← België

ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20191008.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 08 oktober 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20191008.1 Rolnummer: P.19.0317.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2019-10-10 Raadplegingen: 559 - laatst gezien 2026-06-29 07:12 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191008.1 Fiches 1 - 2 Het cassatieberoep, ingesteld door de raadsman van eiser die optreedt als dominus litis zonder dat deze laat blijken dat hij houder is van het door artikel 425, § 1, tweede lid, Wetboek van Strafvordering bedoelde getuigschrift en dat enkel wordt ondertekend door een raadsman die optreedt in de plaats van (loco) de dominus litis die wel houder is van dit getuigschrift, is ontvankelijk

(1). (Impliciete oplossing).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Vormen - Vorm van het cassatieberoep en vermeldingen Vrije woorden: Ondertekening uitsluitend door advocaat-houder van getuigschrift loco de dominus litis zonder dat deze laatste laat blijken dat hij houder is van dit getuigschrift - Ontvankelijkheid Thesaurus CAS: ADVOCAAT Vrije woorden: Cassatieberoep in strafzaken - Vorm van het cassatieberoep en vermeldingen - Ondertekening uitsluitend door advocaat-houder van getuigschrift loco de dominus litis zonder dat deze laatste laat blijken dat hij houder is van dit getuigschrift - Ontvankelijkheid Tekst van de conclusie P.19.0317.N Conclusie van advocaat-generaal Luc Decreus: Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, van 19 februari 2019. Over de ontvankelijkheid van het cassatieberoep 1. Artikel 425, §1, Wetboek van Strafvordering, zoals vervangen bij artikel 27 van de wet van 14 februari 2014 met betrekking tot de rechtspleging voor het Hof van Cassatie in strafzaken
(1)bepaalt: "Onverminderd §2, wordt de verklaring van cassatieberoep gedaan door het openbaar ministerie of de advocaat op de griffie van het gerecht dat de bestreden beslissing heeft gewezen. Zij wordt getekend door het openbaar ministerie of de advocaat en door de griffier en ingeschreven in het daartoe bestemd register. De advocaat moet houder zijn van een getuigschrift van een opleiding in cassatieprocedures als bedoeld in boek II, titel III. De Koning bepaalt de vereisten waaraan de opleiding moet voldoen." Het eerste lid van voormeld artikel is in werking getreden op 1 februari 2015. Het tweede lid, eerste zin van dat artikel, dat betrekking heeft op de vereiste dat de advocaat houder moet zijn van een getuigschrift van een opleiding in cassatieprocedures, is één jaar later in werking getreden, met name op 1 februari 2016
(2). Het tweede lid, tweede zin van dat artikel is in werking getreden op 20 november 2014
(3). Sinds 1 februari 2015 kan de verklaring van cassatieberoep derhalve alleen nog geldig worden gedaan door het openbaar ministerie of door een advocaat
(4), die sinds 1 februari 2016 houder dient te zijn van een getuigschrift van een opleiding in cassatieprocedures, waarvan de vereisten bepaald worden door de Koning. In deze zaak vermeldt de akte van cassatieberoep van 1 maart 2019 dat voor en in naam van de eiser heeft verklaard cassatieberoep in te stellen: "Meester Anthony Roegiers, met getuigschrift bijzondere opleiding cassatieprocedure in strafzaken, advocaat (...), loco meester Kathy Blondeel, advocaat (...)". Uit deze akte, noch uit enig ander stuk waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de dominus litis, meester Kathy Blondeel, houder is van het getuigschrift bedoeld in artikel 425, §1, tweede lid, Wetboek van Strafvordering. 2. Het Hof oordeelde bij herhaling dat uit artikel 425, §1, Wetboek van Strafvordering, volgt dat hij die namens een partij cassatieberoep instelt ter gelegenheid van het afleggen van zijn verklaring van cassatieberoep niet alleen moet doen blijken van zijn hoedanigheid van advocaat maar ook van het feit dat hij houder is van het door artikel 425, §1, tweede lid, bedoelde getuigschrift
(5). De vraag rees welke toepassing van artikel 425, §1, Wetboek van Strafvordering diende te worden gemaakt indien het cassatieberoep weliswaar wordt ingesteld door de raadsman van de eiser die optreedt als dominus litis maar waarbij de akte wordt ondertekend door een raadsman in de plaats van (loco) de dominus litis. De Nederlandstalige afdeling van de tweede kamer van het Hof oordeelde in 2016 bij herhaling dat in voorkomend geval zowel de advocaat die als raadsman van de eiser (dominus litis) cassatieberoep instelt als deze die in de plaats van (loco) deze raadsman het cassatieberoep tekent, aan de vereisten van de hoedanigheid van advocaat en van het feit dat hij houder is van het bedoelde getuigschrift moeten voldoen
(6). De Franstalige afdeling van de tweede kamer van het Hof oordeelde evenwel bij arrest van 12 oktober 2016, op andersluidende conclusie van het openbaar ministerie, dat de verklaring van cassatieberoep in strafzaken die door een advocaat is getekend die houder blijkt te zijn van een getuigschrift van opleiding in cassatieprocedures, in de plaats van een andere advocaat, niet onontvankelijk is door het enkele feit dat niet blijkt dat ook de dominus litis houder is van het voormelde getuigschrift
(7). Daarop verfijnde de Nederlandstalige afdeling van de tweede kamer van het Hof bij arrest van 17 oktober 2017 haar eerdere rechtspraak en besliste zij dat enkel de advocaat die namens de eiser als dominus litis cassatieberoep instelt, aan de vereisten van artikel 425, §1, tweede lid, Wetboek van Strafvordering moet voldoen omdat pas op die manier de door de wetgever met deze bepalingen beoogde doelstelling, namelijk waarborgen dat het instellen van een cassatieberoep slechts weloverwogen gebeurt door een advocaat die blijk heeft gegeven van een vertrouwdheid met de cassatieprocedure in strafzaken, kan worden bereikt
(8). Bij arrest van 5 juni 2019 stelde de Franstalige afdeling van de tweede kamer, op andersluidende conclusie van het openbaar ministerie, dat uit de bepalingen van artikel 425, §1, Wetboek van Strafvordering, volgt dat de voorziening in cassatie moet ondertekend zijn door een advocaat die houder is van het bedoelde getuigschrift en dat hieraan is voldaan door de handtekening van de raadsman die loco optrad
(9). 3. De wetgever verantwoordde de tussenkomst van een getuigschrifthoudend raadsman die zijn cassatievoorziening dient te ondertekenen onder meer om te voorkomen dat het cassatieberoep lichtzinnig zou worden ingesteld. De advocaat zou de betrokken partij kunnen wijzen op het specifieke karakter van het rechtsmiddel dat geen derde aanleg inhoudt. Tevens is deze raadsman beter geplaatst om de partijen te identificeren tegen wie zijn rechtsmiddel gericht is en aan wie het desgevallend moet worden betekend evenals de partijen die eventueel best opgeroepen worden in gemeenverklaring van het arrest en de punten van de betreffende beslissing die moeten vermeden worden. De wettelijke maatregel is ook verantwoord om de hoeveelheid zaken die het Hof dient te behandelen in te dijken wat in het belang is van het Hof en de rechtszoekende
(10). 4. De vereiste dat de dominus litis houder dient te zijn van een getuigschrift van een opleiding in cassatieprocedures komt tevens niet overdreven formalistisch voor. Overeenkomstig een vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) vloeit uit artikel 6 EVRM geen verplichting voort voor de verdragspartijen om hoven van beroep of hoven van cassatie op te richten
(11). Indien een verdragspartij evenwel in het bestaan van dergelijke gerechtshoven voorziet, moeten de partijen er wel de waarborgen van artikel 6 EVRM genieten
(12). Aangezien het EVRM geen recht op hoger beroep of cassatieberoep waarborgt, mag elke verdragspartij bepalen in welke mate de toegang tot een appel- of een cassatiegerecht openstaat en zij beschikt daartoe over een zekere appreciatiemarge. De verdragspartijen kunnen bijgevolg beperkingen aan het recht op toegang tot de rechter stellen. Vormvereisten in verband met de wijze waarop een zaak aanhangig moet gemaakt worden bij de rechter zijn op zich niet strijdig met artikel 6.1 EVRM, maar ze mogen niet te formalistisch geïnterpreteerd worden
(13). Zo kan de wet bepalen dat partijen het recht hebben om zich te wenden tot de cassatierechter, mits het cassatieberoep voldoet aan de in de wet gestelde voorwaarden voor de ontvankelijkheid ervan. Uit de rechtspraak van het EHRM blijkt dat die voorwaarden dan niet zover mogen gaan dat ze raken aan de kern van het recht op toegang tot de rechter zelf. Bovendien moeten de beperkingen van de toegang tot de cassatierechter een wettig doel nastreven en moet er evenredigheid zijn tussen de aangewende middelen en het nagestreefde doel
(14). Daarbij houdt het EHRM evenwel rekening met de bijzonderheden van de cassatieprocedure, wat zich uit op twee vlakken. Om te bepalen of de cassatieprocedure voldoet aan de vereisten van artikel 6 EVRM en of het recht op toegang tot de rechter effectief gerealiseerd is, houdt het EHRM ten eerste rekening met het verloop van de gehele rechtsgang, dus ook met de rechtsgang voorafgaand aan de voorziening in cassatie. Ten tweede neemt het EHRM bij deze beoordeling ook de eigenheid van de cassatieprocedure in aanmerking. Bij de beoordeling van ontvankelijkheidsvoorwaarden in een cassatieprocedure, als een beperking van het recht op toegang tot de cassatierechter, zal het EHRM dus steeds rekening houden met de specifieke rol die deze rechter speelt in de gehele rechtsgang en derhalve met het gegeven dat een cassatierechter enkel een wettigheidstoetsing doet van de beslissing van de feitenrechter over de zaak en geen feitenbeoordeling. Deze specifieke rol kan volgens het EHRM een groter formalisme in de cassatieprocedure verantwoorden. Zo heeft het EHRM al geoordeeld dat de ontvankelijkheidsvoorwaarden voor het instellen van een cassatieberoep strikter en formalistischer mogen zijn dan voor het instellen van hoger beroep
(15)Een bijzondere vereiste voor de ontvankelijkheid van een voorziening kan erin bestaan dat de eiser bijgestaan of vertegenwoordigd moet zijn door een advocaat, in casu door een advocaat die houder is van een getuigschrift van een opleiding in cassatieprocedures. 5. Deze opleidingsvereiste heeft de toets van het Grondwettelijk Hof doorstaan
(16). Het recht om door een advocaat te worden bijgestaan, betekent immers niet dat geen ontvankelijkheidsvoorwaarden kunnen worden ingevoerd in zeer ingewikkelde materies die een specifieke ervaring vereisen. Ook het recht op de toegang tot de rechter kan worden onderworpen aan ontvankelijkheidsvoorwaarden. Door de vereiste van een getuigschrift van een opleiding in cassatieprocedures op te leggen, heeft de wetgever een maatregel genomen die in verhouding staat met de gewettigde doelstellingen van de hervorming, met name een toevloed van kennelijk ongegronde cassatieberoepen in strafzaken te beletten en tegelijk, in het belang van de rechtzoekende en van de goede werking van het gerecht, een hoge kwaliteit te waarborgen van de voor het Hof van Cassatie neergelegde procedurevoorschriften: de advocaat die in deze zeer specifieke materie is opgeleid, zal de kansen en eventuele negatieve gevolgen van een voorziening immers beter kunnen inschatten, waarbij hij aldus zijn cliënt te volle kan informeren. Deze maatregel is verantwoord door zowel het buitengewone karakter als de specifieke draagwijdte en de bijzondere gevolgen van dat rechtsmiddel. In plaats van de rechten van de rechtzoekenden te beperken, draagt de vereiste integendeel bij tot de bescherming van hun rechten en belangen. De vereiste van een getuigschrift is dus relevant en brengt geen enkele discriminatie met zich mee. Zolang de opleiding openstaat voor alle belangstellende advocaten en de nodige maatregelen worden genomen om voldoende advocaten toe te laten ze te volgen, brengt die vereiste geen onevenredige beperking van de toegang tot het gerecht met zich mee. In deze argumentatie van het Grondwettelijk Hof komen ook de criteria terug waaraan het EHRM toetst bij de controle of het recht op toegang tot de rechter effectief werd gewaarborgd. In concreto: - beperkt de vereiste in hoofde van de dominus litis van een getuigschrift van een opleiding in cassatieprocedures het recht op de toegang tot het gerecht niet in die mate dat hierdoor de kern van dit recht zelf wordt aangetast; - streeft deze vereiste een wettig doel na, met name het vermijden van een toevloed van kennelijk ongegronde cassatieberoepen in strafzaken en tegelijk, in het belang van de rechtzoekende en van de goede werking van het gerecht, een hoge kwaliteit waarborgen van de voor het Hof van Cassatie neergelegde procedurevoorschriften; - is er een evenredigheid tussen de aangewende middelen - de vereiste dat de advocaat-dominus litis houder is van het bedoelde getuigschrift - en het hiervoor vermelde nagestreefde doel
(17). 6. Bij arrest van 7 november 2018 oordeelde de Franstalige afdeling van de tweede kamer van het Hof dat de hoedanigheid van getuigschrifthoudend advocaat wordt bewezen door de eenvoudige vermelding daarvan in de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan en dat bij gebreke daarvan dergelijke vermelding onbestaande is. De advocaat moet in de akte van voorziening of in zijn memorie aangeven dat hij houder is van het getuigschrift dat hem toelaat de procedure in te leiden. Het bewijs daarvan wordt geleverd door de enkele bevestiging daarvan. De ontvankelijkheid van de voorziening is afhankelijk van de wilsuiting van diegene van wie de voorziening uitgaat en is de vertaling van deze wil in het geschrift. Het doel van dit minimale formalisme is legitiem want het gaat erom te vermijden dat het Hof niet overladen wordt met niet ontvankelijke of manifest ongegronde voorzieningen en het Hof tevens te sparen van feitelijke opzoekingen. Door te oordelen dat het bewijs van het houden van het getuigschrift wordt geleverd op een vereenvoudigde wijze, namelijk door de enkele verklaring van de auteur van de voorziening, hecht het Hof hieraan een geloofwaardigheid die het nergens anders kan vinden omdat dergelijke gegevens enkel te vinden zijn in lijsten zonder authentiek of officieel karakter die geen betrouwbaarheid waarborgen
(18). 7. Nu komt het heel vaak voor, zoals in casu, dat de advocaat als dominus litis, in de uitoefening van zijn verbintenissen jegens zijn cliënt, een beroep doet op een stagiair, een medewerker of een andere zelfstandige advocaat. Algemeen wordt aangenomen dat dit kan, zelfs zonder toestemming van de cliënt, maar dat de dominus litis persoonlijk aansprakelijk blijft ten aanzien van de cliënt omdat een contract intuitu personae werd gesloten met de cliënt die voor een bepaalde advocaat heeft gekozen omwille van zijn kennis en kunde
(19), in dit geval bijkomend zijn vertrouwdheid met de cassatieprocedure in strafzaken. De dominus litis is dus de advocaat die de verantwoordelijkheid voor het dossier draagt en die eerste rechter van de zaak is. Door zijn mandaat ad litem (artikel 440, tweede lid, Ger.W.), dat ook geldt in strafzaken, vertegenwoordigt de advocaat de partij en kan hij vorderingen stellen, pleiten en conclusies nemen
(20). Het kan uiteraard de bedoeling niet zijn dat de dominus litis zijn plicht om te bewijzen dat hijzelf houder is van het getuigschrift door de eenvoudige vermelding daarvan in de akte van het cassatieberoep of in de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, verzuimt of deze omzeilt door een loco-advocaat onder de arm te nemen die wél het getuigschrift bezit en de nodige stukken ondertekent. Evenmin kan de advocaat die de verantwoordelijkheid voor het dossier draagt en die geen houder van het getuigschrift zou zijn dit houderschap, en dus de kunde verworven door de voorziene opleiding, "lenen" van een getuigschrifthoudende loco-advocaat. Indien het als voldoende wordt beschouwd dat enkel de loco-advocaat beschikt over een getuigschrift, wordt de voormelde doelstelling van de wetgever met de vereiste van een opleiding, namelijk het weloverwogen instellen van cassatieberoep door een advocaat die blijk heeft gegeven van een vertrouwdheid met de cassatieprocedure in strafzaken, zodat een toevloed van ongegronde cassatieberoepen wordt vermeden, niet bereikt. In dat geval kan immers elke advocaat zonder opleiding inzake cassatieprocedures en derhalve zonder kennis van de cassatietechniek en van de specifieke aard van de cassatieprocedure, cassatieberoep instellen, voor zover hij maar een advocaat vindt die houder is van het bedoelde getuigschrift en die bereid is om in zijn plaats de verklaring van cassatieberoep af te leggen en te ondertekenen. Deze laatste zou dan voor stroman dienen voor advocaten die geen houder zijn van het vermelde getuigschrift. In elk geval is het aan de hand van het voorgaande duidelijk dat het niet de loco-advocaat is die beslist over het aantekenen van het cassatieberoep maar wel de dominus litis die aan de loco-advocaat vraagt zijn beslissing te laten formaliseren in een akte én deze in zijn plaats te ondertekenen. Deze akte moet dan ook vermelden dat de dominus litis, zijnde diegene van wie de voorziening uitgaat, effectief houder is van het vereiste getuigschrift. Precies daaruit overigens volgt dat de loco-advocaat, zoals supra gezegd, niet over het vereiste getuigschrift dient te beschikken. Het ingestelde cassatieberoep in deze zaak is dan ook niet ontvankelijk. ____________________________
(1)B.S. 27 februari 2014.
(2)Artikel 50 wet 14 februari 2014 met betrekking tot de rechtspleging voor het Hof van Cassatie in strafzaken.
(3)Artikel 4, 1°, Koninklijk Besluit van 10 november 2014 tot vaststelling van de vereisten van de opleiding, bepaald in artikel 425, § 1, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, B.S. 20 november 2014 (hierna: KB 10 oktober 2014)
(4)Uitzondering: artikel 426 Wetboek van Strafvordering.
(5)Cass. 17 oktober 2017, AR P.16.1082.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171017.3, AC 2017, nr. 566; Cass. 6 september 2016, AR P.16.0917.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160906.5, AC 2016, nr. 461; Cass. 10 mei 2016, AR P.16.0284.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160510.2, AC 2016, nr. 311; Cass. 5 april 2016, AR P.16.0334.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160405.3, AC 2016, nr. 233.
(6)Cass. 20 september 2016, AR P.16.0812.N, arrest niet gepubliceerd; Cass. 6 september 2016, AR P.16.0917.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160906.5, AC 2016, nr. 461; Cass. 10 mei 2016, AR P.16.0284.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160510.2, AC 2016, nr. 311.
(7)Cass. 12 oktober 2016, AR P.16.0610.F ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161012.9, AC 2016, nr. 565, met andersluidende concl. van advocaat-generaal NOLET DE BRAUWERE in Pas. 2016, nr. 565.
(8)Cass. 17 oktober 2017, AR P.16.1082.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171017.3, AC 2017, nr. 566.
(9)Cass. 5 juni 2019, AR P.19.0247.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190605.2, AC 2019, nr. 350, met andersluidende concl. van advocaat-generaal NOLET DE BRAUWERE.
(10)Parl. St. Senaat 2012-13, nr. 5-1832/3, p. 21-23; R. VERSTRAETEN en H. DEMEDTS, "De cassatieprocedure in strafzaken na de nieuwe wet van 14 februari 2014: brengt vernieuwing ook verbetering?", NC 2015,
(347)355.
(11)Artikel 2, Zevende Protocol bij het EVRM waarborgt in strafzaken wel een recht op hoger beroep. Dit artikel bepaalt het volgende: "
  1. Eenieder die door een gerecht is veroordeeld wegens een strafbaar feit, heeft het recht zijn schuldigverklaring of veroordeling opnieuw te doen beoordelen door een hogere gerecht. De uitoefening van dit recht, met inbegrip van de gronden waarop het kan worden uitgeoefend, wordt bij de wet geregeld.
  2. Op dit recht zijn uitzonderingen mogelijk met betrekking tot lichte overtredingen, zoals bepaald in de wet, of in gevallen waarin de betrokkene in eerste aanleg werd berecht door het hoogste gerecht of werd veroordeeld na een beroep tegen vrijspraak."
(12)Vaste rechtspraak sinds EHRM 17 januari 1970, Delcourt t/ België, ro 25. Zie ook bij voorbeeld: EHRM 26 juli 2002, Meftah e.a. t/ Frankrijk, ro 41; EHRM 29 januari 2015, Sik t/ Griekenland, ro 16; EHRM 12 juli 2016, Reichmann t/ Frankrijk, ro 29; EHRM 4 april 2018 (Grote Kamer), Correia De Matos t/ Portugal, ro 135; P. LEMMENS, "De waarborgen van een eerlijk proces in een cassatieprocedure" in X., Liber Amicorum Lucien Simont, Brussel, Bruylant, 2002, 149; E. LONCKE, "De strikte benadering van de ‘samenvattende memorie': overformalisme in de cassatieprocedure bij de Raad van State", TBP 2017, 91.
(13)Zie bijvoorbeeld: EHRM 12 juli 2016, Reichmann t/ Frankrijk in verband met de vereiste om een kopie van een bijzonder mandaat van de advocaat om op te treden voor het Hof van Cassatie toe te voegen als bijlage bij de verklaring van cassatieberoep: in casu werd het bijzonder mandaat om cassatieberoep aan te tekenen gegeven voordat het bestreden arrest was uitgesproken, waarop het Hof van Cassatie het cassatieberoep onontvankelijk verklaarde. Het EHRM oordeelde dat hier sprake was van een excessief formalisme waardoor het recht op toegang tot de rechter onredelijk werd aangetast zodat een schending van artikel 6.1 EVRM werd weerhouden; EHRM 18 oktober 2016, Miessen t/ België, in verband met de vereiste in de cassatieprocedure voor de Raad van State dat de memorie van wederantwoord de vorm aanneemt van een "samenvattende memorie", en die door de Raad van State zeer streng werd geïnterpreteerd, wat in strijd werd geacht met artikel 6.1 EVRM.
(14)Zie bijvoorbeeld: EHRM 11 oktober 2001, Rodriguez Valin t/ Spanje, ro 22; EHRM 29 januari 2015, Sik t/ Griekenland, ro 15-16; EHRM 12 juli 2016, Reichman t/ Frankrijk, ro 28. Zo werd in het arrest Sik de vereiste dat de griffier het bijkomend document met de middelen, dat werd neergelegd nadat cassatieberoep werd aangetekend, dient te ondertekenen op straffe van onontvankelijkheid, beschouwd als een te streng formalisme (de eisers werden gestraft voor een fout van de griffier) waardoor het recht op de toegang tot de rechter tot in de kern werd aangetast en artikel 6.1 EVRM werd geschonden.
(15)EHRM 23 oktober 1996, Levages Prestations Services t/ Frankrijk, ro 45; EHRM 29 januari 2015, Sik t/ Griekenland, ro 16; EHRM 12 juli 2016, Reichman t/ Frankrijk, ro 29; Cass. 7 november 2018, AR P.18.0949.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181107.12-P.18.0950.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181107.12, AC 2018, nr. 616, met concl. van advocaat-generaal NOLET DE BRAUWERE; P. LEMMENS, "De waarborgen van een eerlijk proces in een cassatieprocedure" in X., Liber Amicorum Lucien Simont, Brussel, Bruylant, 2002, 150; E. LONCKE, "De strikte benadering van de ‘samenvattende memorie": overformalisme in de cassatieprocedure bij de Raad van State", TBP 2017, 91.
(16)GwH 16 juli 2015, nr. 108/2015, ro B.9.1 tot B.16.3.
(17)Zie ook: Cass. 7 november 2018, AR P.18.0949.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181107.12-P.18.0950.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181107.12, AC 2018, nr. 616, ro 5, met concl. van advocaat-generaal NOLET DE BRAUWERE.
(18)Cass. 7 november 2018, AR P.18.0949.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181107.12-P.18.0950.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181107.12, AC 2018, nr. 616, met concl. van advocaat-generaal NOLET DE BRAUWERE.
(19)M. LERNOUT, "De aansprakelijkheid van de advocaat: enkele verweermiddelen toegelicht", TBBR 2015/6,
(287)292.
(20)Cass. 9 januari 2007, AR P.06.1175.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070109.3, AC 2007, nr. 11. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20191008.1 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191008.1 citeert: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070109.3 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160405.3 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160510.2 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160906.5 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161012.9 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171017.3 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181107.12 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190605.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.