← België

ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20191007.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 07 oktober 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20191007.2 Rolnummer: C.19.0093.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Overige Invoerdatum: 2019-11-05 Raadplegingen: 342 - laatst gezien 2026-06-29 08:14 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191007.2 Fiches 1 - 2 Uit de wetsgeschiedenis van artikel 5, 2° van de wet van 31 maart 2010 betreffende de vergoeding van schade als gevolg van gezondheidszorg blijkt niet dat, anders dan uit de door de wet gebruikte bewoordingen volgt, de tijdelijke arbeidsongeschiktheid waardoor het slachtoffer moet getroffen zijn opdat er sprake zou zijn van een voldoende ernstige schade, een volledige of algehele arbeidsongeschiktheid moet zijn

(1).
(1)Zie deels gelijkluidende concl. OM. Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - ALGEMEEN Vrije woorden: Vergoeding van schade als gevolg van de gezondheidszorg - Tijdelijke arbeidsongeschiktheid - Aard - Gevolg Thesaurus CAS: GENEESKUNDE - ALGEMEEN Vrije woorden: Aansprakelijkheid buiten overeenkomst - Vergoeding van schade als gevolg van de gezondheidszorg - Tijdelijke arbeidsongeschiktheid - Aard - Gevolg Tekst van de conclusie C.19.0093.N Conclusie van advocaat-generaal Vanderlinden:
  1. Eiser tot cassatie komt op tegen een arrest van het hof van beroep te Antwerpen op 26 maart
  2. Door eiseres wordt er één middel aangevoerd.
  3. Het middel. a. Probleemstelling Het probleem dat aan de orde is in onderhavig geschil betreft de toepassing van artikel 5 van de Wet van 31 maart 2010 betreffende de vergoeding van schade als gevolg van de gezondheidszorg, meer in het bijzonder het tweede lid van deze bepaling. Artikel 5 luidt als volgt: "De schade is ernstig genoeg indien aan één van de volgende voorwaarden is voldaan: 1° de patiënt is getroffen door een blijvende invaliditeit van 25% of meer; 2° de patiënt is getroffen door een tijdelijke arbeidsongeschiktheid gedurende minstens zes opeenvolgende maanden of zes niet opeenvolgende maanden over een periode van twaalf maanden; 3° de schade verstoort bijzonder zwaar, ook economisch, de levensomstandigheden van de patiënt; 4° de patiënt is overleden." Het geschil gaat over de vraag of de tijdelijke arbeidsongeschiktheid waarvan sprake in art. 5, 2° een volledige tijdelijke arbeidsongeschiktheid dient te zijn, dan wel of een gedeeltelijke tijdelijke arbeidsongeschiktheid kan volstaan. De appelrechter oordeelde dat artikel 5, 2° nergens bepaalt dat de tijdelijke ongeschiktheid gedurende 6 opeenvolgende maanden volledig moet zijn. Eiser tot cassatie stelt dat, op grond van de wetsgeschiedenis van de desbetreffende bepaling, blijkt dat opdat er sprake zou zijn van ernstige schade de patiënt getroffen moet zijn door een volledige of "totale tijdelijke ongeschiktheid". b. Beoordeling. Ik deel het standpunt van eiser niet daar het mijns inziens faalt naar recht. Hiervoor wil ik verwijzen naar de rechtspraak van uw Hof. U oordeelde reeds bij herhaling
(1)dat de parlementaire voorbereidingen van een wet niet kunnen worden aangevoerd tegen een duidelijke en ondubbelzinnige tekst van de wet. Ik meen dan ook dat eiser, in deze, ten onrechte beroep doet op de voorbereidende werken. Bij het lezen van de duidelijke bepaling uit de wet van 2010 dient er te worden vastgesteld dat hier geen onderscheid wordt gemaakt tussen een volledige dan wel een gedeeltelijke tijdelijke arbeidsongeschiktheid. Het artikel beperkt zich tot de omschrijving "tijdelijke arbeidsongeschiktheid". Zo een wetsbepaling geen onderscheid maakt dan mag er bij de toepassing van de regel ook geen onderscheid gemaakt worden
(2). Dienvolgens is deze rechtsregel van toepassing ongeacht of het een gedeeltelijke dan wel volledige tijdelijke arbeidsongeschiktheid betreft. Het middel gaat evenwel van een andere rechtsopvatting uit. Conclusie: verwerping. ________________
(1)Cass. 30 juni 2006, AR C.05.0117.F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060630.13, AC 2006, nr. 371; Cass. 17 oktober 2002, AR C.01.0328.F ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021017.8, AC 2002, nr. 551; Cass. 22 december 1994, AR C.94.0035.F ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19941222.9, AC 1994, nr. 573.
(2)Cass. 30 juni 2006, AR C.05.0117.F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060630.13, AC 2006, nr. 371. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20191007.2 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191007.2 citeert: ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19941222.9 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021017.8 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060630.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.