id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 17 oktober 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20191017.18 Rolnummer: C.18.0460.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Intellectuele eigendom - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2019-11-20 Raadplegingen: 455 - laatst gezien 2026-06-17 17:53 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191017.18 Fiche 1 Enkel de auteur heeft het recht om een werk van letterkunde of kunst op welke wijze of in welke vorm ook, direct of indirect, tijdelijk of duurzaam, volledig of gedeeltelijk te reproduceren of te laten reproduceren
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: AUTEURSRECHT Vrije woorden: Werk van letterkunde of kunst - Reproductie - Recht van de auteur - Begrip Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. XI.165, § 1, eerste lid - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Fiches 2 - 3 Indien een werk van letterkunde of kunst aanwezig is, geldt als noodzakelijke maar voldoende voorwaarde voor de bescherming onder voormelde bepaling dat wordt bewezen dat het werk oorspronkelijk is, in de zin dat het een eigen intellectuele schepping van zijn auteur is; de verweerder die zich beroept op het bestaan van eerdere werken met opvallende gelijkenissen om de originaliteit van het werk, waarvan de bescherming wordt nagestreefd, te betwisten, dient aannemelijk te maken dat de auteur kennis had of redelijkerwijze kon hebben van deze eerdere werken
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: AUTEURSRECHT Vrije woorden: Werk van letterkunde of kunst - Wettelijke bescherming - Voorwaarde Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. XI.165, § 1, eerste lid - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Thesaurus CAS: BEWIJS - BURGERLIJKE ZAKEN - Bewijslast. Beoordelingsvrijheid Vrije woorden: Bewijslast - Bestaan van eerdere werken met opvallende gelijkenissen - Betwisting door de verweerder van de originaliteit van het werk - Kennis van de auteur - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. XI.165, § 1, eerste lid - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Tekst van de conclusie C.18.0460.N Conclusie van advocaat-generaal Van Ingelgem: I. SITUERING
- De betwisting kadert in een geschil betreffende de nabootsing van een meubelset (dressoirkast, vitrinekast en TV-meubel) door verweerster, met miskenning van de auteursrechten van eiseres en van haar rechten voortvloeiend uit niet-ingeschreven gemeenschapsmodellen, evenals van de eerlijke marktpraktijken.
- De stakingsvordering van eiseres, die ertoe strekte verweerster te verbieden de meubelset (onder de referentie "Emily") verder op de markt te brengen, werd door het bestreden arrest verworpen.
- Tegen deze beslissing voert eiseres twee middelen tot cassatie aan. II. BESPREKING VAN DE MIDDELEN.
- Het eerste middel verwijt het bestreden arrest te oordelen dat deze meubels (uit de "York"-collectie van eiseres) niet nieuw zijn en derhalve geen auteursrechtelijke bescherming genieten, zonder te onderzoeken of ze het resultaat zijn van een eigen intellectuele schepping van eiseres. Aldus zouden de appelrechters volgens eiseres de auteursrechtelijke bescherming niet hebben beoordeeld op grond van het toepasselijke criterium van originaliteit of oorspronkelijkheid, maar op grond van het niet toepasselijke criterium van nieuwheid (Schending artikel XI. 165, §1, Wetboek Economisch Recht).
- Krachtens artikel XI. 165, §1, Wetboek Economisch Recht (WER) heeft alleen de auteur van een werk van letterkunde of kunst het recht om het, op welke wijze of in welke vorm ook, direct of indirect, tijdelijk of duurzaam, volledig of gedeeltelijk, te reproduceren of te laten reproduceren.
- Opdat een werk auteursrechtelijke bescherming zou genieten, moet er sprake zijn van een origineel werk, d.i. een werk waarin de creatieve keuzes van de auteur weerspiegeld worden.
- Hierbij is vereist dat het werk de stempel draagt van de persoonlijkheid van de auteur
(1)en materiaal betreft dat oorspronkelijk is
(2), in die zin dat het gaat om een eigen intellectuele schepping van de auteur ervan
(3). 5. Een intellectuele schepping is een eigen schepping van de auteur wanneer zij de uitdrukking vormt van diens persoonlijkheid. Dat is het geval wanneer de auteur bij het maken van het werk zijn creatieve bekwaamheden tot uiting heeft kunnen brengen door het maken van vrije en creatieve keuzes
(4). 6. Hieraan is voldaan wanneer de maker ervan zijn creatieve vaardigheden op een originele manier tot uiting heeft kunnen brengen door het maken van vrije en creatieve keuzes en zo in staat is zijn werk een persoonlijke noot te geven
(5). 7. Dit is dan weer niet het geval wanneer de uitdrukking van deze onderdelen door hun technische functie wordt bepaald, aangezien de verschillende manieren om een idee uit te voeren dan zodanig beperkt zijn dat het idee samenvalt met de uitdrukking ervan
(6).
- In het raam van de toepassing van deze criteria valt het dan ook moeilijk te ontkennen dat het inroepen van een auteursrechtelijke bescherming berust op het aantonen door de inroepende partij van de originaliteit van haar werk en het concreet aanduiden welke de vrije en creatieve keuzes zijn die hiertoe leiden.
- Wat het verloop van deze essentiële en noodzakelijke bewijsvoering betreft
(7)komt het er in de praktijk dus op neer dat de eiser die het bestaan van originaliteit inroept vooreerst de bestanddelen van zijn werk zal moeten identificeren die voortvloeien uit zijn vrije en creatieve keuzes.
- Vervolgens kan de verweerder het vrije en creatieve karakter van deze keuzes trachten te weerleggen, in het bijzonder door anterioriteiten bij te brengen en zo een vermoeden van kopie (reproductie) in het leven te roepen. Om relevant te zijn moeten deze anterioriteiten aan drie voorwaarden voldoen: ze moeten het betwiste werk wel degelijk in de tijd voorafgaan, ze moeten voldoende gelijkenissen vertonen en de eiser moet ze redelijkerwijze kunnen gekend hebben. In die context geniet de verweerder die minstens één werk kan bijbrengen dat aan deze voorwaarden voldoet van een vermoeden van kopie (reproductie) ten laste van de eiser.
- Op zijn beurt beschikt de eiser evenwel over de mogelijkheid om dit vermoeden te weerleggen door aan te tonen dat het in werkelijkheid niet om een anterioriteit gaat, dat deze een andere globale indruk nalaat of dat hij deze anterioriteit(en) redelijkerwijze niet kon kennen.
- Indien de verweerder anterioriteiten heeft kunnen bijbrengen en de eiser deze niet heeft weerlegd (kunnen weerleggen), staat het vast dat het werk niet origineel is. In de andere gevallen, waarbij de originaliteit van het betwiste werk niet onmiddellijk werd weerlegd, bestaat een sterk vermoeden dat het werk voortvloeit uit de vrije en creatieve keuzes van de auteur en dat het niet werd gekopieerd. Er kan echter slechts stellig tot het bestaan van originaliteit worden besloten na een afweging van de belangen die aan de grondslag liggen van het criterium van de creatieve keuze.
- In die context zal daarom moeten worden nagegaan hoe bij het toekennen dan wel bij het afwijzen van bescherming de belangen van de auteur op bescherming zich verhouden ten opzichte van het algemene belang van derden op vrije beschikking over het werk of de elementen ervan. Er zal met andere woorden moeten worden nagegaan of de ingeroepen vrije keuzes niet banaal zijn, in de zin dat anderen dezelfde keuzes zouden hebben gemaakt om hetzelfde uit te drukken.
- Aan de orde is dan ook de vraag of het waarschijnlijk is dat een toekomstige auteur op onafhankelijke wijze een werk zou scheppen met dezelfde globale indruk? Bij een negatief antwoord hierop weegt de balans van de belangenbescherming naar het voordeel van auteursrechtelijke bescherming, en bij een positief antwoord naar de belangen van derden bij de vrije beschikking over de elementen van het werk.
- Uit dit alles volgt dat in het geheel van deze beoordeling de analyse van de "voedingsbodem" waarop de auteur heeft gewerkt dan ook van cruciaal belang is. Immers, wanneer deze tot een creatie komt die niet oorspronkelijk is (in de gemene betekenis) omdat zij gebruik maakt van elementen waarvan redelijkerwijze mag worden geacht dat de auteur die kende, kunnen diens keuzes niet langer als vrij en creatief worden beschouwd, en kan er daarom geen originaliteit worden toegepast.
- Op basis van voormelde benadering - met inachtname van de hoger toegelichte criteria en van de essentiële en noodzakelijke stappen in het verloop van de bewijsvoering ervan - stel ik in de voorliggende betwisting evenwel vast dat de appelrechters de vraag of de eiseres redelijkerwijs kennis had of kon hebben van de eerdere collectie met dewelke de hare, naar hun oordeel, treffende gelijkenissen vertoont, niet - minstens niet expressis verbis - in hun redenering betrekken.
- Als zodanig maken zij m.i. - ondanks het feit dat de verweerder die zich op het bestaan van eerdere werken met opvallende gelijkenissen beroept om de originaliteit van het werk, waarvan de bescherming wordt nagestreefd, te betwisten, aannemelijk dient te maken dat de auteur kennis had of kon hebben van deze eerdere werken - immers geen melding van het vermoeden van reproductie waarvan sprake in uw arrest van 3 september 2009
(8)en leiden zij uit de overeenstemming van de meubels onmiddellijk af dat er geen eigen intellectuele schepping van de auteur was, zonder evenwel na te gaan of deze gelijkenissen met het oudere werk toevallig zijn, dan wel bewust of onbewust eraan ontleend zijn
(9).
- De appelrechters die aldus tot de afwezigheid van originaliteit besluiten op de enkele omstandigheid dat het werk niet nieuw is, verantwoorden hun beslissing dan ook niet naar recht.
- Het eerste middel lijkt mij derhalve gegrond. III. CONCLUSIE: VERNIETIGING. _____________________-
(1)Cass. 31 oktober 2013, AR C.12.0263.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131031.1, AC 2013, nr. 569, met concl. OM.
(2)Cass. 17 februari 2017, AR C.15.0144.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170217.1, AC 2017, nr. 115; Cass. 17 maart 2014, AR C.12.0317.F ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140317.1, AC 2014, nr. 211.
(3)HvJ 16 juli 2009, Infopaq International, C-05/08, ECLI:EU:C:2009:465, punt 37.
(4)HvJ 1 december 2011, Eva-Marie Painer, C-145/10, ECLI:EU:C:2011:798, punten 88 en 89; Cass. 31 oktober 2013, AR C.12.0263.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131031.1, AC 2013, nr. 569, met concl. OM.
(5)HvJ 1 maart 2012, Football Dataco Ltd e.a., C-604/10, ECLI:EU:C:2012:115, punt 38.
(6)HvJ 22 december 2010, Bezpecnostni softwarova asociace, C-369/09, ECLI:EU:C:2010:816, punt 49.
(7)J. CABAY, L'objet de la protection du droit d'auteur. Contribution à l'étude de la liberté de création, proefschrift ULB 2016, p. 497-508, nr. 114-118.
(8)Cass. 3 september 2009, AR C.08.0337.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090903.5, AC 2009, nr. 476.
(9)Zie ook J. CABAY en A. STROWEL, La nouveauté: un indice d'originalité à l'épreuve d'Internet, in 20 ans de nouveau droit d'auteur - 20 jaar nieuw auteursrecht, Anthemis, 2015, p. 37; F. de VISSCHER en B. MICHAUX, Précis du droit d'auteur et des droits voisins, Bruylant, 2000, p. 25. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20191017.18 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191017.18 citeert: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090903.5 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131031.1 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140317.1 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170217.1 ECLI:EU:C:2009:465 ECLI:EU:C:2010:816 ECLI:EU:C:2011:798 ECLI:EU:C:2012:115 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div