← België

ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20191107.14

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 07 november 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20191107.14 Rolnummer: C.19.0052.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Handelsrecht - Burgerlijk recht - Overige Invoerdatum: 2019-12-02 Raadplegingen: 719 - laatst gezien 2026-06-29 07:40 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191107.14 Fiches 1 - 2 De sluiting van de vereffening van een vennootschap overeenkomstig de artikelen 194 en 195 Wetboek van Vennootschappen, maakt in beginsel een einde aan het bestaan en de rechtspersoonlijkheid van deze vennootschap; de vereffende vennootschap wordt geacht voort te bestaan om zich te verweren tegen vorderingen die de schuldeisers conform artikel 198, §1, derde streepje, Wetboek van Vennootschappen tijdig hebben ingesteld tegen de vennootschap, alsook ten aanzien van vorderingen die reeds voor de sluiting van de vereffening tegen de vennootschap werden ingesteld

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VENNOOTSCHAPPEN - HANDELSVENNOOTSCHAPPEN - Besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid Vrije woorden: Vereffening - Sluiting van de vereffening - Bestaan en rechtspersoonlijkheid - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek van Vennootschappen - 07-05-1999 - Artt. 183, § 1, eerste lid, 194, 195, en 198, § 1, derde streepje - 69 ELI link Pub nr 1999A09646 Thesaurus CAS: RECHTSPERSOONLIJKHEID Vrije woorden: Besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid - Vereffening - Sluiting van de vereffening - Bestaan en rechtspersoonlijkheid - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek van Vennootschappen - 07-05-1999 - Artt. 183, § 1, eerste lid, 194, 195, en 198, § 1, derde streepje - 69 ELI link Pub nr 1999A09646 Fiches 3 - 4 Dit passief voortbestaan, dat de bescherming beoogt van de schuldeisers van de vennootschap, laat de vereffende vennootschap ook toe om een rechtsmiddel in te stellen tegen een veroordelende rechterlijke beslissing gewezen na de sluiting van de vereffening in een procedure die nog lopende was ten tijde van de vereffening
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VENNOOTSCHAPPEN - HANDELSVENNOOTSCHAPPEN - Besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid Vrije woorden: Vereffende vennootschap - Passief voortbestaan - Rechtsmiddel - Redenen - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wetboek van Vennootschappen - 07-05-1999 - Artt. 183, § 1, eerste lid, 194, 195, en 198, § 1, derde streepje - 69 ELI link Pub nr 1999A09646 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN (HANDELSZAKEN EN SOCIALE ZAKEN INBEGREPEN) - Beslissingen en partijen Vrije woorden: Vereffende vennootschap - Passief voortbestaan - Rechtsmiddel - Redenen - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wetboek van Vennootschappen - 07-05-1999 - Artt. 183, § 1, eerste lid, 194, 195, en 198, § 1, derde streepje - 69 ELI link Pub nr 1999A09646 Annotaties Publicaties: Revue de Droit Commercial Belge [R.D.C.] - AYDOGDU, Roman; Note "La survie "passive" des sociétés après la clôture de leur liquidation: The Walking Dead." - 2020, n° 5, p. 654-
  1. Tekst van de conclusie C.19.0052.N Conclusie van advocaat-generaal A. Van Ingelgem: I. SITUERING
  2. Eiseres was met verweerders in een geschil verwikkeld betreffende de beweerdelijk gebrekkige conceptie en oplevering van een appartementsgebouw. Zij is ontbonden en in vereffening gesteld met onmiddellijke sluiting van de vereffening op 11 juni
  3. Bij vonnis van 22 juni 2017 werd eiseres door de eerste rechter in solidum veroordeeld tot betaling aan verweerster van een bedrag tot schadevergoeding en werd deze tevens gemachtigd om bepaalde werken op kosten van eiseres te laten uitvoeren.
  4. Tegen dit vonnis werd door eiseres hoger beroep ingesteld dat evenwel door het bestreden arrest onontvankelijk werd verklaard.
  5. Tegen deze beslissing voert eiseres een enig middel tot cassatie aan. II. BESPREKING VAN HET MIDDEL.
  6. In haar enig middel verwijt eiseres de appelrechter het passief voortbestaan van haar recht om zich te verweren tegen vorderingen die de schuldeisers tijdig hebben ingesteld tegen de vennootschap te miskennen, nu dit passief voortbestaan zich uitstrekt tot het instellen van hoger beroep tegen een veroordelend vonnis, ook wanneer de vereffening werd afgesloten hangende de procedure in eerste aanleg, waarbij het afsluiten van de vereffening hangende een procedure geenszins beschouwd kan worden als een afstand van geding of van het recht een rechtsmiddel aan te wenden.
  7. In ondergeschikte orde verzoekt eiseres uw Hof hierover een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof.
  8. In deze betwisting rijst aldus de vraag of een vennootschap (in casu een bvba) waarvan de vereffening hangende de procedure in eerste aanleg werd afgesloten, hoger beroep kan instellen tegen een vonnis waarbij zij, in haar hoedanigheid van verweerster, werd veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding.
  9. Waar krachtens artikel 183, §1, eerste lid, Wetboek van Vennootschappen (W. Venn.) een vennootschap na ontbinding geacht wordt voort te bestaan voor haar vereffening, en de afsluiting van de vereffening overeenkomstig de artikelen 194 en 195 van datzelfde wetboek in beginsel een einde maakt aan het bestaan en de rechtspersoonlijkheid van deze vennootschap, is de verdwijning van de rechtspersoon evenwel niet absoluut.
  10. In zoverre overeenkomstig artikel 198, §1, derde streepje, W. Venn. rechtsvorderingen tegen de vereffenaars als zodanig, dit wil zeggen als orgaan van de vennootschap, kunnen worden ingesteld uiterlijk vijf jaar na de bekendmaking van de sluiting van de vereffening, volgt hieruit volgens uw Hof dat de vereffende vennootschap geacht wordt voort te bestaan om zich te verweren tegen vorderingen die de schuldeisers tijdig hebben ingesteld tegen de vennootschap
(1). 6. In het verlengde hiervan oordeelt uw Hof dat dit passief voortbestaan van een vennootschap - dat de bescherming beoogt van de schuldeisers van de vennootschap - niet alleen geldt ten aanzien van vorderingen ingesteld binnen de termijn van vijf jaar na de bekendmaking van de sluiting van de vereffening, maar ook ten aanzien van vorderingen die reeds voor de sluiting van de vereffening tegen de vennootschap werden ingesteld. De sluiting van de vereffening heeft aldus niet tot gevolg dat lopende procedures niet meer kunnen worden voortgezet tegen de vennootschap, in de persoon van haar vereffenaars
(2).
  1. Nu de vereffende vennootschap zich aldus nog kan verweren zowel tegen vorderingen die tegen haar hangende zijn op het ogenblik van de sluiting van de vereffening, als tegen nieuwe vorderingen die tegen haar worden ingesteld na het sluiten van de vereffening, rijst evenwel de vraag of in het kader van dat verweer de vennootschap ook nog een rechtsmiddel kan aanwenden tegen een vonnis of arrest waarbij zij veroordeeld werd.
  2. In de rechtsleer wordt unaniem verdedigd dat "verweer" tevens het aanwenden van een rechtsmiddel omvat
(3). Ook het Hof lijkt zich in het verleden reeds bij deze opvatting te hebben aangesloten
(4). 9. Waar, zoals gezegd, de vennootschap na het sluiten van de vereffening passief blijft voortbestaan ter vrijwaring van het verhaalsrecht van haar schuldeisers, kan ook het aanwenden van een rechtsmiddel dienen ter bescherming van de schuldeisers; zo kan bijvoorbeeld, wanneer de vennootschap veroordeeld wordt tot betaling van een schadevergoeding aan één schuldeiser, dit het verhaalsrecht van de andere schuldeisers aantasten
(5).
  1. Het komt mij dan ook voor dat zodra men aanvaardt dat het "verweer" dat is toegelaten na het sluiten van de vereffening ook het aanwenden van een rechtsmiddel omvat, dit veronderstelt dat de vennootschap hoger beroep kan instellen zowel tegen een vonnis gewezen in het kader van een procedure die werd opgestart na het sluiten van de vereffening, als tegen een vonnis gewezen in een procedure die nog lopende was op het ogenblik van het sluiten van de vereffening.
  2. Nochtans weigert een deel van de rechtspraak en rechtsleer te aanvaarden dat ook in geval van een lopende procedure de vennootschap een rechtsmiddel kan aanwenden tegen een veroordelend vonnis of arrest
(6). 12. Wat deze stelling betreft kan m.i. evenwel worden opgemerkt dat voor het reeds hoger geciteerde cassatiearrest van 17 april 2008 er geen eensgezindheid bestond over de vraag of een vennootschap waarvan de vereffening hangende de procedure wordt gesloten, zich nog verder kan verweren. Wanneer men verdedigt dat een vereffende vennootschap zich niet verder kan verweren in het kader van een lopende procedure, veronderstelt dat uiteraard dat die vennootschap evenmin een rechtsmiddel kan aanwenden tegen een veroordelend vonnis gewezen na het sluiten van de vereffening in een procedure die reeds lopende was op het ogenblik van het sluiten van de vereffening. Welnu, de auteurs waarnaar steeds verwezen wordt in het kader van die zogenaamde meerderheidsopvatting, zijn auteurs die (op het ogenblik van hun bijdrage) van mening waren dat na het sluiten van de vereffening de vennootschap zich niet verder kan verweren in een lopende procedure
(7). Vandaar dat deze auteurs ook verdedigen dat in geval van een lopende procedure de vereffende vennootschap geen rechtsmiddel kan aanwenden tegen een veroordelend vonnis of arrest gewezen na het sluiten van de vereffening. Waar echter sinds het cassatiearrest van 17 april 2008 blijkt dat dergelijk voortgezet verweer wel toegelaten is, komt het mij dan ook voor dat de stelling van voormelde auteurs dus niet zomaar kan worden overgenomen. 13. Maar ook in de recente(re) doctrine wordt verdedigd dat het niet onredelijk is om de vereffende vennootschap het recht te ontzeggen om een rechtsmiddel aan te wenden. De sluiting van de vereffening is immers een autonome en vrijwillige beslissing van de vennootschap. Door voortijdig haar vereffening te sluiten, bewerkt zij het einde van haar bestaan, en dus van haar rechtspersoonlijkheid, en ontneemt zij zich de mogelijkheid om een rechtsmiddel aan te wenden tegen een eventuele veroordeling
(8). De sluiting van de vereffening zou aldus volgens deze auteurs neerkomen op een (impliciete) afstand van het recht om nog een rechtsmiddel aan te wenden in het kader van de hangende procedure. 14. Deze opvatting kan m.i. niet worden gevolgd. Het recht op hoger beroep is in hoofdorde ingegeven in het privaat belang van de in het ongelijk gestelde procespartij, aan wie het volkomen vrij staat van dit recht al dan niet gebruik te maken
(9). Het recht op hoger beroep ontstaat aldus pas op het ogenblik van het veroordelend vonnis. Het wordt niet betwist dat een partij eenzijdig kan afzien van haar persoonlijk recht op hoger beroep tegen het vonnis waarbij zij geheel of ten dele in het ongelijk is gesteld. Zij kan van dit recht afzien door de beroepstermijn te laten verstrijken zonder hoger beroep in te stellen, door uitdrukkelijk of stilzwijgend in het vonnis te berusten of door afstand te doen van een reeds ingesteld hoger beroep
(10). Een berusting houdt afstand in van het recht zelf op hoger beroep (artikel 1044 Ger.W.). Een dergelijke berusting kan zowel uitdrukkelijk als stilzwijgend zijn, maar veronderstelt wel dat er reeds een vonnis is gewezen. Men kan niet berusten nog voor de eerste rechter uitspraak deed
(11). Het valt dan ook niet in te zien hoe de vennootschap nog voor het vonnis is gewezen afstand kan doen van het recht op hoger beroep. 15. Bovendien moet de afstand van het recht om een rechtsmiddel in te stellen strikt worden uitgelegd en mag die slechts worden afgeleid uit feiten die voor geen andere uitleg vatbaar zijn
(12). Ook in die context is het nog maar de vraag of de sluiting van de vereffening slechts kan worden uitgelegd als een afstand van het recht om hoger beroep in te stellen. 16. Ten slotte kan ik mij niet van de indruk ontdoen dat sommigen van deze auteurs niet zelf helemaal overtuigd lijken van hun eigen stelling dat de vennootschap in het kader van een lopende procedure geen rechtsmiddel kan aanwenden tegen een veroordelend vonnis of arrest gewezen na het sluiten van de vereffening. Zo leest men bijvoorbeeld dat de oplossing in dat geval echter wel zou verschillen t.o.v. de hypothese waarin een rechtsgeding tegen de vennootschap pas wordt opgestart na de afsluiting van de vereffening, terwijl het onderscheid met deze situatie slechts subtiel is
(13), en dat, in de mate dat de vennootschap een bepaald verweer wel kan voeren in het kader van nieuwe rechtsgedingen die eerst worden ingeleid na de sluiting van de vereffening, de vraag rijst of dergelijk verschil in behandeling wel gerechtigd is in het licht van de sterke gelijkenis tussen beide situaties
(14). Nog volgens anderen moet worden toegegeven dat het onderscheid met de mogelijkheid om zich tijdens een lopend proces te blijven verweren, subtiel is
(15). 17. Het lijkt mij dan ook correct te stellen dat de vereffenaar van de vennootschap ook in het kader van een procedure die reeds lopende is op het ogenblik van de sluiting van de vereffening hoger beroep kan instellen tegen een veroordelend vonnis dat gewezen is na het afsluiten van de vereffening
(16). 18. Deze oplossing stemt naar mijn aanvoelen ook overeen met de rechtspraak van uw Hof dat wanneer een eisende partij een veroordeling vordert tegen een vereniging die geen rechtspersoonlijkheid heeft, en de rechter de gevraagde veroordeling uitspreekt, de veroordeelde vereniging partij is in het geding en mitsdien tegen haar veroordeling kan opkomen door de rechtsmiddelen bij de wet bepaald
(17). 19. Algemeen wordt gesteld dat ook voor het instellen van hoger beroep vereist is dat men juridisch bestaat. Er dient echter een onderscheid te worden gemaakt tussen het juridisch bestaan als voorwaarde voor de toelaatbaarheid van de rechtsvordering en het juridisch bestaan als toelaatbaarheidsvereiste voor het instellen van hoger beroep. Voor het instellen van rechtsvorderingen is inderdaad vereist dat men juridisch bestaat. Voor de toelaatbaarheid van het hoger beroep is het derhalve voldoende dat men voor de eerste rechter partij was en door deze in het ongelijk werd gesteld
(18).
  1. In casu heeft de eiseres haar rechtspersoonlijkheid hangende de procedure verloren. Zij wordt vervolgens veroordeeld door de eerste rechter. Het feit dat zij partij was voor de eerste rechter en in het ongelijk werd gesteld, zou aldus voldoende moeten zijn om het hoger beroep toelaatbaar te verklaren.
  2. In het geheel van voormelde benadering en visie komt het mij dan ook voor dat de appelrechter zijn beslissing dat het hoger beroep van eiseres niet ontvankelijk is, niet naar recht verantwoordt, en dat het middel derhalve gegrond is. III. CONCLUSIE: VERNIETIGING. ________________________
(1)Cass. 17 april 2008, AR C.07.0054.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080417.11, AC 2008, nr. 231; zie ook reeds Cass. 22 maart 1962, Pas. 1962, I, 807, met concl. van advocaat-generaal GANSHOF VAN DER MEERSCH.
(2)Cass. 17 april 2008, AR C.07.0054.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080417.11, AC 2008, nr. 231.
(3)J. RONSE, Overzicht van rechtspraak. Vennootschappen (1964-1967), TPR 1967, 764, nr. 255; J. VAN RIJN en P. VAN OMMESLAGHE, Examen de jurisprudence: les sociétés commerciales, RCJB 1973, 563, nr. 98; D. D'HOOGHE, De gevolgen van de sluiting van de vereffening van handelsvennootschappen met volkomen rechtspersoonlijkheid, TBH 1989,
(333)341; R. TAS, Rechtsbekwaamheid van een handelsvennootschap na de sluiting van haar vereffening (noot onder Gent 28 april 1995), TRV 1995,
(599)602; E. DE BIE en J. LEENHEER, Vereffening van vennootschappen na de Wet van 13 april 1995, Diegem, CedSamsom, 1996, 202, B. TILLEMAN, Proceshandelingen van en tegen vennootschappen, Antwerpen, Maklu, 1997, 80, nr. 135; G. MEERSMAN, Procesbekwaamheid van een vereffende vennootschap (noot onder Gent 25 november 1998), TBH 1999,
(576)578; R. AYDOGDU, Actualités en matière de liquidation (déficitaires) in N. THIRION (ed.), Réorganisation judiciaire, faillite, liquidation déficitaire - Actualités et pratique, CUP, Louvain-la-Neuve, Atnhémis, 2010, 27, nr. 46; C. CLOTTENS, Het lot van lopende gerechtelijke procedures na afsluiting van de vereffening van een vennootschap met rechtspersoonlijkheid (noot onder Cass. 17 april 2008), TRV 2010,
(154)158; K. GEENS, M. WYCKAERT, C. CLOTTENS, S. DE DIER en F. PARREIN, Verenigingen en vennootschappen, Deel 2. De vennootschap. A. Algemeen deel in Beginselen van Belgisch privaatrecht, Mechelen, Kluwer, 2011, 851, nr. 518; J. LAMBRECHTS, De vereffening van de bvba en de nv, Mechelen, Kluwer, 2012, 221; M. LEMAL, La clôture de la liquidation in Traité pratique de droit commercial, tome 4, vol 2, Waterloo, Kluwer, 2014, 915; C. PIETTE, E. DE BIE en M. CORYNEN, Art. 194 W.Venn., in Comm. V&V, afl. 47, 2016, 33; C. CLOTTENS, Een vennootschap met rechtspersoonlijkheid kan zich nog verweren in hangende procedures na de sluiting van haar vereffening (noot onder Luik 8 november 2016), RPS-TRV 2018,
(796)799.
(4)Cass. 8 november 1960, AC 1960, 214.
(5)P. JEHASSE, La vie après la mort?, noot onder Cass. 17 april 2008, JDSC 2009,
(289), 291.
(6)R. Resteau, Traité des sociétés anonymes, IV, Brussel, Polydore Pée, 1934, 270, nr. 2031; D. D'HOOGHE, De gevolgen van de sluiting van de vereffening van handelsvennootschappen met volkomen rechtspersoonlijkheid, TBH 1989,
(333)342; R. TAS, De rechtsbekwaamheid van een handelsvennootschap na de sluiting van haar vereffening (noot onder Gent 28 april 1995), TRV 1995,
(599)603; E. DE BIE en J. LEENHEER, Vereffening van vennootschappen na de Wet van 13 april 1995, Diegem, CedSamsom, 1996, 202; B. TILLEMAN, Proceshandelingen van en tegen vennootschappen, Antwerpen, Maklu, 1997, 82, nr. 139; G. MEERSMAN, Procesbekwaamheid van een vereffende vennootschap (noot onder Gent 25 november 1998), TBH 1999,
(576)579; E. JANSSENS, Vorderingen ingeleid tegen vennootschap in vereffening kunnen na sluiting vereffening worden verdergezet (noot onder Gent 5 oktober 2009), RABG 2010,
(174)175; C. CLOTTENS, Het lot van lopende gerechtelijke procedures na afsluiting van de vereffening van een vennootschap met rechtspersoonlijkheid (noot onder Cass. 17 april 2008), TRV 2010,
(154)161; K. GEENS, M. WYCKAERT, C. CLOTTENS, S. DE DIER en F. PARREIN, Verenigingen en vennootschappen, Deel 2. De vennootschap. A. Algemeen deel in Beginselen van Belgisch privaatrecht, Mechelen, Kluwer, 2011, 851, nr. 519; C. BERCKMANS, De vereffeningsprocedure, Mechelen, Kluwer, 2014, 733; M. LEMAL, La clôture de la liquidation in Traité pratique de droit commercial, tome 4, vol 2, Waterloo, Kluwer, 2014, 916; C. PIETTE, E. DE BIE en M. CORYNEN, Art. 194 W.Venn. in Comm. V. en V. 2016, afl. 47, 2016, 34; C. CLOTTENS, Een vennootschap met rechtspersoonlijkheid kan zich nog verweren in hangende procedures na de sluiting van haar vereffening (noot onder Luik 8 november 2016), RPS-TRV 2018,
(796)799.
(7)C. RESTEAU, Traité des sociétés anonymes, IV, Brussel, Polydore Pée, 1934, 270, nr. 2031; D. D'HOOGHE, De gevolgen van de sluiting van de vereffening van handelsvennootschappen met volkomen rechtspersoonlijkheid, TBH 1989,
(333)342; E. DE BIE en J. LEENHEER, Vereffening van vennootschappen na de Wet van 13 april 1995, Diegem, CedSamson, 1996, 202; B. TILLEMAN, Proceshandelingen van en tegen vennootschappen, Antwerpen, Maklu, 1997, 82, nr. 138.
(8)R. TAS, De rechtsbekwaamheid van een handelsvennootschap na de sluiting van haar vereffening (noot onder Gent 28 april 1995), TRV 1995,
(599)603; G. MEERSMAN, Procesbekwaamheid van een vereffende vennootschap (noot onder Gent 25 november 1998), TBH 1999,
(576)579; C. CLOTTENS, Het lot van lopende gerechtelijke procedures na afsluiting van de vereffening van een vennootschap met rechtspersoonlijkheid (noot onder Cass. 17 april 2008), TRV 2010,
(154)161; C. BERCKMANS, De vereffeningsprocedure, Mechelen, Kluwer, 2014, 733; 733-734; C. CLOTTENS, Een vennootschap met rechtspersoonlijkheid kan zich nog verweren in hangende procedures na de sluiting van haar vereffening (noot onder Luik 8 november 2016), RPS-TRV 2018,
(796)799.
(9)K. BROECKX, Het recht op hoger beroep en het beginsel van de dubbele aanleg in het civiele geding, Antwerpen, Maklu, 1995, 323, nr. 719.
(10)K. BROECKX, Het recht op hoger beroep en het beginsel van de dubbele aanleg in het civiele geding, Antwerpen, Maklu, 1995, 324, nr. 720.
(11)G. CLOSSET-MARCHAL en J.-F. VAN DROOGHENBROECK, Les voies de recours en droit judiciaire privé, Brussel, Bruylant, 2009, 9, nr. 11; J. LAENENS, D. SCHEERS, P. THIRIAR, S. RUTTEN en B. VANLERBERGHE, Handboek gerechtelijk recht, Antwerpen, Intersentia, 2016, 687, nr. 1574.
(12)Cass. 22 oktober 2009, AR C.08.0336.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091022.2-C.08.0379.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091022.2, AC 2009, nr. 602; Cass. 30 juni 2016, AR F.15.0014.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160630.22, AC 2016, nr. 437.
(13)C. CLOTTENS, Het lot van lopende gerechtelijke procedures na afsluiting van de vereffening van een vennootschap met rechtspersoonlijkheid (noot onder Cass. 17 april 2008) TRV 2010,
(154)161.
(14)C. CLOTTENS, Een vennootschap met rechtspersoonlijkheid kan zich nog verweren in hangende procedures na de sluiting van haar vereffening (noot onder Luik 8 november 2016), RPS-TRV 2018,
(796)799.
(15)R. TAS, De rechtsbekwaamheid van een handelsvennootschap na de sluiting van haar vereffening (noot onder Gent 28 april 1995), TRV 1995,
(599)603.
(16)J. RONSE, Vennootschappen (1964-1967). Overzicht van rechtspraak, TPR 1967, 764, nr. 255; R. AYDOGDU, Actualités en matière de liquidation (déficitaires) in N. THIRION (ed.), Réorganisation judiciaire, faillite, liquidation déficitaire - Actualités et pratique, CUP, Louvain-la-Neuve, Anthémis, 2010, 28, nr. 46.
(17)Cass. 13 september 1991, AR 7015, AC 1991-92, nr. 22.
(18)K. BROECKX, De autonomie van het belang als toelaatbaarheidsvoorwaarde in hoger beroep (noot onder Cass. 13 september 1991), RW 1991-92, 883-885. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20191107.14 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191107.14 citeert: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080417.11 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091022.2 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160630.22 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240215.1N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.