id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 17 oktober 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20191017.19 Rolnummer: C.18.0537.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2019-11-20 Raadplegingen: 678 - laatst gezien 2026-06-28 20:34 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191017.19 Fiche 1 Ook in hoger beroep vereist artikel 807 Gerechtelijk Wetboek enkel dat de uitbreiding of wijziging van de vordering berust op een feit of akte in de dagvaarding aangevoerd; het is niet vereist dat de uitbreiding of wijziging van de vordering jegens de partij waartegen de oorspronkelijke vordering was gesteld, reeds bij de eerste rechter aanhangig was of dat zij reeds virtueel in de oorspronkelijke vordering begrepen was
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VORDERING IN RECHTE Vrije woorden: Uitbreiding of wijziging van de vordering - Hoger beroep - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 807 en 1042 Fiche 2 Ook in hoger beroep vereist artikel 807 Gerechtelijk Wetboek enkel dat de uitbreiding of wijziging van de vordering berust op een feit of akte in de dagvaarding aangevoerd; het is niet vereist dat de uitbreiding of wijziging van de vordering jegens de partij waartegen de oorspronkelijke vordering was gesteld, reeds bij de eerste rechter aanhangig was of dat zij reeds virtueel in de oorspronkelijke vordening begrepen was
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN (HANDELSZAKEN EN SOCIALE ZAKEN INBEGREPEN) - Uitbreiding van eis en nieuwe eis Vrije woorden: Uitbreiding of wijziging van de vordering - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 807 en 1042 Tekst van de conclusie C.18.0537.N Conclusie van advocaat-generaal Van Ingelgem: I. SITUERING
- Ingevolge een handelshuurovereenkomst verhuurde verweerster een handelspand aan eiseres, die daarin een café-restaurant uitbaatte.
- Eiseres verzocht om hernieuwing van de handelshuur, wat haar door verweerster geweigerd werd.
- Eiseres dagvaardde verweerster tot het bekomen van de handelshuurhernieuwing en voerde daartoe in de dagvaarding ook aan dat zij tijdens de huurperiode tal van investeringen had gedaan die zowel het pand als de handelszaak ten goede waren gekomen.
- Haar vordering werd evenwel door het vonnis a quo als ongegrond afgewezen.
- In haar appelrekwest daartegen vorderde eiseres in hoger beroep, bij uitbreiding van haar oorspronkelijke vordering, een bedrag als vergoeding voor de door haar gedane investeringen en aangebrachte verbeteringen.
- Het bestreden vonnis verklaarde de uitgebreide vordering tot betaling van de verbeteringswerken niet ontvankelijk. Het hoger beroep van eiseres werd ontvankelijk doch ongegrond verklaard, en het vonnis a quo werd bevestigd.
- Tegen deze beslissing voert eiseres een enig middel tot cassatie aan dat op drie onderdelen berust, die een schending opwerpen van de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek (eerste onderdeel) en van de artikelen 807 en 1042 Gerechtelijk Wetboek (tweede en derde onderdeel). II. BESPREKING VAN HET MIDDEL.
- Overeenkomstig artikel 807 Ger. W. kan een eis die voor de rechter aanhangig is, uitgebreid of gewijzigd worden indien de nieuwe, op tegenspraak genomen conclusies berusten op een feit of akte in de dagvaarding aangevoerd, zelfs indien hun juridische omschrijving verschillend is
(1).
- Deze wetsbepaling biedt aan de partijen de mogelijkheid om hun oorspronkelijke eis binnen bepaalde grenzen uit te breiden of te wijzigen.
- Artikel 807 Ger. W. is krachtens artikel 1042 Ger. W. eveneens van toepassing in hoger beroep. Ook in hoger beroep is dus enkel vereist dat de uitbreiding of wijziging van de eis berust op een feit of akte die in de dagvaarding werd aangevoerd. Het is derhalve niet vereist dat de uitbreiding of wijziging van de eis tegen dezelfde partij waartegen de oorspronkelijke eis was gesteld, reeds bij de eerste rechter aanhangig was, noch reeds virtueel in de oorspronkelijke eis begrepen was
(2). 4. Volgens de rechtspraak van het Hof wordt het begrip "feit of akte in de dagvaarding aangevoerd" heel ruim opgevat
(3). Het betreft als zodanig de zuivere feiten of handelingen, zoals die zich in de werkelijkheid hebben voorgedaan, los van hun juridische kwalificatie of van enige juridische gevolgtrekkingen. Zodra die feiten of handelingen in de inleidende dagvaarding en in de nieuwe conclusie ter uitbreiding of wijziging van de vordering dezelfde zijn, volstaat dit om de nieuwe vordering ontvankelijk te verklaren. Het Hof heeft in dat kader ook verduidelijkt dat niet vereist is dat de eiser uit het in de dagvaarding aangevoerde feit of de akte voorheen reeds rechtsgevolgen heeft afgeleid met betrekking tot de gegrondheid van zijn vordering
(4).
- De zuivere feiten die eiseres in casu in de inleidende dagvaarding (van 17 augustus 2016) heeft aangevoerd betreffen, enerzijds, de inspanningen en de investeringen die zij aan het handelspand had verricht en, anderzijds, het contact dat zij heeft proberen op te nemen met de verweerster m.b.t. de herstelwerken die deze laatste diende uit te voeren wegens ernstige gebreken, en de uiteindelijke vaststelling van die gebreken door een gerechtsdeurwaarder. Het is op basis van diezelfde feiten (namelijk de gedane investeringen en verbeteringswerken) dat de eiseres in haar nieuwe conclusies voor de appelrechter, bij wijze van uitbreiding van haar oorspronkelijke vordering tot handelshuurhernieuwing, een vergoeding vordert op grond van artikel 1719, 2°, Ger. W. .Waar in de inleidende dagvaarding globaal naar "tal van investeringen en inspanningen" en "herstelwerken" wordt verwezen, en in de conclusies voor de appelrechter die investeringen in concreto worden gedetailleerd, neemt dit alleszins niet weg dat het om dezelfde feiten gaat, namelijk dezelfde handelingen die in de werkelijkheid hebben plaatsgevonden. Dit had m.i. voor de appelrechter dan ook moeten volstaan om de nieuwe vordering tot vergoeding van de investeringen op grond van artikel 1719, 2°, Burgerlijk Wetboek ontvankelijk te verklaren, nu zij steunt op feiten aangevoerd in de inleidende dagvaarding.
- Het is bovendien irrelevant dat uit die feiten, nl. de gedane investeringen en verbeteringswerken, in de inleidende dagvaarding en in de nieuwe conclusie voor de appelrechter verschillende juridische gevolgtrekkingen worden afgeleid. Enerzijds heeft eiseres in de inleidende dagvaarding gevorderd dat de handelshuur hernieuwd diende te worden, aangezien het van kwade trouw zou getuigen om haar niet langer als huurder te aanvaarden nadat zij al die inspanningen en investeringen had gedaan. Anderzijds vordert zij voor de appelrechter, bij wijze van uitbreiding van de vordering, dat de verweerster haar een vergoeding zou betalen krachtens artikel 1719, 2°, Burgerlijk Wetboek, voor de door haar gedane investeringen, die noodzakelijk waren opdat het pand kon dienen tot het gebruik waartoe het verhuurd was.
- Waar de appelrechter oordeelt dat de nieuwe vordering tot vergoeding krachtens artikel 1719, 2°, Burgerlijk Wetboek geen steun vindt in de handelshuurvernieuwing en dat de passages van de inleidende dagvaarding niet te lezen zijn als zou verweerster een pand hebben geleverd dat niet geschikt was voor een gebruik waartoe het verhuurd werd, en hij op die grond de nieuwe vordering niet ontvankelijk verklaart, is dit oordeel - in het licht van het hoger vermelde - m.i. echter niet naar recht verantwoord. De oorspronkelijk aangevoerde feiten (in casu de investeringen en herstelwerken) moeten in de inleidende dagvaarding immers nog niet gekoppeld worden aan de voor de appelrechter ingestelde nieuwe vordering, nl. deze tot vergoeding krachtens artikel 1719, 2°, BW. Uit die feiten moeten ook nog geen rechtsgevolgen betreffende de gegrondheid van die nieuwe vordering worden afgeleid. Het doet dus niet ter zake dat "de passages in de inleidende dagvaarding betreffende de door de eiseres gedane investeringen niet te lezen zouden zijn als zou de verweerster een pand hebben geleverd dat niet geschikt is voor een gebruik waartoe het verhuurd werd." Dit betreft immers reeds een juridische gevolgtrekking betreffende de gegrondheid van de nieuwe vordering die steunt op artikel 1719, 2°, BW. Het is echter niet vereist dat de eiseres die gevolgen in de inleidende dagvaarding reeds uit de aangevoerde feiten heeft afgeleid. Anders gesteld, dient de nieuwe vordering niet virtueel begrepen te zijn in de oorspronkelijke vordering, nl. de vordering tot handelshuurhernieuwing.
- Nu de voorziening in cassatie ervan lijkt uit te gaan dat het bestreden vonnis op twee afzonderlijke pijlers berust, nl. enerzijds het oordeel dat "de passages van de inleidende dagvaarding niet te lezen zijn als zou de verweerster een pand hebben geleverd dat niet geschikt is voor een gebruik waartoe het verhuurd werd" (waartegen in het tweede onderdeel wordt opgekomen), en anderzijds het oordeel dat "de nieuwe vordering geen steun vindt in de problematiek van de handelshuurhernieuwing" (waartegen het derde onderdeel opkomt), komt het mij - zoals moge blijken uit het hierboven gegeven antwoord - evenwel voor dat het oordeel van de appelrechter echter als één geheel kan worden beschouwd.
- Het tweede onderdeel lijkt mij bovendien wellicht ook niet helemaal correct te zijn. De bewering van eiseres in haar conclusies voor de appelrechter dat de verweerster een pand heeft geleverd dat niet geschikt is voor het gebruik waartoe het verhuurd werd, is m.i. geen ander, bijkomend aangevoerd, feit (zoals het onderdeel laat veronderstellen), maar wel een juridische omschrijving van de in de dagvaarding aangevoerde feiten, te weten de door de eiseres aan het handelspand gedane investeringen. De vraag rijst namelijk of die investeringen noodzakelijk waren om een gebruik toe te laten waartoe het pand verhuurd werd, zodat zij krachtens artikel 1719, 2°, BW door de verweerster dienden te worden vergoed. Eiseres voerde aan dat het om dergelijke noodzakelijke investeringen ging, nu verweerster een pand had geleverd dat niet geschikt was voor het gebruik waartoe het bestemd was. De verweerster wierp in haar syntheseconclusie voor de appelrechter daartegen op dat die investeringen niet noodzakelijk waren voor het gebruik waartoe het pand moest dienen, maar slechts verfraaiingswerken betroffen. De kwalificatie als noodzakelijke onderhoudswerken voor het gebruik van het pand dan wel als loutere verfraaiingswerken dient evenwel te worden onderscheiden van de in de inleidende dagvaarding aangevoerde feiten zelf, zoals zij zich in de werkelijkheid hebben voorgedaan. Die kwalificatie betreft uitsluitend de juridische omschrijving van de feiten, als antwoord op de rechtsvraag of zij onder de toepassing van artikel 1719, 2°, BW vallen.
- Gelet op het voorgaande geef ik er dan ook de voorkeur aan om het geheel onder het derde onderdeel van het enig middel te behandelen en om beide pijlers van het bestreden vonnis aldus samen te beoordelen.
- In zoverre volgens verweerster het middel in zijn derde onderdeel niet ontvankelijk dient te worden verklaard omdat het opkomt tegen een overtollig motief, in de mate dat de bestreden beslissing (immers) naar recht verantwoord blijft door de vergeefs met het tweede onderdeel bekritiseerde redengeving dat de vordering geen steun vindt - ook niet bijkomstig - in de in de oorspronkelijke dagvaarding aangevoerde feiten, staat het mij evenwel voor dat een en ander geen zelfstandige reden betreft die de beslissing schraagt, maar slechts de verdere uitwerking vormt van de reden dat "de nieuwe vordering geen steun vindt in de problematiek van de handelshuurvernieuwing". Ik ga er dan ook vanuit dat de grond van niet-ontvankelijkheid dient verworpen te worden. III. CONCLUSIE: VERNIETIGING. __________________________
(1)A. FETTWEIS, Manuel de procédure civile, Liège, 1987, 83-97, nrs. 64-86; J. VAN COMPERNOLLE, Examen de jurisprudence (1971-1985). Droit judiciaire privé. Les droits de recours, RCJB 1987, 174-180, nrs. 46-47.
(2)J. LAENENS e.a. Handboek gerechtelijk recht, Antwerpen, Intersentia, 2016, nrs. 1206, 1207 en 1209. Zie ook Cass. 19 februari 2016, AR C.15.0205.F ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160219.3, AC 2016, nr. 129, en Cass. 11 februari 2005, RW 2004-05, 1619, noot S. MOSSELMANS.
(3)Cass. 12 december 2016, AR S.15.0068.F ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161212.3, AC 2016, nr. 712; Cass. 25 november 2016, AR C.16.0109.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161125.2, AC 2016, nr. 676; Cass. 26 december 2014, AR C.14.0201.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141226.2, AC 2014, nr. 815; Cass. 6 juni 2014, AR C.10.0482.F ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140606.4, AC 2014, nr. 410; Cass. 29 januari 2010, AR C.07.0278.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100129.1, AC 2010, nr. 68; Cass. 10 november 2006, AR C.06.0274.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061110.2, AC 2006, nr. 554; Cass. 28 juni 2001, AR C.99.0422.F ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010628.14, AC 2001, nr. 406.
(4)Cass. 16 oktober 2018, AR P.18.0234.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181016.3, AC 2018, nr. 558; Cass. 8 maart 2010, AR S.07.0028.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100308.4, AC 2010, nr. 161. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20191017.19 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191017.19 citeert: ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010628.14 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061110.2 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100129.1 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100308.4 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140606.4 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141226.2 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160219.3 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161125.2 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161212.3 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181016.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div