id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 29 oktober 2019
Art. 202, 2° - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet - 05-05-2014 - Artt.
14, § 1, eerste zin, 18 en 82 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Vrije woorden: Internering - Burgerlijke partij - Devolutieve werking van het hoger beroep - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 202, 2° - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet - 05-05-2014 - Artt.
14, § 1, eerste zin, 18 en 82 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Burgerlijke rechtsvordering (bijzondere regels) Vrije woorden: Internering - Omvang Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 202, 2° - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet - 05-05-2014 - Artt.
14, § 1, eerste zin, 18 en 82 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: Internering - Hoger beroep van de burgerlijke partij - Gevolgen Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 202, 2° - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet - 05-05-2014 - Artt.
14, § 1, eerste zin, 18 en 82 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Vrije woorden: Internering - Hoger beroep - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 202, 2° - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet - 05-05-2014 - Artt.
14, § 1, eerste zin, 18 en 82 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - INTERNERING Vrije woorden: Burgerlijke partij - Hoger beroep - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 202, 2° - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet - 05-05-2014 - Artt.
14, § 1, eerste zin, 18 en 82 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Tekst van de conclusie P.19.0325.N Conclusie van advocaat-generaal de Smet: In deze zaak dient uw Hof zich uit te spreken over de aard van de internering en over het hoger beroep van de burgerlijke partij tegen deze maatregel: -Maakt de internering alleen deel van de strafvordering, of ook van de burgerlijke vordering? -Kan de burgerlijke partij een belang doen gelden bij het instellen van hoger beroep tegen een internering, uitgesproken door de raadkamer? Kan uit art. 14 Wet 5 mei 2019 een algemeen recht van hoger beroep worden afgeleid voor de burgerlijke partij tegen de beslissing tot internering, op strafgebied en op burgerlijk vlak? Meer bepaald rijst de vraag of toepassing van art. 1386bis B.W., dat tot een lagere schadevergoeding kan leiden, voor de burgerlijke partij een belang uitmaakt om op te komen tegen de beslissing tot internering van de inverdenkinggestelde? -Mag de kamer van inbeschuldigingstelling op basis van artikelen 18, §1, en 82 Wet 5 mei 2014 en 202, 2° Wetboek van Strafvordering het hoger beroep van de burgerlijke partij tegen de internering niet-ontvankelijk verklaren, zowel op strafgebied als op burgerlijk gebied? -Gesteld dat alleen de internering op burgerlijk vlak wordt aangevochten, mag de kamer van inbeschuldigingstelling dan beslissen art. 1382 B.W. toe te passen in plaats van art. 1386bis B.W., dat geldt bij een onrechtmatige daad begaan door een geesteszieke? -Kunnen burgerlijke partijen ontvankelijk cassatieberoep instellen tegen een arrest waarbij de kamer van inbeschuldigingstelling de noodzaak tot aanvullend onderzoek afwijst en het hoger beroep tegen de internering niet-ontvankelijk verklaart? -Kan de burgerlijke partij in cassatie de maatregel van internering betwisten, terwijl de eerste rechter nog geen uitspraak deed over de eis tot schadevergoeding?
- Procesvoorgaanden Bij beschikking van de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven van 21 december 2018 werd de internering bevolen van verweerder wegens feiten van moord, bedreigingen door gebaren of zinnebeelden en inbreuk op de wapenwetgeving. De raadkamer wees de eis af van burgerlijke partijen om de zaak ‘niet in staat' te verklaren. Burgerlijke partijen hadden voor de raadkamer aangevoerd dat het gerechtelijk onderzoek onvolledig is, om reden dat vier bijkomende onderzoeksdaden nodig zijn, namelijk de aanstelling van een college van deskundigen voor een aanvullend psychiatrisch onderzoek, het uitvoeren van een testpsychologisch onderzoek aan de hand van een gevalideerde Poolse vragenlijst, het uitvoeren van een wedersamenstelling in aanwezigheid van deskundigen en het onderwerpen van inverdenkinggestelde aan een polygraaftest. Voor de afhandeling van de burgerlijke belangen, heeft de raadkamer te Leuven de zaak uitgesteld naar de terechtzitting van 12 februari
- De burgerlijke partijen hebben tijdig hoger beroep ingesteld tegen deze beschikking, op strafgebied en op burgerlijk vlak, en tijdig een grievenformulier ingediend, zoals is vereist door art. 14 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering, BS 9 juli 2014, gewijzigd door art. 294 Wet 6 juli 2017, BS 24 juli
- In de grievenformulieren werd de rubriek ‘straf/maatregel' aangekruist en toegelicht dat de beveiligingsmaatregel van internering werd betwist. Sommige burgerlijke partijen hebben in hun grievenformulier aangegeven dat de internering werd bevolen in strijd met procesregels (de beslissing de zaak in staat in wijzen te verklaren tast hun rechten van verdediging aan) en dat de bestreden beschikking ook zou moeten worden hervormd wat betreft de ‘schuld', omdat de raadkamer ten onrechte zou hebben vastgesteld dat inverdenkinggestelde op het moment van de strafbare feiten en op het moment van de bestreden beschikking lijdt aan een geestesstoornis die zijn oordeelsvermogen of de controle over zijn daden teniet doet of ernstig aantast. In het bestreden arrest oordeelde het Hof van Beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, op 21 maart 2019 dat de beslissing tot internering deel uitmaakt van de strafvordering, en het hoger beroep van de burgerlijke partijen tegen deze beveiligingsmaatregel niet-ontvankelijk is, bij gebrek aan belang, op strafgebied en op burgerlijk vlak. Verder oordeelde het Hof van Beroep dat burgerlijke partijen geen ontvankelijk hoger beroep kunnen instellen tegen de weigering bepaalde onderzoeksdaden te stellen.
- Hoger beroep van de burgerlijke partij tegen het onderdeel dat de zaak in staat is In het bestreden arrest werd geoordeeld dat de vier gevraagde bijkomende onderzoeksdaden betrekking hadden op de geestestoestand van inverdenkinggestelde en zijn toerekeningsvatbaarheid, maar niet op de burgerlijke belangen. Om deze reden werd het hoger beroep van de burgerlijke partij tegen de beslissing van de raadkamer dat het onderzoek volledig is, niet-ontvankelijk verklaard. Burgerlijke partijen, eisers in cassatie, voeren als eerste middel een schending aan van art. 13 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering. Door te oordelen dat de gevraagde onderzoeksdaden alleen betrekking hebben op de geestestoestand van de inverdenkinggestelde, werd volgens eisers in het bestreden arrest een bijkomende voorwaarde gesteld, die niet in art. 13 Wet 5 mei 2019 is vermeld. Eisers in cassatie stellen dat alle partijen het recht hebben om bijkomende onderzoeksdaden te vragen, ook als het openbaar ministerie de internering vordert, zelfs als de gevraagde onderzoeksdaden betrekking hebben op de geestestoestand van de inverdenkinggestelde en zijn toerekeningsvatbaarheid voor de ten laste gelegde feiten. Beoordeling van het eerste middel Art. 13, §2 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering verleent aan de inverdenkinggestelde en de burgerlijke partij het recht om ‘overeenkomstig art. 61quinquies Wetboek van Strafvordering' de onderzoeksrechter te verzoeken bijkomende onderzoekshandelingen te berichten, binnen de termijn bepaald in art. 13, §1 Wet 5 mei
- Deze termijn bevat een periode van minstens 15 dagen tussen de vordering tot internering en de zitting van het onderzoeksgerecht, waarbij de termijn wordt teruggebracht (zoals in deze zaak) tot drie dagen indien één van de inverdenkinggestelden zich in voorlopige hechtenis bevindt. In geval van een tijdig ingediend verzoekschrift tot het stellen van bijkomend onderzoek wordt de regeling der rechtspleging geschorst, en wordt de zaak pas opnieuw vastgesteld voor het onderzoeksgerecht als het verzoek tot het stellen van bijkomende onderzoeksdaden definitief is behandeld. Art. 13, §2 Wet 5 mei 2014 kan bijgevolg worden beschouwd als een lex specialis ten opzichte van art. 127 Wetboek van Strafvordering, dat het recht op inzage in het strafdossier en het recht op het vorderen van bijkomende onderzoeksdaden omvat van de inverdenkinggestelde en de burgerlijke partij in geval de onderzoeksrechter zijn onderzoek heeft afgesloten en het openbaar ministerie een vordering neemt voor de regeling van de rechtspleging door de raadkamer. Uit art. 13, §2 Wet 5 mei 2014 vloeit voort dat de debatten over de vordering tot internering alleen van rechtswege zijn geschorst indien de inverdenkinggestelde of de burgerlijke partij tijdig, en voorafgaand aan de vastgestelde zitting van het onderzoeksgerecht, een met redenen omkleed verzoekschrift hebben ingediend bij de onderzoeksrechter, dat aan de vereisten van art. 61quinquies Wetboek van Strafvordering voldoet. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat alle partijen geldig werden opgeroepen voor de zitting van de raadkamer van 23 oktober 2018 en geen enkele partij voorafgaand aan de terechtzitting een verzoekschrift tot het stellen van bijkomende onderzoeksdaden heeft ingediend, conform art. 13 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering. De raadkamer was bijgevolg niet verplicht de zaak uit te stellen en kon aan de hand van de stukken en argumenten aangevoerd ter terechtzitting rechtsgeldig beslissen dat de zaak in staat was. Het middel kan niet worden aangenomen.
- Hoger beroep van de burgerlijke partij tegen de internering door het onderzoeksgerecht In het bestreden arrest werd het hoger beroep van de burgerlijke partij tegen de internering bevolen door de raadkamer niet-ontvankelijk verklaard, met als voornaamste motivering: -Art. 14 Wet 5 mei 2014 wijkt niet af van het principe dat een burgerlijke partij hoger beroep kan instellen enkel in de mate dat het haar burgerlijke belangen betreft. -Een beslissing tot internering veronderstelt dat de als misdrijf omschreven feiten bewezen zijn, zodat de burgerlijke partij geen belang heeft om tegen deze beoordeling hoger beroep in te stellen -Zelfs al zou de internering betrekking hebben op de schuld, zoals burgerlijke partijen aanvoeren, dan kan de burgerlijke partij, naar analogie met art. 202, 2° Wetboek van Strafvordering slechts hoger beroep instellen wat haar burgerlijke belangen betreft. -Het feit dat de burgerlijke vorderingen bij een beslissing tot internering herleid kunnen worden naar billijkheid (art. 1386bis B.W.), geeft aan de burgerlijke partijen een belang om hoger beroep in te stellen tegen een beschikking tot internering, doch enkel wat betreft hun burgerlijke belangen betreft, doch niet betrekking tot de beslissing tot internering, die de strafvordering betreft. Burgerlijke partijen, eisers in cassatie, voeren als tweede middel een schending aan van art. 14 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering. Zij werpen op dat zij wel een belang kunnen doen gelden bij hun hoger beroep, wegens toepassing van art. 1386bis B.W. bij de afhandeling van de burgerlijke belangen. Wanneer de schade is veroorzaakt door een persoon die lijdt aan een geestesstoornis, die zijn oordeelsvermogen of controle over zijn daden tenietdoet of ernstig aantast, kan de rechter ingevolge deze bepaling uitspraak doen over de schadevergoeding ‘naar billijkheid, rekening houdend met de omstandigheden en de toestand van de partijen'. Wanneer het bestreden arrest stelt dat de burgerlijke partijen pas hoger beroep kunnen aantekenen tegen het arrest dat zal worden geveld over hun burgerlijke vorderingen, zouden de burgerlijke partijen op dat moment de toepasbaarheid van art. 1386bis B.W. niet meer kunnen betwisten. Het hoger beroep van de burgerlijke partij tegen alleen de beslissing tot internering kan daarom niet onontvankelijk worden verklaard wegens gebrek aan belang. 3.
- Het belang van de burgerlijke partij bij het hoger beroep van de internering, op strafgebied Onder het regime van de oude Wet Bescherming Maatschappij van 9 april 1930 (art. 8) kon alleen de geïnterneerde en het openbaar ministerie hoger beroep instellen tegen een beschikking van de raadkamer of vonnisrechter tot internering. De burgerlijke partij kon alleen op basis van art. 202 Sv. hoger beroep instellen tegen de uitspraak op burgerlijk vlak, terwijl de beslissing over de internering, als onderdeel van de strafvordering, onaangetast bleef
(1). Ingevolge art. 14, §1 Wet 5 mei 2014 (gewijzigd door art. 294 Wet 6 juli 2017, BS 24 juli 2017) betreffende de internering kunnen de procureur des Konings en "de partijen of hun advocaat" voor de kamer van inbeschuldigingstelling hoger beroep instellen tegen "de beslissingen van de raadkamer". Deze bepaling houdt evenwel niet in dat elke partij ontvankelijk hoger beroep kan instellen tegen elke beslissing van de raadkamer, waarbij uitspraak wordt gedaan over een vordering of verzoek tot internering. Als algemeen rechtsbeginsel geldt dat een partij enkel een rechtsmiddel mag aanwenden als zij daarvoor een rechtmatig belang kan doen gelden
(2). Voor de cassatieprocedure is dit beginsel opgenomen in art. 416 Wetboek van Strafvordering. In het bestreden arrest is terecht gesteld dat internering een beslissing ten gronde inhoudt over de strafvordering, waarbij de feiten bewezen worden verklaard en een beveiligingsmaatregel in plaats van een straf wordt opgelegd. Of de inverdenkinggestelde zich moet verantwoorden voor het hof van assisen, en een straf riskeert voor de ten laste gelegde feiten, dan wel aanspraak maakt op de internering als beveiligingsmaatregel, bij afsluiting van het gerechtelijk onderzoek, raakt de belangen van de burgerlijke partij niet. Daarbij komt dat het cassatieberoep van de burgerlijke partij principieel alleen betrekking heeft op de beslissing inzake de burgerlijke rechtsvordering, en dus de beslissing op de strafvordering niet kan aantasten
(3). Op dit punt oordeelde uw Hof in 2006: "Het behoort evenwel niet tot het belang van een burgerlijke partij op te komen tegen een strafmaatregel of andere maatregel die de rechter niet op vordering van de burgerlijke partij kan opleggen"
(4). In zoverre eisers in cassatie de noodzaak tot internering aanvechten, op strafgebied, is hun cassatieberoep niet-ontvankelijk, bij gebrek aan belang. Het tweede middel, in zoverre het betrekking heeft op de strafvordering, faalt naar recht. 3.2. Het belang van de burgerlijke partij bij het hoger beroep van de internering, op burgerlijk gebied De vraag rijst of de burgerlijke partij tegen de internering bevolen door het vonnisgerecht hoger beroep kan instellen, wat betreft haar burgerlijke vordering. Art. 18, §1 Wet 5 mei 2014 (BS 9 juli 2014) bepaalt dat de onderzoeksgerechten of vonnisgerechten op grond van deze wet of art. 71 Sw. uitspraak doen over de strafvordering en tegelijkertijd over de bij hen op regelmatige wijze ingestelde burgerlijke rechtsvordering, overeenkomstig art. 1386bis B.W. Verder biedt art. 18, §2 Wet 5 mei 2014 aan deze rechtscolleges de mogelijkheid om de burgerlijke belangen aan te houden overeenkomstig art. 4 V.T. Wetboek van Strafvordering. Uit de stukken waarop uw Hof vermag acht te slaan, blijkt dat eisers in cassatie hun burgerlijke rechtsvordering tijdig hebben ingesteld voor de raadkamer. Ingevolge art. 82 Wet 5 mei 2014 zijn de bepalingen betreffende de vervolging in correctionele zaken en criminele zaken van toepassing op de bij deze wet voorgeschreven procedures, behoudens de afwijkingen die zij bepaalt. Wanneer het gaat om vonnissen van de correctionele rechtbank, bepaalt art. 202, 2° Wetboek van Strafvordering dat de burgerlijke partij alleen hoger beroep kan instellen wat haar burgerlijke belangen betreft. Volledigheidshalve kan men opmerken dat burgerlijke partijen zich niet op art. 135, §1 Sv. kunnen beroepen om ontvankelijk hoger beroep in te stellen tegen de internering, uitgesproken door de raadkamer. Deze bepaling verleent aan het openbaar ministerie en de burgerlijke partij het recht om hoger beroep in te stellen tegen alle beschikkingen van de raadkamer. Wanneer de raadkamer de internering beveelt, treedt zij op als vonnisgerecht, en is deze bepaling niet van toepassing
(5). Ook dit element leidt tot het besluit dat voor het hoger beroep van de burgerlijke partij tegen de internering art. 202, 2° Sv. van toepassing is. In een zaak waar de beklaagde werd vrijgesproken, en de uitspraak over de ontvankelijkheid van de burgerlijke vordering naar een latere terechtzitting werd verwezen, oordeelde uw Hof dat de burgerlijke partij niet de hoedanigheid heeft om hoger beroep in te stellen tegen de beslissing over de strafvordering en het uitstel inzake de burgerlijke belangen een maatregel van inwendige aard is, waartegen geen hoger beroep kan worden ingesteld
(6). Toepassing van artikelen 82 Wet 5 mei 2014 en 202, 2° Wetboek van Strafvordering leidt tot het besluit dat het hoger beroep van de burgerlijke partij tegen een beschikking tot internering alleen betrekking kan hebben op de burgerlijke belangen. Het enkel hoger beroep van de burgerlijke partij kan niet tot gevolg hebben dat de kamer van inbeschuldigingstelling opnieuw de noodzaak tot internering moet beoordelen als beveiligingsmaatregel, met de criteria van art. 9 Wet 5 mei 2014 als uitgangspunt. Die globale beoordeling is alleen aan de orde als de procureur des Konings of de geïnterneerde hoger beroep instelt tegen de beschikking tot internering. Wanneer de raadkamer de internering beval, maar nog geen uitspraak deed over de burgerlijke vordering, kan de burgerlijke partij geen hoger beroep instellen tegen alleen de internering, met als argument dat deze maatregel de burgerlijke vordering raakt. Het feit dat bij internering het onderzoeksgerecht voor de afhandeling van de burgerlijke belangen toepassing maakt van art. 1386bis Burgerlijk Wetboek, ingevolge art. 18, §1 Wet 5 mei 2014, doet daaraan geen afbreuk. Ook al zou in de akte van hoger beroep uitdrukkelijk zijn vermeld dat het hoger beroep tegen de internering enkel gericht is op burgerlijk vlak, internering is en blijft een beveiligingsmaatregel, bevolen in het belang van de geesteszieke verdachte en de samenleving
(7). De burgerlijke partij heeft geen belang om alleen de internering aan te vechten, zonder enige uitspraak over de schadevergoeding, aangezien deze maatregel veronderstelt dat de feiten bewezen zijn verklaard. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 3.3. Voorbarigheid van het cassatieberoep tegen de niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep van de burgerlijke partij tegen de internering De vraag rijst of de beslissing tot internering een negatieve impact heeft op de burgerlijke vordering van eisers in cassatie, aangezien het debat over de burgerlijke vordering naar latere datum verschoven. Eisers in cassatie voeren in hun tweede middel aan dat als de burgerlijke partijen bij internering pas hoger beroep kunnen aantekenen tegen het (eind)arrest dat zal worden geveld over de burgerlijke belangen, zij op het moment van behandeling van hun burgerlijke belangen de toepasbaarheid van art. 1386bis B.W. niet meer kunnen betwisten, omdat reeds uitspraak is gedaan over de internering. Daaruit leiden zij een belang af om op te komen tegen de internering zelf. Art. 18, §1 Wet 5 mei 2014 bepaalt dat dat het onderzoeksgerecht dat de internering beveelt tegelijk over een regelmatig ingestelde burgerlijke vordering uitspraak doet overeenkomstig art. 1386bis B.W. Art. 1386bis B.W. kent aan de strafrechter oordelend over burgerlijke belangen een beoordelingsmarge toe als de schade is veroorzaakt door een persoon die lijdt aan een geestesstoornis die zijn oordeelsvermogen of de controle over zijn daden teniet doet of ernstig aantast
(8). De strafrechter kan de eis tot schadevergoeding herleiden naar billijkheid, rekening houdend met de omstandigheden en de toestand van de partijen. Het punt van vergelijking is de schadevergoeding waartoe de beklaagde zou gehouden zijn, indien hij controle had over zijn daden. Hij kan de geestesgestoorde die een onrechtmatige daad heeft veroorzaakt ook veroordelen tot de gehele schadevergoeding
(9). Wanneer het onderzoeksgerecht beslist tot internering van de inverdenkinggestelde, is het ertoe gehouden bij de beoordeling van een tijdig ingestelde burgerlijke vordering toepassing te maken van art. 1386bis B.W, gelet op art. 18, §1 Wet 5 mei 2014
(10). In deze zaak had de raadkamer nog geen uitspraak gedaan over de burgerlijke vordering. De zaak werd op burgerlijk vlak conform art. 18, §2 Wet 5 mei 2014 naar een latere datum verschoven. De bestreden beslissing, waardoor het hoger beroep van de burgerlijke partijen tegen de internering werd afgewezen als zijnde niet-ontvankelijk, heeft enkel als gevolg dat de zaak op strafgebied definitief is afgehandeld. Indien na definitieve beslissing tot internering, bij gebrek aan hoger beroep van de procureur des Konings of de inverdenkinggestelde, de raadkamer op een latere terechtzitting toepassing zou maken van art. 1386bis B.W., de schadevergoeding zou verminderen, kan de burgerlijke partij tegen de eindbeslissing over de burgerlijke vordering wel rechtsgeldig hoger beroep instellen. Dit vloeit voort uit de artikelen 82 Wet 5 mei 2019 en 202, 2° Wetboek van Strafvordering. Alle pistes liggen dan open. Als in eerste aanleg uitspraak werd gedaan op grond van art. 1386bis B.W., waarbij de schadevergoeding om billijkheidsredenen werd verminderd, kan de burgerlijke partij voor de kamer van inbeschuldigingstelling aantonen dat de dader wel toerekeningsvatbaar was op het ogenblik van de feiten, en zij recht heeft op een gehele vergoeding van de schade, ingevolge de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek
(11). Op dit punt oordeelde uw Hof in 2006: "De beslissing tot internering schaadt de belangen van een burgerlijke partij niet aangezien op het enkele hoger beroep van die partij de appelrechter opnieuw oordeelt over diens vordering tot schadevergoeding en volledige vergoeding kan toekennen"
(12). Een interneringsbeslissing genomen door de raadkamer heeft dus niet als gevolg dat de kamer van inbeschuldigingstelling, enkel oordelend over de burgerlijke vordering na hoger beroep van de burgerlijke partij, verplicht is toepassing te maken van art. 1386bis B.W. Een aspect van de devolutieve werking van het hoger beroep is immers dat er ‘tegenstrijdigheden' kunnen ontstaan, doordat de uitspraak in eerste aanleg slechts beperkt wordt onderworpen aan de rechter in hoger beroep
(13). Hieraan kan men toevoegen dat internering niet noodzakelijk leidt tot toepassing van art. 1386bis B.W. Voor toepassing van deze bepaling moet de geestestoestand op het moment van het schadeverwekkend feit worden beoordeeld, terwijl toepassing van de Wet van 5 mei betreffende de internering (art. 9, §1, 2°) afhangt van de geestestoestand op het moment van de beslissing
(14). Aangezien de raadkamer nog geen uitspraak deed over de burgerlijke vordering, is het bestreden arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling, waarbij het hoger beroep tegen de internering werd afgewezen als niet-ontvankelijk, niet te beschouwen als een eindbeslissing, in de zin van art. 418 Wetboek van Strafvordering. De cassatieberoepen van de burgerlijke partijen die enkel gericht zijn op de internering zelf, zonder dat de burgerlijke belangen zijn afgehandeld, zijn dus niet-ontvankelijk, wegens voorbarig. Het feit dat onmiddellijk cassatieberoep mogelijk is tegen voorbereidende beslissingen die inzake de burgerlijke rechtsvordering uitspraak doen over het beginsel van aansprakelijkheid (art. 420, 2° Wetboek van Strafvordering), doet hieraan geen afbreuk. De kamer van inbeschuldigingstelling is bij beoordeling van de burgerlijke vordering na een definitieve beslissing tot internering, waarover zij zelf geen uitspraak deed, niet verplicht de burgerlijke aansprakelijkheid te beoordelen op basis van art. 1386bis B.W. De situatie is anders als de kamer van inbeschuldigingstelling zelf de internering beveelt of een beslissing tot internering bevestigt, na inhoudelijke beoordeling van de criteria voor deze beveiligingsmaatregel
(15), en tegelijk uitspraak doet over de burgerlijke vordering. In dit geval kan de burgerlijke partij wel ontvankelijk cassatieberoep instellen tegen het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling, op burgerlijk vlak, aangezien het gaat om een eindbeslissing van de kamer van inbeschuldigingstelling handelend als vonnisgerecht
(16). In zoverre de eisers in cassatie uitgaan van een andere rechtsopvatting, falen zij naar recht. 3. Besluit Verwerping. Er kan akte worden verleend van de afstand van het cassatieberoep van eiser I (Z.A.). ___________________________
(1)R. VERSTRAETEN, Handboek Strafvordering, Antwerpen, Maklu, 2012, p. 739.
(2)R. VERSTRAETEN, Handboek Strafvordering, Antwerpen, Maklu, 2012, p.1214, 1255; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Mechelen, Kluwer, 2014, p.1331.
(3)F. VAN VOLSEM, "Beoordeling van de cassatieberoepen in strafzaken", in Cassatie in strafzaken, Antwerpen, Intersentia, 2014, p. 201.
(4)Cass. 12 september 2006, Arr. Cass. 2006, nr. 408, met concl. van Procureur-generaal M. De Swaef, p. 1707.
(5)Cass. 12 september 2006, Arr. Cass. 2006, nr. 408 met concl. van Procureur-generaal M. De Swaef. Zie ook R. Verstraeten, Handboek Strafvordering, Antwerpen, Maklu, 2012, p. 739; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Mechelen, Kluwer, 2014, p.1775 en K. Hanouille, Internering en toekrekeningsvatbaarheid, Antwerpen, Intersentia, 2018, p.309.
(6)Cass. 25 september 2013, P13.068F, Arr. Cass. 2013, nr. 477.
(7)R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, Antwerpen, Maklu, 2012, p. 731-732.
(8)F. SWENNEN, Geestesgestoorden in het burgerlijk recht, Antwerpen, Intersentia, 2000, 436-440: B. WEYTS, "Schade veroorzaakt door geestesgestoorde minderjarigen", in Jongeren, psychiatrie en recht, Antwerpen, Intersentia, 2007, p. 113.
(9)F. SWENNEN, Geestesgestoorden in het burgerlijk recht, Antwerpen, Intersentia, 2000, p.417-451.
(10)Ook onder het regime van de vroegere Wet Bescherming Maatschappij van 9 april 1930 (art. 11) was toepassing van art. 1386bis B.W. een gevolg van de beslissing tot internering, indien er ontoerekeningsvatbaarheid was op het moment van het misdrijf. Zie F. SWENNEN, Geestesgestoorden in het burgerlijk recht, Antwerpen, Intersentia, 2000, p. 391; R. VERSTRAETEN, Handboek Strafvordering, Antwerpen, Maklu, 2012, p. 735.
(11)In die zin zie R. VERSTRAETEN, Handboek Strafvordering, Antwerpen, Maklu, 2012, nr. 1452; K. HANOUILLE, Internering en toekrekeningsvatbaarheid, Antwerpen, Intersentia, 2018, p. 739.
(12)Cass. 12 september 2006, Arr. Cass. 2006, nr. 408 met concl. van Procureur-generaal M. De Swaef, p. 1707.
(13)M. FRANCHIMONT, A. JACOBS en A. MASSET, Manuel de procédure pénale, Brussel, Larcier, 2012, p. 1027; R. VERSTRAETEN, Handboek Strafvordering, Antwerpen, Maklu, 2012, p. 1214.
(14)Zie R. VERSTRAETEN, Handboek Strafvordering, Antwerpen, Maklu, 2012, p. 735, met verwijzing naar Cass. 22 januari 1974, Arr. Cass. 1974, 571 (niet in extenso gepubliceerd), wat betreft de interneringswet van 9 april 1930 (art. 11). Zie ook F. SWENNEN, Geestesgestoorden in het burgerlijk recht, Antwerpen, Intersentia, 2000, 421; J. ROZIE en T. VANSWEEVELT, "Causaliteit in het Belgisch strafrecht. Over de kruisbestuiving tussen het buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht en het strafrecht", N.C. 2014, p. 460-464 (wat betreft de vereiste beoordeling van de geestestoestand op het moment van de uitspraak over de internering).
(15)Deze criteria zijn vervat in art. 9 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering, BS 9 juli 2014, zoals gewijzigd door art. 150 Wet 4 mei 2016, BS 13 mei 2016.
(16)In die zin zie R. DECLERCQ, Cassation en matière répressive, Brussel, Bruylant, 2006, p. 68 en F. VAN VOLSEM, "Beoordeling van de cassatieberoepen in strafzaken", in Cassatie in strafzaken, Antwerpen, Intersentia, 2014, p. 201, met verwijzing naar Cass. 27 februari 1985, arrest niet gepubliceerd. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20191029.2 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191029.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div