← België

ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20191007.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 07 oktober 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20191007.5 Rolnummer: S.18.0092.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2019-11-05 Raadplegingen: 318 - laatst gezien 2026-06-29 08:08 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191007.5 Fiche De artikelen 25 tot 25decies ZIV-wet, zoals hier toepasselijk, die de bepalingen betreffende het Bijzonder Solidariteitsfonds bevatten, voorzien niet in een afwijking van de bepalingen van de Geneesmiddelenwet; hieruit volgt dat het Bijzonder Solidariteitsfonds slechts tussenkomst kan verlenen voor het verstrekken van een geneesmiddel waarvoor geen vergunning om in de handel te worden gebracht of registratie is verleend, voor zover dit geneesmiddel in toepassing van artikel 6quater, § 1, Geneesmiddelenwet ter beschikking van de patiënt mag worden gesteld

(1)
(2).
(1)Zie concl. OM.
(2)De artikelen 25 tot 25decies ZIV-wet voor de wijziging door de wet van 7 februari 2014 houdende diverse bepalingen inzake de toegankelijkheid van de gezondheidszorg. Thesaurus CAS: ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING - ZIEKTEKOSTENVERZEKERING Vrije woorden: Bijzonder Solidariteitsfonds - Kosten - Tussenkomst verstrekking - Geneesmiddel - Voorwaarden - Vergunning - Afwijking - Gevolg Tekst van de conclusie S.18.0092.N Conclusie van de Advocaat-generaal Vanderlinden:
  1. Eiseres tot cassatie komt op tegen een arrest van het Arbeidshof te Gent, afdeling Gent gewezen op 10 september
  2. Door eiseres wordt er één middel aangevoerd.
  3. Het tweede onderdeel. Vooreerst is er de problematiek betreffende het aspect of het Bijzonder Solidariteitsfonds, op grond van de artikelen 25 e.v. ZIV-wet dient tussen te komen indien het geneesmiddel geen toelating heeft van de FDA en EMA om op de markt te worden gebracht en dus niet kan worden aangekocht. Eiseres tot cassatie stelt dat het Bijzonder Solidariteitsfonds geen tussenkomst dient te verlenen voor niet-erkende geneesmiddelen. Deze instelling zou slechts sedert de inwerkingtreding van artikel 25quater/1 ZIV-wet, ingevoerd door de wet van 7 februari 2014, gehouden zijn om, in het kader van "cohortbeslissingen" en dus voor meerdere patiënten, tegemoetkomingen te doen in kosten voor geneesmiddelen die nog geen vergunning hebben voor het in de handel brengen. Dit standpunt van eiseres kan niet onderschreven worden. Het is natuurlijk zo dat er maar sprake kan zijn van een tussenkomst van het Bijzonder Solidariteitsfonds indien de betrokken geneesmiddelen aan de patiënt mogen worden verstrekt. Immers, zo de geneeskundige verstrekking, waarvan sprake in de artikelen 25 e.v. ZIV-wet, een geneesmiddel betreft dan dient dit middel te voldoen aan de voorwaarden van de Geneesmiddelenwet eer het als een geneesmiddel kan worden beschouwd. Echter de visie van eiseres desbetreffend is te eng daar dit zich niet beperkt tot deze geneesmiddelen die een vergunning hebben om in de handel te worden gebracht. Immers ingevolge artikel 6quater van Geneesmiddelenwet, in de in deze toepasselijke versie, kunnen geneesmiddelen waarvoor geen vergunning is om in de handel te brengen of registratie werd verleend of die in België niet in de handel zijn gebracht, ter beschikking worden gesteld van patiënten indien aan de, in deze bepaling, opgenomen voorwaarden is voldaan. In de wettelijk voorziene uitzondering is er dus een tussenkomst mogelijk van het Bijzonder Solidariteitsfonds voor geneesmiddelen die nog geen vergunning hebben voor het in de handel brengen. Het geneesmiddel mag op dat ogenblik verstrekt worden aan de patiënt en er moet dus, in zoverre voldaan is aan de overige voorwaarden, beroep kunnen gedaan worden op het Bijzonder Solidariteitsfonds. In zoverre faalt het onderdeel naar recht. Voor een beoordeling van de overige grieven van het onderdeel dient verwezen te worden naar de rechtspraak van uw Hof. Inzonderheid betreft dit de arresten van 13 september 2004
(1)en 12 maart 2018
(2). Wanneer het college van geneesheren-directeurs op grond van de artikelen 25 e.v. ZIV-wet de tegemoetkoming van de verzekering weigert en de rechthebbende die weigering betwist, ontstaat er tussen die rechthebbende en eiser een betwisting over het recht op die tegemoetkoming. Dit geschil valt onder de bevoegdheid van de arbeidsrechtbank, die ingevolge de artikelen 167, eerste lid, van de ZIV-wet, 580, 2°, en 581, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek, kennisneemt van de geschillen over de rechten van de werknemers, die zijn vastgelegd in de wetgeving inzake de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering. De rechter oefent dan een toezicht van volle rechtsmacht uit op de beslissing van het college van geneesheren-directeurs. Alles wat onder de beoordelingsbevoegdheid van het college van geneesheren-directeurs valt, is onderworpen aan het toezicht van de arbeidsrechtbank. Dus om te oordelen dat het Bijzonder Solidariteitsfonds gehouden is om, op grond van de bepalingen van de ZIV-wet, tegemoetkoming te verlenen, dient de rechter vast te stellen dat voldaan is aan de wettelijke voorwaarden. In casu, zo het een geneesmiddel betreft dat geen vergunning heeft om in de handel te worden gebracht, dient de rechter vast te stellen dat het geneesmiddel aan een patiënt ter beschikking mag worden gesteld op grond van één der uitzonderingen die opgenomen zijn in de Geneesmiddelenwet. Dit heeft de appelrechter echter niet gedaan. In zoverre het onderdeel aanvoert dat de rechter die oordeelt dat aan de voorwaarden van artikel 25 ZIV-wet is voldaan zonder tegen te spreken dat het betrokken geneesmiddel niet werd erkend of vast te stellen dat het wel degelijk werd erkend overeenkomstig de Geneesmiddelenwet of toepassing werd gemaakt van een van de daarop bestaande uitzonderingen, de voormelde bepaling schendt, is het gegrond. De overige grieven kunnen niet tot een ruimere cassatie leiden. Conclusie: cassatie. ________________
(1)Cass. 13 september 2004, AR S.03.0129.F ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040913.6, AC 2004, nr. 405.
(2)Cass. 12 maart 2018, AR S.17.0077.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180312.5, AC 2018, nr. 175. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20191007.5 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191007.5 citeert: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040913.6 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180312.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.