← België

ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20191017.17

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 17 oktober 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20191017.17 Rolnummer: C.18.0452.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2019-11-20 Raadplegingen: 760 - laatst gezien 2026-06-29 02:04 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191017.17 Fiche 1 De erfgenaam die de goederen van een nalatenschap wegmaakt of verborgen houdt, kan de in het artikel 792 Burgerlijk Wetboek, zoals hier van toepassing, bedoelde straf niet ontlopen, tenzij hij uiterlijk vóór het afsluiten van de in het artikel 1175 Gerechtelijk Wetboek bedoelde boedelbeschrijving uit eigen beweging, zonder hiertoe door de omstandigheden gedwongen te zijn, de juiste en volledige informatie verstrekt of zijn valse verklaring rechtzet

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: ERFENISSEN Vrije woorden: Nalatenschap - Weggemaakte of verborgen gehouden goederen - Artikel 792 Burgerlijk Wetboek - Straf - Voorwaarde Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 792 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Fiche 2 De rechter oordeelt in feite of de erfgenaam uit eigen beweging, zonder hiertoe door de omstandigheden gedwongen te zijn heeft gehandeld, onverminderd het marginaal toetsingsrecht van het Hof
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: ERFENISSEN Vrije woorden: Erfgenaam - Weggemaakte of verborgen gehouden goederen - Handeling uit eigen beweging - Beoordeling door de rechter - Wijze Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 792 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Annotaties Publicaties: Revue du notariat belge [Rev.not.b.] - 2020, n° 3149, p. 347-
  1. - STERCKX, Laurent; Note'Nouvelles dispositions et nouveaux enseignements en matière de recel successoral' Tekst van de conclusie C.18.0452.N Conclusie van advocaat-generaal A. Van Ingelgem: I. SITUERING
  2. Eisers (broer en zus) waren n.a.v. de nalatenschap van hun ouders in het bezit gekomen van een kasbon die zij bij de bank hebben aangeboden, met verzoek deze te gelde te maken. De opbrengst hiervan werd op een op hun beider naam geopende bankrekening gestort.
  3. Hierover hebben zij geen informatie verstrekt of verklaringen afgelegd tot op het ogenblik dat door de notaris-vereffenaar werd overgegaan tot het opmaken van de inventaris op verklaring(en) met eedaflegging. Bij die gelegenheid verklaarden eisers het tegoed dat afkomstig was van de kasbon.
  4. Naar aanleiding hiervan stelde verweerster (een zus van eisers) toepassing te willen maken van artikel 792 Burgerlijk Wetboek inzake (burgerrechtelijke) heling.
  5. Het bestreden arrest acht de vordering van verweerster gegrond en oordeelt dat eisers de kasbon en zijn opbrengst verzwegen hebben met bedrieglijk inzicht, zonder spontaan of tijdig berouw. Als sanctie wordt hun erfrechtelijk aandeel in dat bedrag verloren verklaard overeenkomstig artikel 792 BW.
  6. Tegen deze beslissing voeren eisers een enig middel tot cassatie aan dat op drie onderdelen berust. II. BESPREKING VAN HET MIDDEL.
  7. In het eerste onderdeel verwijten eisers de appelrechters het morele bestanddeel van heling, met name het bedrieglijk inzicht om de gelijkheid van de verdeling tussen de erfgenamen te verstoren, grotendeels te hebben afgeleid uit een tekortkoming aan de spreekplicht. 1.
  8. De appelrechters beslissen in die context onder meer dat het bedrog, als moreel bestanddeel van de heling, kan resulteren uit een niet niet-naleving van de informatieplicht: wie een spreekplicht heeft en vervolgens (ver)zwijgt, pleegt bedrog (p. 9, al. 4). 1.
  9. In dat kader kan nochtans de vraag gesteld worden of de deductie dat bedrog volgt uit het zwijgen wel zo vanzelfsprekend en voor de hand liggend is. 1.
  10. In de mate dat de bedrieglijke intentie zich moet uiten in een bedrieglijk handelen
(1), moet de heler met zijn handeling de gelijke verdeling ten nadele van zijn medegerechtigden willen verstoren
(2). De heler die met zijn handeling een ander doel voor ogen heeft, blijft buiten het bereik van artikel 792 BW
(3). Het intentioneel element ontbreekt bijvoorbeeld als de heling het gevolg is van een vergissing
(4), een onzorgvuldigheid of zelfs een zware nalatigheid
(5). Er is ook geen sprake van heling als het bedrog enkel op fiscale redenen steunt
(6)of een verzegeling beoogt te vermijden
(7). 1.4. Het bewijs van het intentioneel element moet bovendien geen twijfel laten
(8). De aan het bewijs gestelde eisen zijn dan ook hoog
(9)omdat het intentioneel element, in tegenstelling tot het materiële element, heling werkelijk afbakent. Een werkelijke afbakening volgt immers niet uit de ruime benadering van het materiële element
(10), in die zin dat elk procedé of maneuver m.b.t. nalatenschapsgoederen, maar ook m.b.t. elementen die van belang kunnen zijn om de omvang van de fictieve massa te bepalen, in aanmerking kan komen
(11). Het laakbare karakter van de gedraging, eerder dan de gedraging zelf, verantwoordt aldus de private bestraffing opgelegd naar aanleiding van heling, zodat dit karakter derhalve ernstig moet vaststaan. Het vermoeden van onschuld (goede trouw) verantwoordt met andere woorden de hoge eisen aan het bewijs en doet de twijfel in het voordeel van de beklaagde spelen
(12). Voorts zou een stringente bewijsvoering de familiale vrede ten goede komen, in zoverre artikel 792 BW zich doorgaans binnen een verhitte familiale context afspeelt. Daarom lijkt het dan ook aangewezen om omzichtig om te springen met artikel 792 BW
(13). 1.5. Op basis van het voorgaande (d.w.z. dat het stilzwijgen door andere oogmerken dan benadeling van de medegerechtigden kan zijn ingegeven, én voor het bewijs de lat hoog wordt gelegd) lijkt het aldus niet mogelijk om het intentioneel element zonder meer af te leiden uit het materiële element, waaronder een tekortkoming aan de spreekplicht
(14). Uit de voorbeelden in het rechtspraakoverzicht van 1996 tot en met 2004 blijkt dat bedrieglijk inzicht alleszins wordt afgeleid uit meer verregaande feiten dan de feiten die het materiële element uitmaken (waaronder het verzwijgen). Als er geen strafrechtelijk onderzoek of een verschijning voor de rechter aan te pas komt, lijkt er minstens o.a. sprake te moeten zijn van ontkenning van het bestaan van de geheelde goederen in een context waaruit op basis van de houding en gedraging van de betrokkene het bedrieglijk inzicht kan worden afgeleid
(15). 1.
  1. In casu lijkt het evenwel niet correct om, zoals eisers aanvoeren, te stellen dat de appelrechters het bedrieglijk inzicht grotendeels hebben afgeleid uit de tekortkoming aan de spreekplicht. De appelrechters beslissen immers (p. 9, al. 4) dat het bedrog door eisers, als moreel bestanddeel van de heling, resulteert uit hun toe-eigening van de erfenisgelden door plaatsing op een eigen KBC-rekening, enerzijds, en door de niet tijdige c.q. niet-naleving van de daaraan verbonden informatieplicht: wie een spreekplicht heeft en vervolgens (ver)zwijgt, pleegt bedrog, anderzijds. Met de vaststelling van "hun toe-eigening van erfenisgelden door plaatsing op een eigen KBC-rekening" grijpen de appelrechters terug naar wat zij eerder al schreven omtrent deze boeking op rekening. Zij stellen (p. 8, al. 1) dat eisers de deelgenoten "nochtans" onmiddellijk na de boeking op de hoogte hadden moeten brengen en dat het banktechnische gegeven, waardoor de rekening slechts op hun beider naam kwam, daaraan volgens hen niets afdoet. Daarenboven was er volgens de appelrechters geen noodzaak om op dat moment de kasbon ten gelde te maken, laat staan om de opbrengst ervan op een eigen rekening te plaatsen en niet bijvoorbeeld op een derdenrekening van de instrumenterende notaris-vereffenaar. Bovendien merken zij op (p. 8, al. 2) dat de eisers de andere deelgenoten ook niet hebben gevraagd zich beschikbaar te stellen om een gemeenschappelijke rekening te openen. 1.
  2. Waar de appelrechters deze elementen dus, bovenop de tekortkoming aan de spreekplicht, meenemen in hun beslissing, lijken zij bijgevolg niet zomaar uit een tekortkoming aan de spreekplicht - laat staan zelfs uit het loutere materiële element van heling - het morele bestanddeel van heling te hebben afgeleid. 1.
  3. Het onderdeel lijkt mij in zoverre dan ook te berusten op een onvolledige lezing of interpretatie van de bestreden beslissing, en derhalve aldus feitelijke grondslag te missen. 1.
  4. Eisers voeren tevens aan dat de appelrechters niet hebben geantwoord op het verweer in hun syntheseconclusie bestaande uit voor het moreel bestanddeel relevante en gestaafde omstandigheden. 1.
  5. Waar deze aangevoerde "omstandigheden" mij argumenten lijken te zijn voor het verweer dat er geen toepassing van artikel 792 BW kan worden gemaakt, komt het mij voor dat de verplichting om elk vonnis met redenen te omkleden, evenwel niet vereist dat moet geantwoord worden op elk argument dat daartoe tot staving wordt aangevoerd, maar geen afzonderlijk middel vormt
(16). 1.
  1. Ook in zoverre lijkt het onderdeel aldus niet te kunnen aangenomen worden.
  2. In het tweede onderdeel verwijten eisers de appelrechters te hebben beslist dat er geen tijdig en spontaan berouw is getoond omdat de verzwijging voortduurde tot de eisers deze hebben doorbroken onder de druk van de vraag van verweerster tot inventarisatie en eedaflegging, terwijl tijdig en spontaan berouw volgens hen nog mogelijk zou zijn na een dergelijk verzoek, waarbij er geen concrete vragen worden gesteld waaruit een concreet vermoeden van heling van bepaalde goederen blijkt. 2.
  3. Waar overeenkomstig artikel 792 Burgerlijk Wetboek zoals hier van toepassing
(17), de erfgenaam die goederen van de nalatenschap heeft weggemaakt of verborgen gehouden, de bevoegdheid verliest om de nalatenschap te verwerpen, en - al verwerpt hij deze - toch zuiver erfgenaam blijft zonder op enig aandeel in de weggemaakte of verborgen gehouden zaken aanspraak te kunnen maken
(18), oordeelde uw Hof eveneens
(19)dat de erfgenaam die de goederen van een nalatenschap wegmaakt of verborgen houdt, de in voormeld artikel bedoelde straf niet kan ontlopen, tenzij hij uiterlijk vóór het afsluiten van de in artikel 1175 Gerechtelijk Wetboek bedoelde boedelbeschrijving uit eigen beweging op de leugenachtige verklaring is teruggekomen, zonder daartoe door de omstandigheden gedwongen te zijn. 2.2. In de voorliggende context rijst dan ook de vraag tot wanneer er sprake kan zijn van een tijdig en spontaan berouw. 2.3. Tijdig is het berouw als het uiterlijk vóór de afsluiting van de boedelbeschrijving
(20), veelal vóór de eedaflegging bij de inventaris, is getoond
(21). 2.
  1. De spontaneïteit van het berouw beoogt om heling niet te stimuleren. Als de heler niet spontaan op zijn stappen terugkomt, zal hij worden gesanctioneerd. Waar volgens uw Hof, zoals reeds hoger gesteld, het berouw spontaan is zolang de heler uit eigen beweging, zonder hiertoe door de omstandigheden gedwongen te zijn, op de leugenachtige verklaring is teruggekomen, kan men zich de vraag stellen in hoeverre de omstandigheden de heler tot berouw moeten drijven opdat dit berouw nog spontaan is. 2.
  2. In het algemeen ontzeggen rechters en auteurs de heler niet snel de mogelijkheid tot spontaan berouw. Zo besluit de rechtsleer bijvoorbeeld dat de sanctie van artikel 792 BW van toepassing is als de heler de goederen niet mededeelt vooraleer de andere deelgenoten het bestaan ervan bewijzen
(22). Van spontaneïteit is alleszins geen sprake meer eenmaal de ware feiten aan het licht zijn gekomen
(23). Minder verregaand is het standpunt dat de heler niet in het nauw mag zijn gedreven door een mede-erfgenaam of de gerechtelijke politie
(24). De heler handelt dan niet langer spontaan omdat hij handelt in de overtuiging ontmaskerd te worden
(25). Die overtuiging kan onder meer volgen uit een (zelfs geseponeerde) (straf)klacht
(26), de wens van de mede-erfgenaam om een gerechtelijke procedure op te starten
(27)nadat duidelijk is geworden dat er bedragen zijn verborgen
(28), of omdat de heler wist dat de notaris op vraag van een partij een initiatief zou nemen om meer te weten te komen over de herbelegging en dat het aldus mogelijk zou zijn om verzet te doen op deze kasbon
(29). 2.6. In het bijzonder met betrekking tot de mogelijkheid dat de heler naar zijn handelingen wordt gevraagd, lijkt de rechtsleer weliswaar meer te vereisen dan alleen de uiting van een algemeen vermoeden dat goederen zijn geheeld. Zo lijken voornamelijk concrete verzoeken te worden vooropgesteld, waardoor de spontaneïteit van het berouw zou kunnen wegvallen
(30). 2.
  1. Het standpunt dat concrete vragen of concrete vermoedens (verzoek tot teruggave van geheelde goederen; gerichte vragen) moeten voorliggen opdat er niet langer sprake zou kunnen zijn van spontaan berouw, doet er m.i. evenwel niet aan af dat de feitelijke omstandigheden in deze zeer divers kunnen zijn en dat het uiteindelijk tot de onaantastbare beoordelingsbevoegdheid van de feitenrechter behoort of de erfgenaam uit eigen beweging, d.i. zonder hiertoe door de omstandigheden gedwongen te zijn, de juiste en volledige informatie verstrekt of zijn (valse) verklaringen rechtzet. 2.
  2. De omstandigheid dat de erfgenaam nog niet concreet werd bevraagd of geïnterpelleerd over het bestaan van welbepaalde nalatenschapsgoederen of dat er nog geen concrete vermoedens van heling ten opzichte van hem werden geuit, staat er m.i. aldus niet aan in de weg dat de aangifte van de aanvankelijk verborgen gehouden of weggemaakte goederen onder druk van de omstandigheden - en dus niet uit eigen beweging - kan zijn gebeurd. 2.
  3. Ook al is de beoordeling van de spontaneïteit en de tijdigheid een feitelijke beoordeling en beschikt uw Hof over een marginaal toetsingsrecht
(31)om na te gaan of de rechter op basis van zijn vaststellingen tot zijn besluit kon komen, meen ik dat de rechter de ruimte moet hebben om in dergelijke omstandigheden te oordelen dat het berouw niet meer spontaan is. 2.
  1. Op grond van de in het bestreden arrest door de appelrechters weerhouden vaststellingen en overwegingen (p. 7-9) komt het mij in deze dan ook voor dat zij hun beslissing - dat de melding van de gelden afkomstig van de verkoop van de kasbon niet uit eigen beweging, want wel degelijk onder druk van de omstandigheden, werd afgelegd - naar recht verantwoorden, en dat het (tweede) onderdeel derhalve niet kan worden aangenomen. 2.
  2. In zoverre de eisers tevens aanvoeren dat de appelrechters de bewijskracht van de brief van de notaris van 16 juli 2014, de brief van de raadsman van verweerster van 3 september 2014 en de brief van de notaris van 8 september 2014 zouden miskennen, mochten zij daarin hebben gelezen dat de eisers werden geïnterpelleerd over de kasbon of de bankrekening, of over andere concrete zaken, terwijl die brieven immers geen concrete vraag naar of een concreet vermoeden van verduistering zouden inhouden, lijkt de veronderstelling waarvan de grief uitgaat mij evenwel eveneens feitelijke grondslag te missen.
  3. Het derde onderdeel werpt eveneens een motiveringsgebrek op in de mate dat de appelrechters niet zouden hebben geantwoord op de syntheseconclusie van eisers omtrent de door hen in hoofde van de verweerster aangevoerde kennis van de rekening waarmee de kasbon werd gefinancierd. 3.
  4. Het komt mij evenwel voor dat de appelrechters op dit element niet hoeven te antwoorden, omdat de eisers er m.i. in hun conclusie geen juridische gevolgtrekking aan koppelen en het dus geen eigenlijk verweer betreft
(32). Naar mijn aanvoelen is het trouwens ook eerder een argument voor het standpunt dat er geen verstoring van de gelijkheid tussen de erfgenamen was beoogd, waarop de appelrechters m.i. wel hebben geantwoord door het te verwerpen (p. 8, laatste alinea): het uitblijven van reactie door eisers op het ontwerp van vereffening en verdeling tot na de weigering van de goedkeuring "tot slot van alle rekening" door verweerster maakt dat hun stilzwijgen een vorm van bedrieglijke toe-eigening en verberging impliceert "met het oogmerk de gelijkheid tussen de erfgenamen te verstoren". 3.
  1. In zoverre lijkt het derde onderdeel, enerzijds, dan ook niet te kunnen aangenomen worden, en, anderzijds, feitelijke grondslag te missen. 3.
  2. Waar uit de spreekplicht volgens de eisers zou volgen dat de deelgenoot die zelf te kwader trouw aan die plicht verzuimt, geen toepassing kan vragen van artikel 792 BN t.a.v. de andere deelgenoten, bij toepassing van het adagium "in pari causa turpitudinis cessat repetitio", gaan zij in hun tweede grief van het derde onderdeel uit van een bepaalde interpretatie van het bestreden arrest (Voorziening p. 14, tweede alinea). Hoewel de eisers terecht lijken op te merken dat die kennis wel relevant is bij de beoordeling of verweerster artikel 792 BW kon inroepen
(33), is het echter niet vanzelfsprekend om de bepaalde interpretatie van het arrest voor te staan, bij gebrek aan enig aanknopingspunt. 3.4. Vanuit de benadering van de eerste grief van het derde onderdeel lijkt ook deze tweede grief m.i. daarom niet te kunnen aangenomen worden. III. CONCLUSIE: VERWERPING (van de voorziening en van de vordering tot bindendverklaring waaraan daardoor alle belang ontnomen wordt). _________________________
(1)Cass. 6 juni 1969, AC 1969, 972; J. VERSTRAETE, Art. 792 BW, in Erfenissen, schenkingen en testamenten. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer, 1994.
(2)W. PINTENS, C. DECLERCK, J. DU MONGH en K. VANWINCKELEN, Familiaal vermogensrecht, Antwerpen, Intersentia, 2010, 1128.
(3)M. PUELINCKX-COENE, J. VERSTRAETE, N. GEELHAND en I. VERHAERT, Overzicht van rechtspraak, Erfenissen 1996-2004, TPR 2005, 594.
(4)A. GABRIELS, Wie goederen heelt, krijgt er niets van toebedeeld: over artikel 792 en 1448 van het Burgerlijk Wetboek, in Het ontoerend goed in de praktijk, 2011, X. F. 2-3; J. VERSTRAETE, o.c., Mechelen, Kluwer, 1994.
(5)M.A. MASSCHELEIN, Burgerrechtelijke heling, in APR, Mechelen, Kluwer, 2013, 21.
(6)M.A. MASSCHELEIN, o.c., 22.
(7)F. DEBUCQUOY, Het bewijs van het bedrieglijk opzet van het burgerlijk misdrijf van erfverduistering: enkele aspecten van rechtsbescherming. Burgerlijke heling als "criminal charge", T. Not. 2014, 80.
(8)F. DEBUCQUOY, o.c., 82.
(9)F. DEBUCQUOY, o.c., 81.
(10)Cass. 23 mei 1991, AR nrs. 8998 en 9054, AC 1990-91, nr. 489; A. MASSCHELEIN, o.c., 10.
(11)W. PINTENS e.a., o.c., Antwerpen, Intersentia, 2010, 1127.
(12)F. DEBUCQUOY, o.c., 81-82.
(13)F. DEBUCQUOY, o.c., 82.
(14)L. STERCKX, La preuve du recel successoral et l'exception dite de repentir, Rev. Not. B. 2001, 377-378.
(15)M. PUELINCKX-COENE e.a., o.c., TPR 2005, 596-597.
(16)Cass. 18 november 2016, AR C.15.0503.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161118.3, AC 2016, nr. 635.
(17)Sinds 1 september 2018 klinkt art. 792 BW anders, en is er de mogelijkheid tot berouw als derde lid aan toegevoegd. (art. 6 Wet 22 juli 2018, BS 27 juli 2018)
(18)Cass. 12 november 2015, AR C.14.0443.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151112.7, AC 2015, nr. 671.
(19)Cass. 12 november 2004, AR C.02.0431.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041112.8, AC 2004, nr. 543, Cass. 31 mei 2010, AR C.08.0527.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100531.1, AC 2010, nr. 376.
(20)T. VAN SINAY, Art. 1175 Ger. W. in Gerechtelijk recht, Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer, 2013, 5.
(21)A. GABRIELS, o.c., X.F. 2-9; D. LEROY, Art. 801 BW in Erfenissen, schenkingen en testamenten. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer, 2013, 5.
(22)C. DE BUSSCHERE, Artikel 792 BW. Heling bij afwezigheid van een notariële boedelbeschrijving, noot onder Brussel, 5 oktober 2010, T. Not. 2011, 412.
(23)W. PINTENS e.a., o.c., Antwerpen, Intersentia, 2010, 1130; M. PUELINCKX-COENE e.a., o.c., TPR 2005, 601.
(24)A. GABRIELS, o.c., X.F. 2-9; M.A. MASSCHELEIN, o.c., APR, Mechelen, Kluwer, 2013, 31.
(25)Zie m.b.t. heling van gemeenschapsgoederen: J. DU MONGH en C. DECLERCK, Heling van gemeenschapsgoederen, noot onder Brussel 31 januari 2008, Not. Fisc. M. 2009, 155.
(26)P. MOREAU; Recel et repentir, noot onder Mons 23 april 2013, JLMB 2015, 798.
(27)P. MOREAU, o.c., 798.
(28)Brussel 30 januari 2018, TEP 2018, 328.
(29)L. STERCKX, RW 2002-03, 783, noot onder Gent 15 december 2000, JT 2003, 465.
(30)M. PUELINCKX-COENE e.a., o.c., TPR 2005, 601-602; L. STERCKX, o.c., Rev.not. b. 2001, 367; T. VAN SINAY, o.c., Mechelen, Kluwer, 2005, 11; F. DEBUCQUOY, o.c., T. Not. 2014, 91; M.A MASSCHELEIN, o.c., APR, Mechelen, Kluwer, 2013, 32; C. DE BUSSCHERE, noot onder Brussel 5 oktober 2010, Rev. Trim. Dr. Fam. 2012, 277, T. Not. 2011, 408.
(31)M. PUELINCKX-COENE e.a., o.c., TPR 2005, 586.
(32)Cass. 23 mei 1969, Arr. Verbr. 1969, 937, Pas. 1969, I, 874.
(33)J. DU MONGH, Heling van erfgoederen, noot onder Antwerpen 26 februari 2007, RW 2007-08, 870-871; W. PINTENS e.a., o.c., Antwerpen, Intersentia, 2010, 1130; zie omtrent heling van gemeenschapsgoederen; J. DU MONGH en C. DECLERCK, Heling van gemeenschapsgoederen, noot onder Brussel 31 januari 2008, Not. Fisc. M. 2009, 155. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20191017.17 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191017.17 citeert: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041112.8 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100531.1 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151112.7 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161118.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.