Eisers komen tegen dit arrest van 5 september 2018 van het hof van beroep te Antwerpen op met twee middelen.
- Eerste middel 2.
- Eerste onderdeel 2.1.
- In het eerste onderdeel voeren eisers aan dat indien de lening gezamenlijk aan verschillende personen is beloofd en de gelden aan een van hen werden overhandigd er slechts sprake is van het bestaan van een lening in hoofde van de andere personen indien vastgesteld is dat die anderen volmacht hebben gegeven om in hun naam en voor hun rekening te ontvangen. 2.1.
- Hoewel door bepaalde auteurs wordt geopteerd voor de kwalificatie van de verbruiklening als consensuele overeenkomst
(1), wordt deze in rechtspraak en rechtsleer traditioneel aanzien als een zakelijke overeenkomst. Dit reëel karakter houdt dan in dat voor de totstandkoming zelf van de overeenkomst wordt vereist dat de zaak waarop zij betrekking heeft wordt afgegeven aan de verbruiklener of diens lasthebber
(2). De vereiste van afgifte wordt evenwel heel soepel benaderd en houdt geenszins in dat steeds een daadwerkelijke materiële overhandiging in handen van de ontlener zelf wordt vereist
(3). De wijze waarop de inbezitstelling geschiedt is dus zonder belang en kan in die zin ook geschieden via girale afgifte
(4)of in handen van een door de ontlener aangeduide persoon
(5). 2.1.
- Uit het door eisers voorgelegde eensluidend afschrift van de geldlening/schuldbekentenis die door partijen werd opgesteld, blijkt dat partijen overeenkwamen dat het ontleende bedrag zou gestort worden op een rekening op naam van één van de ontleners. De appelrechters die oordelen dat de afgifte van de geldsom wordt bewezen ten aanzien van eisers door de voorgebrachte stortingsbewijzen op de rekening van Francis Leroy zoals door partijen uitdrukkelijk overeengekomen en dat dit volstaat nu niet vereist is dat er een rechtstreekse terbeschikkingstelling gebeurt, verantwoorden hun beslissing naar recht. Het eerste onderdeel kan niet aangenomen worden. Dit geldt ook voor het vierde onderdeel dat er ten onrechte van uitgaat dat er om dezelfde reden ten aanzien van eisers geen verbintenis werd opgenomen. 2.
- Tweede onderdeel 2.2.
- In het tweede onderdeel voeren eisers aan dat de terugbetalingsverbintenis vanwege de ontlener een eenzijdige verbintenis is die slechts kan worden bewezen overeenkomstig de artikelen 1326 en 1341 BW. 2.2.
- Van een "eenzijdige overeenkomst" is sprake bij een contract dat slechts voor één partij verbintenissen doet ontstaan (artikel 1103 BW). De verbintenis staat dan op zichzelf en ent zich niet op andere verbintenissen in diezelfde rechtsverhouding
(6). De wederkerige overeenkomst daarentegen betreft een contract waarbij krachtens artikel 1102 BW de partijen zich over en weer jegens elkaar verbinden. De verbintenissen zijn daarbij zowel in hun totstandkoming als in hun uitvoering van elkaar afhankelijk. De ene verbintenis is immers tot stand gekomen met het oog op het bekomen van de andere verbintenis. Wegens de onderlinge afhankelijkheid van die wederkerige verbintenissen, moet de partij bij zo'n overeenkomst die de uitvoering vordert van de op de tegenpartij rustende verbintenissen nadat zij haar eigen verbintenissen heeft uitgevoerd, bewijzen dat zij die verbintenissen heeft uitgevoerd, of aangeboden heeft ze uit te voeren
(7). 2.2.3. Hoewel niet vrij van kritiek
(8), gaat de meerderheidsopvatting in rechtspraak en rechtsleer er van uit dat de verbruiklening een eenzijdige overeenkomst is waarbij de hoofdverbintenis voor de uitlener, namelijk de afgifteverplichting, niet als de uitvoering van een juridische verbintenis wordt aanzien maar als een totstandkomingsvereiste van de overeenkomst
(9). Aangezien de zakelijke overeenkomst die de verbruiklening is, slechts door afgifte van de zaak ontstaat kan de afgifte niet worden beschouwd als een verbintenis in hoofde van de tradens nu de afgifte op het ogenblik van het ontstaan van de overeenkomst en de verbintenissen die er uit voortvloeien is voltooid. De overeenkomst kan in die zin nooit (chrono)logischerwijs bron zijn van een verbintenis tot afgifte
(10). De lening doet dus enkel een verbintenis ontstaan voor de ontlener die gehouden is tot teruggave van het geleende in equivalent. Ook de lening op interest wordt als een eenzijdige overeenkomst beschouwd, waarbij de verbintenis om de interest te betalen zich voegt bij de plicht tot teruggave die in elke verbruiklening op de ontlener rust
(11). 2.2.3. Hij die terugbetaling van een geldsom vordert die hij beweert als lening te hebben overhandigd, zal ook het bestaan van een leningsovereenkomst moeten bewijzen. De overhandiging van de geldsom op zich levert immers nog niet het bewijs op van het bestaan van een overeenkomst
(12). Men dient tevens de verplichting de som terug te betalen te bewijzen
(13). Het tweede onderdeel gaat voor wat betreft het bewijs van de terugbetalingsverbintenis als eenzijdige overeenkomst, uit van de toepassing van artikel 1326 BW en voert aan dat de appelrechters dit artikel schenden door ten onrechte toepassing te hebben gemaakt van artikel 1325 BW. Dit onderdeel faalt mijns inziens naar recht. Waar artikel 1326 BW weliswaar enkel van toepassing is op eenzijdige verbintenissen betreft dit evenwel niet alle eenzijdige verbintenissen. Het betreft slechts een onderhands biljet of een onderhandse belofte tot betaling van een geldsom of een in geld waardeerbare zaak die dus in de regel geen wederkerige overeenkomst bevat en om die reden slechts in één exemplaar wordt opgemaakt dat door de schuldeiser wordt bijgehouden. Dit artikel heeft geen betrekking op een leningsovereenkomst
(14). Bovendien oordeelt Uw Hof dat wanneer een eenzijdige verbintenis is neergelegd in een wederkerige overeenkomst die is onderworpen aan het bepaalde in artikel 1325 BW, artikel 1326 BW niet moet worden nageleefd gelet op de bestaansreden van deze bepaling
(15). De bijzondere vormvereisten die in afwijking van het gemeen recht in artikel 1326 BW zijn voorzien voor onderhandse akten waarbij één enkele partij zich tegenover een andere verbindt tot betaling van een geldsom, zijn in het bijzonder bedoeld als bescherming van de schuldenaar tegen misbruiken van de schuldeiser. Zo belet de vereiste dat de schuldenaar het document volledig met de hand dient te schrijven dat de schuldeiser na het tekenen van een blanco document de tekst zou kunnen aanvullen met een hoger bedrag dan overeengekomen. De regel van het met de hand geschreven "goed voor" of "goedgekeurd voor" belet dat de schuldeiser na voorlezing van de akte met vermelding van een lager bedrag dan op het document vermeld staat toch de handtekening van de schuldenaar voor een hoger bedrag tracht te bekomen. De regel van het voluit in letters uitdrukken van de som belet dat de schuldeiser achteraf het vermeld bedrag vervalst aangezien in principe hij alleen het document bijhoudt. Het zijn dus alleen onderhandse akten die eenzijdige schuldbekentenissen vaststellen die onder de toepassing van artikel 1326 BW vallen maar niet de onderhandse akten die wederkerige overeenkomsten bevatten omdat in dat geval de beschermingsvereisten van artikel 1326 BW immers geen bestaansreden hebben. Het gevaar waartegen de schuldenaar moet worden beschermd bestaat dan niet omdat krachtens artikel 1325 BW dat in dat geval geldt, elke partij in het bezit is van een origineel van de akte en vergelijking van die originelen toelaat de afwezigheid van misbruiken te controleren
(16)Het tweede onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting faalt bijgevolg naar recht. 2.
- Derde onderdeel 2.3.
- De juridische aard van de betaling is van belang voor het bewijs in burgerlijke zaken. In het gereglementeerd bewijs is de juridische aard van een rechtsfiguur immers bepalend voor de toelaatbaarheid van de bewijsmiddelen
(17). Waar het gereglementeerd bewijsstelsel in burgerlijke zaken in zijn volle betekenis enkel geldt voor het bewijs van verbintenissen uit rechtshandelingen, mag het bewijs van louter materiële feiten en rechtsfeiten in principe worden geleverd door alle middelen van recht, getuigen en feitelijke vermoedens inbegrepen
(18). In het derde onderdeel voeren eisers aan dat de appelrechters de ter beschikkingstelling van de geldsom door verweerders ten onrechte als een rechtsfeit en niet als een rechtshandeling hebben beoordeeld. 2.3.2. Waar algemeen wordt aanvaard dat de betaling van een geldsom, als bevrijding van een aangegane verbintenis, als rechtshandeling moet worden aanzien, mag dit niet worden verward met de afgifte van een geldsom waardoor de lening tot stand komt wat wordt aanzien als een rechtsfeit dat met alle middelen van recht kan worden bewezen
(19). De afgifte van de geldsom strekt in dat geval tot het aangaan van de overeenkomst en niet tot het betalen van een reeds bestaande schuld
(20). Het derde onderdeel gaat bijgevolg uit van een foutieve rechtsopvatting en faalt in die zin naar recht. 2.
- Vijfde onderdeel 2.4.
- In het vijfde onderdeel voeren eisers aan dat de appelrechters ten onrechte hebben geoordeeld dat de onderhandse akte voldoet aan de vereisten van artikel 1325 BW hoewel uit hun eigen vaststellingen blijkt dat de akte niet uitdrukkelijk vermeldt in hoeveel exemplaren ze is opgesteld. 2.4.
- Waar een authentieke akte bewaard wordt door een openbaar ambtenaar en hiervan slechts één origineel wordt opgemaakt, waarvan partijen een kopie kunnen bekomen, wordt een onderhandse akte door de partijen zelf bewaard. Om te vermijden dat het opmaken van een overeenkomst in slechts één exemplaar de partij die het document onder zich houdt ertoe zou verleiden dit exemplaar te vervalsen of te laten verdwijnen, heeft de wetgever voor onderhandse akten in de naleving van bijzondere vormvereisten voorzien
(21). Het onderscheiden belang op het ogenblik van het afsluiten van de overeenkomst en niet het aantal partijen bepaalt het aantal exemplaren
(22). Met andere woorden de vereiste van het vermelden van het aantal originelen is bedoeld tot bewijs van het vervuld zijn van de voorwaarde dat de onderhandse akte moet zijn opgesteld in evenveel exemplaren als er partijen zijn met een onderscheiden belang. De wetgever wil immers vermijden dat de schuldenaar na het ontstaan van het geschil zijn origineel van de akte achterhoudt of vernietigt en vervolgens betwist dat er afdoende exemplaren van de akte zijn opgesteld om aldus bewijskracht te ontnemen aan het origineel dat de tegenpartij voorlegt. Een vage aanduiding die geen controle toelaat van het aantal opgestelde originelen kan daarom niet worden aanvaard
(23). Vereist is dat de in de overeenkomst opgenomen vermelding controle toelaat van het aantal opgestelde exemplaren. Uw Hof oordeelt dat partijen evenwel uitdrukkelijk of stilzwijgend van deze vormvereiste kunnen afzien
(24). 2.4.
- De appelrechters stellen vast dat de overeenkomst vermeldt dat elk van de ondertekenende partijen verklaart een origineel voor akkoord ondertekend exemplaar te hebben ontvangen. Zij oordelen dat nu partijen hun handtekening op het document niet betwisten en niet voorhouden geen exemplaar te hebben ontvangen, deze clausule wijst op de ontvangst van een exemplaar door elk van de ondertekenende partijen en er dus geen twijfel mogelijk is over het aantal exemplaren dat aldus impliciet is vermeld. Zij verantwoorden derhalve naar recht hun beslissing dat de akte beantwoordt aan artikel 1325 BW. Het onderdeel kan niet aangenomen worden.
- Tweede middel Het tweede middel komt wel gegrond voor. Eisers voeren conform de rechtspraak van uw Hof terecht aan dat de veroordeling tot de gerechtskosten onderstelt dat tussen de partijen een daadwerkelijke procesverhouding bestaat en dat wanneer meerdere eisers bij eenzelfde akte onderscheiden vorderingen op een zelfde grondslag instellen tegen een of meer verweerders, zonder dat de afsplitsing van de zaken wordt gevorderd en gelast, de rechter, vooraleer meerdere rechtsplegingsvergoedingen toe te kennen en ook al doet iedere vordering in beginsel een afzonderlijke procesverhouding ontstaan, dient na te gaan of de samengevoegde zaken, gelet op de concrete elementen ervan, in hun geheel beschouwd niet eenzelfde geschil uitmaken, maar wel afzonderlijke geschillen
(25). Nu uit de eigen vaststellingen van de appelrechters blijkt dat de oorspronkelijke vordering van de verweerders gericht was tegen de diverse ontleners waaronder eisers en uit geen enkele vaststelling blijkt dat een afsplitsing van zaken plaatsvond konden de appelrechters niet zonder schending van artikel 1017 Gerechtelijk wetboek en artikel 1 van het Tarief RPV, zowel de eisers als de andere ontleners veroordelen tot de rechtsplegingsvergoeding voor wat betreft de procedure in eerste aanleg. Het middel is gegrond. Conclusie: gedeeltelijke cassatie met verwijzing. _____________________________
(1)B. DU LAING, (Geld)lening en (krediet)opening, Die Keure, 2005, nr. 29; V. SAGAERT, B. TILLEMAN, A. VERBEKE, Vermogensrecht in kort bestek, Goederen- en bijzondere overeenkomstenrecht, Intersentia, nr. 856.
(2)B. DU LAING, (Geld)lening en (krediet)opening, Die Keure, 2005, nr. 29; A. AYDOGAN, De aard van de overeenkomst, Intersentia, 2014, nr. 181-182.
(3)B. DU LAING, (Geld)lening en (krediet)opening, Die Keure, 2005, nr. 32.
(4)Bijzondere overeenkomsten, Commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, deel 5, art. 1892-3.
(5)B. DU LAING, (Geld)lening en (krediet)opening, Die Keure, 2005, nr. 38.
(6)L. CORNELIS, Algemene theorie van de verbintenis, Intersentia, 181-182.
(7)Cass. 25 juni 2004, AR C.03.0326.F ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040625.12, AC 2004, nr. 361.
(8)B. DU LAING, (Geld)lening en (krediet)opening, Die Keure, 2005; A. AYDOGAN, De aard van de overeenkomst, Intersentia, 2014, nr. 180.
(9)B. DU LAING, (Geld)lening en (krediet)opening, Die Keure, 2005, nr. 81.
(10)A. AYDOGAN, De aard van de overeenkomst, Intersentia, 2014, nr. 183.
(11)A. AYDOGAN, De aard van de overeenkomst, Intersentia, 2014, nr. 178.
(12)Cass. 14 november 1985, A.R. 7223, Arr. Cass. 1985-86, nr. 171.
(13)Bijzondere overeenkomsten, Commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, deel 5, art. 1874-8.
(14)DE PAGE, Traité élémentaire de droit civil belge, Tôme III, Les obligations, Brussel, Bruylant, 1967, 841, nr. 815.
(15)Cass. 27 oktober 2000, AR C.98.0482.N ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001027.7, AC 2000, nr. 584.
(16)B. CATTOIR, Burgerlijk bewijsrecht, APR, 2013, nr. 587.
(17)RUTTEN S., De betaling, Intersentia, 2011, nr. 4.
(18)B. CATTOIR, Burgerlijk bewijsrecht, APR, 2013, nr. 270; B. ALLEMEERSCH, TPR, 2015, nr. 389.
(19)B. ALLEMEERSCH, TPR, 2015, nr. 395; Bijzondere overeenkomsten, Commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, deel 5, art. 1874-8.
(20)RUTTEN S., De betaling, Intersentia, 2011, nr. 399.
(21)B. SAMYN, Privaatrechtelijk bewijs, Story publishers, 2012, nr. 328.
(22)DE PAGE, Traité élémentaire de droit civil belge, Tôme III, Les obligations, Brussel, Bruylant, 1967, 824, nr. 803.
(23)B. CATTOIR, Burgerlijk bewijsrecht, APR, 2013, nr. 567-568.
(24)Cass. 26 april 2001, AR C.99.0004.F ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010426.6, AC 2001, nr. 235.
(25)Cass. 8 december 2014, AR S.12.0029.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141208.2, AC 2014, nr. 761. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20191003.5 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191003.5 citeert: ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001027.7 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010426.6 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040625.12 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141208.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div